ECLI:NL:RBDHA:2026:5588
uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.62634 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoekster] , verzoekster V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. W. Hoebba), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: M.G. Meyboom-de Jong).
Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoekster op 19 december 2025 heeft ingediend tegen het primaire besluit van verweerder van 26 november 2025.
Beoordeling door de voorzieningenrechter De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1 Het verzoek om een voorlopige voorziening is namelijk kennelijk niet-ontvankelijk, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend hangende het door verzoekster ingediende bezwaar. Bij beslissing van 4 februari 2026 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen het besluit op bezwaar geen beroep ingesteld. De beroepstermijn is inmiddels verstreken. Daarom is niet voldaan aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste.
Het verzoek zal niet inhoudelijk worden behandeld en de voorzieningenrechter zal geen uitspraak doen over het verzoek. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:83 van de Awb).
Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 maart 2026 Documentcode: [Documentcode] Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.