RECHTBANK Den Haag Team handel zaak- / rolnummer: C/09/684581/ HA- ZA 25-377 Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van STICHTING WLZ-UITVOERDER ZORG EN ZEKERHEID te Leiden, eiseres, hierna te noemen: Zorg en Zekerheid, advocaat: mr. M.M. Sajjad te Den Haag, tegen [gedaagde] te [woonplaats] , gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. R.H. van Dijke te Zwolle. 1De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 16 april 2025, - de akte overlegging producties van Zorg en Zekerheid, met producties 1 tot en met 32; - de conclusie van antwoord van [gedaagde] , met producties 1 tot en met 3; - de akte overlegging aanvullende producties tevens akte verduidelijking/uitbreiding grondslag van de vordering van Zorg en Zekerheid, met producties 33 tot en met 39; - de brief namens [gedaagde] van 6 november, met producties 4 tot en met 6. 1.2. Namens [gedaagde] is bezwaar gemaakt tegen de indiening van de akte van Zorg en Zekerheid met de producties 33 tot en met 39. De rechtbank heeft in reactie op het bezwaar beslist dat de akte en de aanvullende producties worden toegestaan, op de randnummers 16 tot en met 22 van de akte na, omdat dit deel een verkapte repliek op de conclusie van antwoord bevatte. De griffier heeft deze beslissing van de rechtbank per e-mail van 7 november 2025 aan partijen doorgegeven. 1.3. Op 20 november 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De advocaten hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van schriftelijke spreekaantekeningen, die tot de processtukken behoren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder ter zitting is besproken en naar voren gebracht. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Deze zaak heeft betrekking op zorg die is verleend onder het regime van de Algemene Wet Bijzonder Ziektekosten (AWBZ). De AWBZ gold tot 1 januari 2015. Op basis van de AWBZ konden AWBZ-verzekerden een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen, waarmee zij zelf zorg konden inkopen bij een zorgaanbieder. 2.2. Tot 1 januari 2025 waren zorgverzekeraars door middel van zorgkantoren belast met de uitvoering en controle van de AWBZ. Zorg en Zekerheid was destijds als uitvoerend zorgkantoor aangewezen voor de regio’s Zuid-Holland Noord en Amstelland en Meerlanden. In die hoedanigheid was Zorg en Zekerheid onder meer belast met de controle op pgb’s. 2.3. [gedaagde] was tot 28 april 2016 enig (middellijk) aandeelhouder en (indirect) bestuurder van Zorg Allerlei B.V. (hierna: Zorg Allerlei). Daarnaast was [gedaagde] tot 28 april 2016 gevolmachtigde met volledige volmacht van Stichting Kleinschalig Wonen (hierna: Kleinschalig Wonen). Met Kleinschalig Wonen heeft [gedaagde] in 2013 ‘ [instelling] ’ te [plaats] opgericht, een instelling die op kleinschalig niveau zorg verleende aan dementerende ouderen. 2.4. Zorg en Zekerheid heeft aan zes oudere zorgbehoevenden een pgb verstrekt (deze zes personen hierna samen te noemen: de budgethouders). De budgethouders hebben zorgovereenkomsten gesloten met Kleinschalig Wonen en/of Zorg Allerlei, onder meer voor het verkrijgen van verpleging, verzorging en individuele begeleiding. De door Kleinschalig Wonen en Zorg Allerlei verleende zorg is vanuit het pgb betaald. 2.5. Naar aanleiding van een toename van gevallen van pgb-fraude, heeft het Ministerie van VWS in 2014 alle zorgkantoren opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de besteding van de pgb’s. Zorg en Zekerheid is een rechtmatigheidsonderzoek gestart naar de pgb-besteding van de budgethouders die met Zorg Allerlei en Kleinschalig Wonen een zorgovereenkomst hadden gesloten. Zorg en Zekerheid verzocht onder meer om inzage in de urenverantwoordingen en gespecificeerde facturen over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014. Meerdere budgethouders gaven aan dat zij niet aan dit verzoek konden voldoen, omdat [instelling] weigerde de urenoverzichten en facturen te verstrekken. Naar aanleiding hiervan heeft Zorg en Zekerheid Zorg Allerlei en Kleinschalig Wonen bij brief van 29 januari 2025 verzocht om de urenoverzichten te verstrekken, alsook een dienstoverzicht van de zorgverleners die in 2014 zorg hadden verleend. Vervolgens hebben Zorg Allerlei en Kleinschalig wonen (in de persoon van [gedaagde] ) hierover met Zorg en Zekerheid gecorrespondeerd. [gedaagde] heeft dit onder meer bij brief van 1 april 2015 gedaan. De door [gedaagde] gegeven antwoorden in die brief gaven voor Zorg en Zekerheid aanleiding om het rechtmatigheidsonderzoek op te schalen naar een fraudeonderzoek. 2.6. Bij brief van 2 februari 2017 heeft Zorg en Zekerheid de conclusies van het fraudeonderzoek aan [gedaagde] kenbaar gemaakt. In de brief schrijft Zorg en Zekerheid onder meer – kort samengevat – dat op basis van de verstrekte urenoverzichten en werkroosters niet objectief vastgesteld kan worden of de verantwoorde uren zorg op de facturen van budgethouders daadwerkelijk geleverd zijn, dat bij een tweetal budgethouders hulp bij het huishouden is gefactureerd terwijl zulke hulp niet in hun zorgovereenkomst was opgenomen, en dat de aan de budgethouders doorberekende onregelmatigheidstoeslag niet overeenkomt met de CAO Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg, terwijl ook zaterdagen zijn gedeclareerd tegen tarieven voor zon- of feestdagen. Zorg en Zekerheid schrijft in de brief verder, voor zover van belang: “Aansprakelijkheid (…) Wij beschouwen uw handelen als frauduleus en bovendien hebben wij de betrokken budgethouders als te goeder trouw beoordeeld. Dientengevolge stellen wij u, conform het beleid gecommuniceerd in de brief van 7 december 2015 en artikel 11.1 van Algemene Voorwaarden van Zorg Allerlei, verantwoordelijk voor de geleden (financiële) schade. Op basis van voornoemde argumenten zullen wij de budgethouders aanbieden om de vordering door middel van een akte van cessie aan het zorgkantoor over te dragen. (…) Naast de schade die Zorg en Zekerheid leidt door onterechte uitkeringen, kost ook het afhandelen van deze onderzoeken veel tijd én geld. Om te voorkomen dat de overige premiebetalers voor deze kosten moeten opdraaien, vorderen wij deze van u terug. Er geldt een standaard schadevergoeding van € 532,00. Daarnaast kunnen wij kosten die wij gemaakt hebben voor het inhuren van externe deskundigheid op u verhalen. Het vorderen hiervan hebben wij uit handen gegeven aan de Service Organisatie Directe Aansprakelijkheidsstelling (SODA). (…) De SODA zal zich voor het innen van deze vordering binnenkort tot u wenden.” 2.7. Begin 2017 hebben Zorg en Zekerheid en vertegenwoordigers van de (inmiddels overleden) budgethouders aktes van cessie ondertekend, waarin staat dat de vorderingen van de budgethouders op Zorg Allerlei, Kleinschalig Wonen en [gedaagde] aan Zorg en Zekerheid worden overgedragen. 2.8. Zorg Allerlei en Kleinschalig Wonen zijn respectievelijk begin 2019 en eind 2021 2021 ontbonden. 2.9. Op 8 maart 2019 heeft Zorg en Zekerheid een (aangetekend verzonden) stuitingsbrief aan [gedaagde] gestuurd. 2.10. Op 3 januari 2020 heeft [gedaagde] , na ontvangst van een rekening, een betaling van € 624,94 gedaan aan SODA. 2.11. Op 13 februari 2020 heeft Zorg en Zekerheid nogmaals een (aangetekend verzonden) stuitingsbrief aan [gedaagde] verstuurd. 2.12. Op 6 maart 2024 heeft Zorg en Zekerheid een derde maal een (aangetekend verzonden) stuitingsbrief aan [gedaagde] verstuurd. 2.13. Begin april 2025 heeft Zorg en Zekerheid met rechterlijk verlof conservatoire derdenbeslagen gelegd op diverse bankrekeningen van [gedaagde] . Daarna is Zorg en Zekerheid deze bodemprocedure gestart. 3Het geschil 3.1. Zorg en Zekerheid vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 140.607,71, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. Zorg en Zekerheid baseert de vordering op onrechtmatige daad (artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, BW). Primair stelt Zorg en Zekerheid dat zij door cessie de vorderingen van de budgethouders op Kleinschalig Wonen en Zorg Allerlei heeft overgenomen. Ook heeft Zorg en Zekerheid een (gecedeerde) vordering op [gedaagde] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, omdat [gedaagde] ten tijde van de ten onrechte gedeclareerde zorg wist of had behoren te begrijpen dat de budgethouders bij een controle de pgb-gelden moesten terugbetalen en dat Kleinschalig Wonen en Zorg Allerlei geen verhaal zouden bieden. Althans het handelen van [gedaagde] als bestuurder of feitelijk leidinggevende van Kleinschalig Wonen en Zorg Allerlei is in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig, dat [gedaagde] daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. [gedaagde] is dientengevolge verplicht de schade te vergoeden die door haar handelen aan Zorg en Zekerheid (middels de cessies) is toegebracht. Subsidiair stelt Zorg en Zekerheid dat zij, naast haar vordering uit hoofde van de cessies, ook een zelfstandige rechtstreekse vordering op [gedaagde] heeft op grond van onrechtmatige daad. 3.3. [gedaagde] voert verweer dat strekt tot nietigverklaring van de dagvaarding, althans niet-ontvankelijkverklaring, althans afwijzing van de vordering, met veroordeling van Zorg en Zekerheid in de werkelijke proceskosten. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. [gedaagde] heeft onder meer als verweer aangevoerd dat de vorderingen van Zorg en Zekerheid moeten worden afgewezen omdat deze zijn verjaard. De rechtbank ziet aanleiding om dit verweer nu als eerste te bespreken. Aanvang van de verjaring 4.2. Op grond van artikel 3:310 lid 1 van het BW verjaart een rechtsvordering tot schadevergoeding door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon zo worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. De verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. 4.3. Er zijn in dit geval twee vorderingen tot schadevergoeding met een eigen grondslag: ten eerste de (door Zorg en Zekerheid overgenomen) vorderingen van de budgethouders op [gedaagde] en daarnaast de zelfstandige rechtstreekse vordering van Zorg en Zekerheid op [gedaagde] uit hoofde van onrechtmatige daad. De rechtbank is met Zorg en Zekerheid van oordeel dat de verjaringstermijn van deze vorderingen op zijn vroegst pas op 2 februari 2017 is gaan lopen, toen de conclusies van het fraudeonderzoek bekend werden. De rechtbank gaat niet mee in het betoog van Zorg en Zekerheid dat de verjaringstermijn al in 2014 is gaan lopen, toen de budgethouders de facturen ontvingen. Noch de budgethouders, noch Zorg en Zekerheid wisten toen al dat zij een deel van de vanuit het pgb vergoede zorg moesten terugbetalen, laat staan dat zij toen al wisten dat zij in verband hiermee een vordering uit onrechtmatige daad op [gedaagde] hadden (op grond van bestuurdersaansprakelijkheid). Stuiting door erkenning vordering? 4.4. Zorg en Zekerheid stelt dat de op 2 februari 2017 gestarte verjaringstermijn tijdig (dat wil zeggen binnen vijf jaren) door Zorg en Zekerheid is gestuit. Zorg en Zekerheid voert hiertoe onder meer aan dat de verjaring op 3 januari 2020 op grond van artikel 3:318 BW is gestuit, toen [gedaagde] een bedrag van € 624,94 aan SODA betaalde. [gedaagde] deed die betaling nadat zij:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.