Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2026:6028
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.12396 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.C. van Paridon), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop Bij besluit van 4 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn via een beeldverbinding verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen Heeft de minister zijn informatieplicht geschonden?
1.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 8:42 van de Awb en artikel 8.4 van het Procesreglement volgt dat het aan de minister is om de op de zaak betrekking hebbende stukken tijdig in te zenden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hieraan voldaan. Uit artikel 8.4 van het Procesreglement volgt dat het bestuursorgaan wordt verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden uiterlijk op de derde werkdag vóór de zitting om 16:00 uur. Dat betekent in dit geval dat de minister op 12 maart 2026 voor 16:00 uur de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het rechtbankdossier diende toe te voegen. Het is de rechtbank niet gebleken dat door de minister na deze dag en dit tijdstip stukken zijn ingediend. Eiser heeft ook niet gemotiveerd welke – op de zaak betrekking hebbende – stukken ontbreken in het rechtbankdossier. Eiser heeft ook niet concreet gemaakt welke stukken, die van belang zijn voor de beslechting van de bestaande geschilpunten tussen hem en de minister in dit geding, door de minister niet zijn overgelegd.
1.2.
Eiser heeft weliswaar zelf een kennisgeving van 9 maart 2026 aan het dossier toegevoegd, waarmee gemachtigde van eiser is geïnformeerd over eisers vluchtgegevens. De rechtbank stelt echter vast dat de minister op 11 maart 2026 een document aan het dossier heeft toegevoegd met als onderwerp ‘vluchtaanvraag medische escort’. Eiser heeft tijdens de zitting gesteld dat dit document geen vluchtaanvraag is, dat het onduidelijk is aan wie dit document is gericht en dat hij dit document betwist. De rechtbank ziet geen reden om dit document niet aan te merken als een vluchtaanvraag. In het onderwerp is vermeld ‘vluchtaanvraag medische escort’. Het document is gericht aan ‘Dutch Medical Group’. Niet wordt ingezien dat dit document gezien de daarop aangebrachte gegevens niet afkomstig van de Dienst Terugkeer en Vertrek. Ook staat in dit document 18 maart 2026 als geplande vertrekdatum en staat ‘Zurich Flughafen’ als bestemming. Eiser heeft ook niet nader onderbouwd waarom dit document geen vluchtaanvraag is. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
2.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser in bewaring is gesteld op 4 maart 2026, dat op diezelfde dag een vlucht is aangevraagd naar Zwitserland en dat de minister op 6 maart 2026 aan de Zwitserse autoriteiten heeft aangekondigd dat de overdracht op 18 maart 2026 zou plaatsvinden. Voor eiser is een overdracht met medische escort aangevraagd vanwege zijn psychische problematiek, wat betekent dat de minister in dit geval afhankelijk is van de beschikbaarheid van de Koninklijke Marechaussee om een vlucht met medische escorts te boeken. Uit het claimakkoord blijkt verder dat Zwitserland in geval van de overdracht van iemand met fysieke of mentale problemen, een aankondigingstermijn van ten minste zeven werkdagen hanteert.
De rechtbank acht daarbij van belang dat de minister tijdens de zitting er terecht op heeft gewezen dat de aankondigingstermijn ziet op de door Zwitserland gewenste termijn waarop een aankondiging van de overdracht van een vreemdeling naar Zwitserland dient plaats te vinden, en geen norm bevat voor het al dan niet voortvarend handelen van de minister. Ook heeft de minister tijdens de zitting toegelicht dat uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling en uit de maatregel van bewaring zelf volgt waarom voor eiser – vanwege zijn psychische problematiek – een vlucht met medische escort is aangevraagd. Dat het onduidelijk is waarom er voor eiser medische escorts zijn geregeld, wordt dan ook niet gevolgd.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld en de inbewaringstelling van eiser niet langer duurt dan strikt noodzakelijk. Dat de reden voor de door eiser gestelde vertraging in zijn overdracht niet uit de gedingstukken volgt, is naar het oordeel van de rechtbank gezien voorgaande onjuist. Bovendien is de duur van een inbewaringstelling op grond van artikel 59a van de Vw 2000, zoals genoemd in artikel 28 van de Dublinverordening, niet overschreden. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
In de spreekaantekeningen van de gemachtigde van eiser en zoals hij op de zitting heeft betoogd, heeft de gemachtigde het in dit verband over de uitzetting van eiser. Nu eiser in bewaring is gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 gaat de rechtbank niet uit van een uitzetting maar van een overdracht.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).