Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2026:6043
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/8925 (boete ATW) uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres; [eiser] , uit [woonplaats] , eiser; gezamenlijk te noemen: eisers (gemachtigde: mr. A. Cremer), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder (gemachtigden: mrs. A.M. Pelgrim, Y.D.R. Mandel en S. Alkema).
Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen de bestuurlijke boete van € 30.000,- die door verweerder aan eisers is opgelegd, vanwege overtreding van de Arbeidstijdenwet (ATW).
1.1.
Eisers zijn het niet eens met dit besluit van verweerder en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden oordeelt de rechtbank over dit beroep.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het bestreden besluit op een aantal punten onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Dat betekent dat eisers voor een deel gelijk krijgen en dat het beroep gegrond is. De rechtbank stelt de boete opnieuw vast op een bedrag van € 1.425,- en legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen deze uitspraak heeft.
Procesverloop 2. Na ontvangst van het boeterapport van 30 november 2023 heeft verweerder op 28 februari 2024 een kennisgeving bestuurlijke boete verstuurd naar eisers.
2.1.
Eisers hebben naar aanleiding van deze kennisgeving een zienswijze ingediend.
2.2.
Bij het besluit van 27 maart 2024 (primaire besluit) heeft verweerder een bestuurlijke boete van € 30.000,- aan eisers opgelegd voor overtredingen van de ATW.
2.3.
Met het bestreden besluit van 24 september 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het boetebedrag van € 30.000,- gehandhaafd.
2.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep van eisers op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
3.1.
Op 18 februari 2023 heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: de inspectie) namens verweerder een werkplekcontrole uitgevoerd in het restaurant van eisers, in het kader van het toezicht op de naleving van de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de ATW. De bevindingen tijdens deze werkplekcontrole zijn beschreven in boeterapport van 30 november 2023. Tijdens dit bezoek zijn werknemers en eiser gehoord en heeft de inspectie een bevel tot staken van de arbeid mondeling meegedeeld aan een werknemer met de leeftijd van 15 jaar, vanwege het op heterdaad vaststellen van een overtreding van de ATW, namelijk het als maaltijdbezorger op een voertuig arbeid verrichten voor eisers en het bakken van friet en brood, zijnde arbeid met onacceptabele veiligheidsrisico's. Dit bevel is op 21 februari 2023 schriftelijk bevestigd aan eisers. Vervolgens heeft nader administratief onderzoek plaatsgevonden, zijn (meer) werknemers gehoord en is eiseres op 11 augustus 2023 door de inspectie gehoord, voordat het boeterapport op 30 november 2023 definitief werd gemaakt.
Wat heeft verweerder besloten?
4.1.
Bij het primaire besluit is conform de kennisgeving een boete van totaal € 30.000,- aan eisers opgelegd, vanwege 20 direct beboetbare overtredingen van artikel 3:2 van de ATW bij de eerdergenoemde drie werknemers. De hoogte van de boete is berekend met inachtneming van de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013 (hierna: de Beleidsregel). Voor ieder van de 20 overtredingen geldt een boetebedrag van € 2.000,- met een factor 0.5, omdat het om een bedrijf met minder dan 10 werknemers gaat en een factor 1.5, omdat de overtredingen direct - en zonder waarschuwing - beboetbaar zijn. Omdat de overtredingen zijn toe te rekenen aan de periode dat eisers hun onderneming hebben uitgebaat binnen een v.o.f., maar deze v.o.f. in 2023 is opgeheven, zijn eisers hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van deze boete.
4.2.
Verweerder heeft het bezwaar in het bestreden besluit integraal ongegrond verklaard en het boetebedrag van € 30.000,- onverkort gehandhaafd.
4.3.
Bij besluit van 1 oktober 2024 heeft verweerder eisers naar aanleiding van de werkplekcontrole op 18 februari 2023 eveneens een bestuurlijke boete van € 9.500,- opgelegd voor overtredingen van de Wet minimumloon. In de beslissing op het bezwaar van 4 april 2025 is de boete gematigd naar € 9.025.-. Op het beroep in deze zaak, met het kenmerk: 25/3470, is afzonderlijk uitspraak gedaan.
Wat zijn de standpunten van eisers en verweerder in dit beroep?
De conclusie dat eisers 10 overtredingen van de ATW door [minderjarige 3] hebben toegestaan, is daarbij niet te baseren op de urenregistratie die is overgelegd. Daaruit volgt namelijk alleen wanneer de kinderen hebben gewerkt en niet welke werkzaamheden zijn op die dagen hebben verricht. De stelling dat [minderjarige 1] minimaal één keer een overtreding heeft begaan door bezorging, dan wel werken in de keuken, vindt bovendien geen steun in het onderzoeksrapport en de verklaringen. Verweerder heeft daarbij ten onrechte tegengeworpen dat 13- en 14-jarigen slechts hulparbeid mogen verrichten en dat 15 jarigen alleen onder toezicht arbeid mogen verrichten. Dit is een onjuiste interpretatie van de wet, aangezien het 15 jarigen toegestaan is om zonder nadrukkelijk toezicht te werken.
Uit de overgelegde arbeidsovereenkomsten en de verklaringen van eiser volgt daarbij tegenbewijs voor de conclusie dat sprake was van verboden kinderarbeid, nu daarin alleen lichte werkzaamheden in zijn beschreven. Zonder steunbewijs mocht verweerder daarbij niet enkel op basis van de verklaringen van de kinderen tegenwerpen dat sprake is van kinderarbeid en is bovendien onvoldoende doorgevraagd en rekening gehouden met de taalbarrière van de kinderen.
5.2.
Ook voeren eisers aan dat zij de boete onevenredig hoog vinden en dat er onvoldoende rekening is gehouden met de draagkracht en de persoonlijke omstandigheden. De onderneming heeft nog geen twee jaar bestaan en is geruime tijd geleden opgeheven. Eisers waren relatief jong toen zij deze onderneming runden, hadden geringe ervaring en hebben geen verdiensten meer uit deze onderneming. Eisers komen door deze boete in financiële problemen te verkeren, ondanks de geboden betalingsregelingen. Eiseres heeft daarbij geen baan meer en draagt als alleenstaande moeder zorg voor een minderjarig kind.
5.3.
Tot slot voeren eisers aan dat de boete met 25% gematigd dient te worden vanwege de redelijke termijn. Pas een jaar na de start van het onderzoek door de inspectie is het primaire besluit met de boete aan eisers namelijk opgelegd. Eisers verwijzen in dit kader naar een arrest van de Hoge Raad, waaruit volgt dat wanneer de redelijke termijn met meer dan één jaar is overschreden, een matiging van de boete met 25% passend en geboden is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Werknemer 1, [minderjarige 3] , 15 jaar oud.
De rechtbank vermag niet in te zien dat het verschijnen in werkkleding op de werkplek tot deze conclusie kan leiden. Verdere ondersteuning van verweerder voor de opgelegde boetes betreft de verklaring van werknemer 1 op 18 februari 2023. Op de vraag: “Welke werkzaamheden verricht u? Wat deed u vandaag?”, heeft hij geantwoord: “Bezorgen en keuken, friet bakken en brood en alles klaarleggen voor de bezorgers.” Hieruit volgt dat werknemer 1 weliswaar op 18 februari 2023 arbeid heeft verricht die strijdig is met de ATW, maar niet dat op de andere 10 data sprake is van overtredingen van de ATW door het bakken van friet en brood in de keuken van het restaurant en/of het zonder toezicht bezorgen van maaltijden per elektrische fiets/scooter.
De urenregistraties, tezamen met de verklaring van werknemer 1 op 18 februari 2023 dat hij die dag als werk friet bakte en heeft bezorgd, zijn daarvoor onvoldoende. Op grond hiervan heeft verweerder ten aanzien van werknemer 1 alleen voor één werkdag en dus één overtreding voldoende bewijs geleverd.
7.1.
Verweerder heeft de boetes eveneens gebaseerd op de vraag van eiser tijdens de werkplekcontrole of “de jongen niet weer mocht bezorgen, omdat het eten anders koud werd”. De rechtbank overweegt dat uit de dossierstukken niet blijkt welke jongen hiermee bedoeld werd. De verklaring van eiser (desgevraagd) tijdens de werkplekcontrole dat de jongens die op dat moment door de arbeidsinspecteurs gehoord werden, waaronder werknemer 1, die dag aan het bezorgen waren, zegt ook alleen iets over de verrichte werkzaamheden op 18 februari 2025. Aanvullend merkt de rechtbank op dat eisers weliswaar hebben erkend dat werknemer 1 incidenteel een bezorging deed, maar dat de rechtbank niet is gebleken hoe vaak werknemer 1 deze werkzaamheden verrichtte en of dit zonder toezicht gebeurde.
Werknemer 2, [minderjarige 2] , 14 jaar oud.
Ik heb alle dagen dat ik gewerkt heb bezorgd. Bezorgen deed ik het meest. Als er geen bestellingen waren moest ik afwassen of iets anders doen.” Verweerder heeft hiermee geen onderbouwing voor het standpunt dat werknemer 2 burgers heeft bereid. De rechtbank overweegt over de bezorgwerkzaamheden het volgende. Op grond van artikel 1:1, derde lid, onder c, van de Nadere regeling kinderarbeid zijn onacceptabele veiligheidsrisico's voor een kind van 13 of 14 jaar in ieder geval aanwezig bij werkzaamheden waarbij het kind zelfstandig en op commerciële basis maaltijden bezorgt, door deelname aan het verkeer met behulp van een voertuig. Hoewel de rechtbank op basis van de overgelegde arbeidsovereenkomst van werknemer 2, weliswaar voldoende bewezen acht dat werknemer 2 op commerciële basis maaltijden bezorgde, mist het bestreden besluit bewijs voor het standpunt dat deze werkzaamheden zelfstandig en zonder toezicht zijn verricht.
Op grond hiervan heeft verweerder ten onrechte boetes opgelegd voor verboden kinderarbeid door werknemer 2.
Werknemer 3, [minderjarige 1] , 13 jaar oud.
Tussenconclusie over de overtredingen 10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder voor slechts 1 van de 20 gestelde overtredingen voldoende bewijs geleverd. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en op basis van deze overtreding vaststellen dat slechts grond bestaat voor een boete van in totaal € 1.500,- (1 x € 2.000,- x 1.5 x 0.5), met inachtneming van de Beleidsregel die in de bestreden besluitvorming is toegepast.
Draagkracht en evenredigheid 11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden geconcludeerd heeft dat er geen aanleiding is om het boetebedrag te matigen vanwege de draagkracht van eisers of het evenredigheidsbeginsel. Verweerder heeft in dit kader mogen tegenwerpen dat in deze procedure door eisers geen stukken en gegevens over hun financiële situatie zijn ingebracht die onderbouwen dat zij onvoldoende financiële draagkracht hebben om deze boete te kunnen betalen. Zo is na meerdere keren de gelegenheid te hebben gekregen geen inzicht geboden in de verkregen winsten uit verkoop van de vorige onderneming en is ook het draagkrachtformulier niet ingevuld en ingediend door eisers. Zolang de gestelde financiële problemen van eiseres als alleenstaande moeder die zorg draagt voor haar minderjarige kind niet met stukken of enig ander objectief bewijsmiddel zijn onderbouwd, kunnen ook daaraan geen conclusies worden verbonden ten aanzien van de evenredigheid van het boetebedrag. Gelet op het ontbreken van concrete informatie over de financiële draagkracht van eisers of de evenredigheid van het boetebedrag in bredere zin, bestaat er geen aanleiding om het boetebedrag op grond van evenredigheid verder te matigen.
Redelijke termijn 12. Uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat voor bestuurlijke boetezaken het uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn wordt overschreden, indien de uitspraak in eerste aanleg wordt gedaan later dan twee jaar na het uitbrengen van de kennisgeving. Daarbij mag de behandeling van de bestreden besluitvorming door het bestuursorgaan ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep door de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden wordt de boete verminderd met 5% bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder en met 10% bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden maar niet meer dan twaalf maanden.
12.1 Vaststaat dat de kennisgeving is gedateerd op 24 februari 2024 en dat deze uitspraak van de rechtbank is gedateerd op 20 maart 2026. Daarmee heeft de periode vanaf de kennisgeving tot en met de uitspraak van vandaag tezamen 2 jaar en 24 dagen geduurd en is sprake van overschrijding van de redelijke termijn van 2 jaar. Dit betekent dat de boete van € 1.500,- met 5% moet worden verminderd tot een bedrag van € 1.425,-.
Conclusies en gevolgen 13. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet op grond van artikel 8:72a Awb de mogelijkheid om tot finale geschilbeslechting te komen en stelt de bestuurlijke boete - gelet op rechtsoverweging 10 en 12.1 - vast op € 1.425,- en laat deze uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit op bezwaar treden.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Bijlage Arbeidstijdenwet Artikel 1:2, eerste lid In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder kind: een persoon jonger dan 16 jaar.
Artikel 3:1 (Begrip verantwoordelijk persoon) Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder verantwoordelijke persoon: a. de werkgever; b. een ieder, die over een kind het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent of in wiens huishouding een kind is opgenomen.
Artikel 3:2 (Het verbod van kinderarbeid) 1. De verantwoordelijke persoon zorgt er voor, dat een kind geen arbeid verricht.
Artikel 10:1, eerste lid Als overtreding wordt aangemerkt het niet naleven van de artikelen 3:2, eerste en vierde lid […].
Artikel 10:5, eerste lid Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt de bestuurlijke boete op aan de natuurlijke of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.
Artikel 10:5, derde lid De ter zake van deze wet en de daarop berustende bepalingen gestelde overtredingen gelden ten opzichte van elke persoon, met of ten aanzien van wie de overtreding is begaan, en met betrekking tot elke dag in de loop waarvan deze overtreding is begaan.
Artikel 10:7, zesde lid Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de overtredingen worden vastgesteld. […] Artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing indien een artikel gesteld bij of krachtens de wet op grond waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, niet is nageleefd.
Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013 Artikel 1. (Berekening van de bestuurlijke boete) 1. Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 10:5 van de Arbeidstijdenwet wordt voor alle overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die gelden voor de onderscheiden onderwerpen in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet' die als bijlage 1 bij deze beleidsregel is gevoegd.
Artikel 2. (Correctie aantal werknemers) 1. De in bijlage 1 genoemde boetenormbedragen zijn uitgangspunt voor de berekening van op te leggen bestuurlijke boetes voor een werkgever die 50 of meer, maar minder dan 100 werknemers in dienst heeft (middelgroot bedrijf).
Artikel 5. (Maximum aantal werknemers) 1. Het maximaal in het boeterapport op te nemen aantal werknemers ter zake waarvan één of meer overtredingen is vastgesteld, bedraagt, afhankelijk van het aantal werknemers dat bij de betreffende werkgever in dienst is: a.3 (kleinbedrijf), b.6 (middenbedrijf), c.9 (middelgroot bedrijf), d.12 (grootbedrijf).
Artikel 7. (Cumulatie bestuurlijke boetes) De totale bij een boetebeschikking op te leggen bestuurlijke boete bestaat, in geval er sprake is van meerdere overtredingen, uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen.
Bijlage 1 bij de Beleidsregel Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet Onderwerp Boetenormbedrag * Kinderarbeid ○ Het verbod van kinderarbeid; € 2.000,– […] * Het niet naleven van voorschriften in geval van toegestane kinderarbeid ○ Rusttijd € 200,-.
Nadere regeling kinderarbeid Artikel 1:1, eerste, tweede en derde lid 1. In deze regeling wordt verstaan onder: […]
Artikel 4:1 (Kind van 13 of 14 jaar) 1. Indien een kind van 13 of 14 jaar tijdens een schoolweek niet-industriële hulparbeid van lichte aard verricht, niet zijnde een uitvoering, dan wordt in acht genomen, dat dat kind: a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit de aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen. Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van de vorige zin worden afgeweken indien de werkgever daartoe overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers en indien de ouders of verzorgers daarmee aantoonbaar instemmen. Indien op zondag arbeid wordt verricht, mag op de dag voorafgaand aan de zondag geen arbeid worden verricht en er mag op ten minste vijf zondagen in elke periode van zestien achtereenvolgende weken geen arbeid worden verricht; b. op dagen dat onderwijs wordt gevolgd geen arbeid verricht; c. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen 19:00 en 07:00 begrepen is. Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van de vorige zin worden afgeweken in de situatie dat het kind een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in elke periode van 24 aangesloten uren, waarin de periode tussen 20:00 en 07:00 begrepen is, indien de werkgever daartoe overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers en indien de ouders of verzorgers daarmee aantoonbaar instemmen; d. niet langer arbeid verricht dan 12 uren, waarvan ten hoogste 7 uren per dag; e. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur, die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur aaneengesloten.
1°. op niet meer dan ten hoogste 5 dagen arbeid verricht;
2°. niet langer arbeid verricht dan 12 uren, waarvan ten hoogste 2 uren per dag op dagen dat onderwijs wordt gevolgd en ten hoogste 7 uren per dag op andere dagen.
Artikel 4:2 (Kind van 15 jaar) Indien een kind van 15 jaar tijdens een schoolweek niet-industriële arbeid van lichte aard verricht, niet zijnde een uitvoering, dan wordt in acht genomen, dat dat kind: a. op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit de aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen. Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van de vorige zin worden afgeweken, indien de werkgever daartoe overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of, bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. Een in de aanhef bedoelde kind verricht in de omstandigheden, bedoeld in dit onderdeel, uitsluitend arbeid op zondag, indien de ouders of verzorgers daarmee voor dat geval instemmen; b. indien hij op zondag arbeid verricht, hij op de dag voorafgaande aan die zondag geen arbeid verricht; c. op ten minste 5 zondagen in elke periode van 16 achtereenvolgende weken geen arbeid verricht; d. op niet meer dan ten hoogste 5 dagen arbeid verricht; e. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren in elke periode van 24 aaneengesloten uren, waarin de periode tussen 19:00 en 07.00 begrepen is. Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van de vorige zin worden afgeweken in de situatie dat het kind een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 12 uren in elke periode van 24 aangesloten uren, waarin de periode tussen 20:00 en 07:00 begrepen is, indien de werkgever daartoe overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers en indien de ouders of verzorgers daarmee aantoonbaar instemmen; f. niet langer arbeid verricht dan 12 uren, waarvan ten hoogste 2 uren per dag op dagen dat onderwijs wordt gevolgd en ten hoogste 8 uren per dag op andere dagen; g. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur, die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur aaneengesloten.
ECLI:NL:HR:2008:BD0191.
Artikel 4:2 van de Nadere regteling kinderarbeid, in samenhang gelezen met artikel 1, derde lid onder a en onder c van de Nadere regeling kinderarbeid.
Zoals die geldig was tot en met 4 november 2023.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2015:665.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191.