Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2026:6292
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/377 uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: C. Schravesande).
Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen beslaglegging op haar uitkering door het Uwv. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Verzoekster heeft op 15 januari 2026 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de rechtbank 2. Verzoekster voert aan dat zij op 6 december 2025 een bezwaarschrift heeft ingediend. Verzoekster heeft het Uwv viermaal via de website benaderd over dit bezwaar. Op 17 januari 2026 heeft zij het Uwv nogmaals per post benaderd met het verzoek de beslagleggingen te staken totdat op het bezwaar is beslist. Verzoekster heeft geen reactie van het Uwv ontvangen. Verzoekster voert aan dat het Uwv heeft nagelaten een schriftelijk besluit te sturen, waardoor het verzoek moet worden beschouwd als gericht tegen de feitelijke medewerking van het Uwv aan de lopende beslagen door derden.
Conclusie en gevolgen 7. De conclusie is dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
Artikel 2:15 van de Awb. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO2903, r.o. 2.1.2.