Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2026:6865
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/2170 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen [eisers] , uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: [naam dochter] , hun dochter), en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa (gemachtigde: mr. A. van Beurden).
Samenvatting Deze uitspraak gaat over de inhouding van de aan eisers verleende financiële verstrekkingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Rva door het COa in [plaats 1] . Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de brief/e-mail van 5 mei 2024 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank is onbevoegd om van het beroep van eisers kennis te nemen. Zij zal het beroep niet inhoudelijk behandelen.
Inleiding en procesverloop 1. Bij haar beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Op grond van een brief/e-mail van 5 mei 2024 van het COa hebben gedurende de maanden mei 2024 tot augustus 2024 inhoudingen plaatsgevonden op de aan eisers verleende financiële verstrekkingen als bedoeld in de Rva, als gevolg van het voorschot dat zij hebben ontvangen na de instroom op de centrale ontvangstlocatie [plaats 2] .
1.2.
Eisers hebben op 22 mei 2025 beroep ingesteld tegen de brief/e-mail van het COa [plaats 1] van 5 mei 2024. Op 28 juni 2025 hebben zij de gronden van het beroep aangevuld. Eisers hebben aangegeven dat zij geen kopie hebben van het besluit van het COa [plaats 1] van 5 mei 2024 en nooit een formeel schriftelijk besluit hebben ontvangen. Verder geven eisers aan dat het beroep zich specifiek richt tegen de inhouding van de wekelijkse leefgeldtoelage door het COa in [plaats 1] .
1.3.
Op 25 augustus 2025 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gehouden (comparitiezitting) voor het geven van inlichtingen. Hieraan heeft de gemachtigde van het COa deelgenomen. Eisers hebben de rechtbank vooraf laten weten dat zij niet in staat zijn om naar de comparitiezitting te komen. Op 12 september 2025 heeft de rechtbank het proces-verbaal van de comparitiezitting aan partijen gezonden.
1.4.
Het COa heeft op 23 september 2025 een verweerschrift ingediend.
1.5.
De behandeling van het beroep was gepland op de zitting van 17 maart 2026. In een e-mailbericht van 3 februari 2026 hebben eisers de rechtbank laten weten dat zij vanwege verschillende omstandigheden niet naar de zitting kunnen komen, en dat ook een schriftelijke behandeling van de zaak een mogelijkheid is. Daarop heeft de rechtbank met een brief van 5 februari 2026 aan eisers gevraagd of zij schriftelijk toestemming geven om zonder het houden van een zitting uitspraak te doen in deze zaak. Eisers hebben op 6 februari 2026 die toestemming aan de rechtbank verleend. Het COa heeft dat op 5 maart 2026 gedaan.
1.6.
Met een brief van 5 maart 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat de op 17 maart 2026 geplande zitting geen doorgang zal vinden, dat zij het onderzoek in deze zaak sluit en binnen zes weken na de datum verzending van deze brief uitspraak zal doen.
Beoordeling door de rechtbank 2. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de brief/e-mail van 5 mei 2024 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eisers, die hierna zullen worden besproken. Verder heeft de rechtbank besloten dat eisers het griffierecht niet hoeven te betalen.
Is de brief/e-mail van 5 mei 2024 een besluit?
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij niet beschikt over de brief/e-mail van 5 mei 2024. Het COa heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de brief/e-mail van 5 mei 2024 gaat over de inhouding van de Rva-verstrekkingen over de periode van mei 2024 tot augustus 2024 omdat eisers een voorschot hebben ontvangen. Daarvan uitgaande volgt de rechtbank het COa in het standpunt dat de brief/e-mail van 5 mei 2024 niet op rechtsgevolg is gericht en dus niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In dit verband heeft het COa in het verweerschrift deugdelijk gemotiveerd dat de inhoudingen het gevolg zijn van een verkregen voorschot en dus feitelijk geen beperking of onthouding van de wettelijke Rva-verstrekkingen tot gevolg hadden. Daarbij heeft het COa gesteld dat uit het bewonersdossier blijkt dat eisers op 20 april 2024 zijn aangekomen in de COL in [plaats 2] en dat zij daar een financieel voorschot hebben ontvangen van € 119,00. Dit is vanaf 27 mei 2024 tot en met 4 augustus 2024 ingehouden op de Rva-verstrekkingen van eisers, ter compensatie van het aan hen verstrekte voorschot. Eisers hebben daarmee nog altijd de gebruikelijke hoeveelheid financiële Rva-verstrekkingen ontvangen. Daarom kan de brief/e-mail van 5 mei 2024 over de inhouding van de Rva-verstrekkingen niet aangemerkt worden als een beslissing inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling met rechtsgevolg als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het COa in het verweerschrift voldoende heeft toegelicht dat het voorschot werd aangeboden om eisers te helpen en dat dit hun voor korte tijd een voordeel opleverde, nu Rva-verstrekkingen normaal gesproken met terugwerkende kracht worden uitgekeerd. Daarbij heeft het COa van belang geacht dat het aan eisers verstrekte voorschot gecompenseerd diende te worden door de inhoudingen op de Rva-verstrekkingen. De rechtbank volgt het COa hierin.
3.2.
Voor zover eisers zijn gekort op hun wekelijkse leefgeld, kan de brief/e-mail van 5 mei 2024 ook niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het COa in het verweerschrift gemotiveerd heeft uiteengezet dat het niet (langer) verstrekken van eetgeld op locaties waar geen kookgelegenheid is, geen inhouding is waartegen in rechte kan worden opgekomen. Daarbij heeft het COa er op gewezen dat onverminderd wordt voldaan aan het bepaalde uit de Opvangrichtlijn, en dat het COa kosten maakt voor het faciliteren van de maaltijden overeenkomstig de kosten voor het verstrekken van leefgeld. De rechtbank volgt het COa hierin. Dat de feitelijke inrichting van de verstrekkingen aan eisers is gewijzigd, levert – zoals het COa terecht in het verweerschrift stelt – geen inhouding of beperking van de Rva-verstrekkingen op. De rechtbank acht hierbij van belang dat de opvanglocatie bij wijze van uitzondering heeft toegestaan dat eisers hun opvangplek feitelijk ongebruikt achterlieten. Dat wil nog niet zeggen dat het COa eisers leefgeld diende uit te keren.
3.3.
Uit 3.1 en 3.2 volgt dat is de rechtbank onbevoegd is om van het door eisers ingestelde beroep kennis te nemen.
Conclusie en gevolgen 4. De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van het beroep tegen de brief/e-mail van 5 mei 2024 over de inhouding van de Rva-verstrekkingen. Dat betekent dat zij niet kan oordelen over dat beroep.
4.1.
Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.
Beslissing De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
Eisers zijn op 20 april 2024 aangekomen in de COL in [plaats 2] en daar hebben zij een financieel voorschot ontvangen van € 119,00. Deze is vanaf 27 mei 2024 tot en met 4 augustus 2024 ingehouden.
Met toepassing van artikel 8:44 van de Awb.
Op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.
Centrale Ontvangstlocatie.