ECLI:NL:RBDHA:2026:7960
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-1446 Zaaknummer: C/09/680897 Datum beschikking: 6 maart 2026 Alimentatie en gezag Beschikking op het op 17 februari 2025 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een voor de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. L.F. Niemantsverdriet-Wensink in Den Haag, gemachtigd door de bewindvoerder van de vrouw, Dorien Wesseling h.o.d.n. De Noodzaak.
Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een voor de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R. van Venetiën in Alphen aan den Rijn.
Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het F9-formulier van 10 maart 2025, met bijlagen, van de vrouw; het F9-formulier van 21 maart 2025, houdende een aanvullend verzoek, met bijlagen; het verweerschrift met een zelfstandig verzoek; het verweerschrift op het zelfstandig verzoek; het F9-formulier van 4 februari 2026, met bijlagen, van de man; het F9-formulier van 5 februari 2026, met bijlagen, van de man; het F9-formulier van 5 februari 2026, met bijlagen, van de vrouw; het F9-formulier van 12 februari 2026, met bijlagen, van de vrouw; het F9-formulier van 13 februari 2026, met bijlagen, van de man; het F9-formulier van 16 februari 2026, met bijlagen, van de vrouw.
De minderjarige [de minderjarige] is uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter op 12 februari 2026. Zij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Op 16 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de man, bijgestaan door zijn advocaat; [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2006 tot [datum 2] 2018.
Zij zijn de ouders van: de jong-meerderjarige [de jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2007 in [geboorteplaats 1] (hierna: [de jong-meerderjarige] ); de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats 2] (hierna: [de minderjarige] ).
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
Bij beschikking van deze rechtbank van 11 april 2018 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is het door hen ondertekende ouderschapsplan opgenomen. Hierin is – voor zover hier van belang – vastgelegd dat: de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw; er een zorgregeling geldt tussen de kinderen en de man; de man aan de vrouw € 17,- per kind per maand aan kinderalimentatie betaalt.
Bij beschikking van deze rechtbank van 28 juli 2021 is – voor zover hier van belang – bepaald dat er een zorgregeling zal gelden tussen de vrouw en de kinderen, inhoudende dat de kinderen een weekend per veertien dagen van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur bij de vrouw zijn, alsmede een middag per twee weken van 16.00 uur tot 19.00 uur.
Bij beschikking van deze rechtbank van 10 januari 2025 is – voor zover hier van belang – : bepaald dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw; aan de vrouw toestemming verleend, welke toestemming die van de man vervangt, om met de kinderen voor 1 september 2025 twee weken naar de Filipijnen te reizen.
Verzoek en verweer De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat: de man aan de vrouw met ingang van 10 januari 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal dienen te betalen € 177,- per maand, dan wel een zodanig bedrag met een zodanige ingangsdatum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren; de man aan de vrouw met ingang van 10 januari 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jong-meerderjarige] zal dienen te betalen € 49,- per maand, danwel een zodanig bedrag met een zodanige ingangsdatum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren; voortaan aan de vrouw het eenhoofdig gezag toekomt over [de minderjarige] , waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft bij F9-formulier van 16 februari 2026 een machtiging overgelegd waaruit volgt dat de jong-meerderjarige [de jong-meerderjarige] haar heeft gemachtigd hem in rechte te vertegenwoordigen ten aanzien van het alimentatieverzoek.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hierbij verzoekt hij zelfstandig: de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans die verzoeken af te wijzen; de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage ten behoeve van [de jong-meerderjarige] vast te stellen op € 217,- per maand, althans op een geldsom door de rechtbank in goede justitie te bepalen, met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift, althans met ingang van een datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad.
Beoordeling Kinderalimentatie Op de zitting heeft de man zijn verzoek ten aanzien van de vaststelling van de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage ten behoeve van [de jong-meerderjarige] , ingetrokken. De rechtbank zal hierover daarom geen beslissing meer nemen.
Aan de orde zijn thans nog de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de vaststelling van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige] .
Ontvankelijkheid Naar de rechtbank begrijpt, beroept de vrouw zich op het eerste lid van artikel 1:401 BW.
Ingevolge artikel 1:401 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Niet in geschil tussen partijen is dat sprake is van een wijzigingsgrond. De rechtbank zal de vrouw ontvangen in haar verzoeken en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de rechterlijke uitspraak.
Inhoudelijke beoordeling Draagkracht man De rechtbank ziet aanleiding om eerst de draagkracht van de man te bespreken.
Op grond van de overgelegde financiële stukken, waaronder de omvangrijke schuldenlast, aflossingen daarop en de uitfasering van zijn bedrijf, stelt de rechtbank vast dat de man geen draagkracht heeft om kinderalimentatie aan de vrouw te voldoen, ook niet de minimale bijdrage van € 25,- per kind per maand.
Ingangsdatum De vrouw verzoekt de ingangsdatum op 10 januari 2025 te bepalen. De rechtbank acht het redelijk om 10 januari 2025 als ingangsdatum voor de wijziging van de kinderalimentatie te bepalen, nu [de minderjarige] vanaf die datum haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft.
Conclusie Conform het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige] met ingang van 10 januari 2025 op nihil wordt gesteld. Dit betekent dat de man met ingang van deze datum geen bijdrage meer is verschuldigd aan de vrouw.
Gezag Op grond van artikel 1:253n tweede lid BW in samenhang met artikel 1:251a eerste en derde lid BW kan het gezamenlijk gezag worden beëindigd indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van een eerdere beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Gelet op de overeenkomstige toepassing van artikel 1:251a eerste en derde lid BW dient in dat geval beoordeeld te worden of a) er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b) een wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat de ouders na het uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Beëindiging van het gezag van een ouder over diens kind is een vergaande maatregel.
Er is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waarin [de minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders of waarin wijziging van het gezag anderszins in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is. Hoewel de communicatie tussen de ouders niet goed is, lijkt [de minderjarige] hieraan gewend te zijn en heeft zij hierin haar weg kunnen vinden. Er hebben zich recentelijk geen problemen voorgedaan met betrekking tot de uitvoering van het gezamenlijk gezag. Op de zitting heeft de man verklaard dat hij in principe altijd toestemming zal geven aan de vrouw voor een vakantie met [de minderjarige] , mits de bestemming een groen gebied betreft.
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om haar met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten, afwijzen.
Beslissing De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 11 april 2018 – : * bepaalt de door de man met ingang van 10 januari 2025 te betalen alimentatie ten behoeve van de jong-meerderjarige [de jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2007 in [geboorteplaats 1] , en van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats 2] , op nihil; * verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; * wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 6 maart 2026.