uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.63497 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. P.J. van den Hoogen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker). Procesverloop Bij besluit van 25 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Het gebruik van handboeien in het voortraject 1. Eiser betoogt dat uit het proces-verbaal van eisers aanhouding op 20 december 2025 blijkt dat gebruik is gemaakt van handboeien, maar dat de rechtvaardiging van een dergelijk dwangmiddel niet voldoende gemotiveerd is. 2. De rechtbank stelt vast dat de ophouding van eiser van 20 december 2025 het voortraject vormt van de bewaringsmaatregel van 21 december 2025. Deze bewaringsmaatregel is reeds beoordeeld in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 januari 2026 (zaaknummer NL25.62554). Het voortraject valt daarom buiten de reikwijdte van het onderhavige beroep. De tijdige omzetting van de maatregel 3. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat niet controleerbaar is of de bewaringsmaatregel van 21 december 2025 tijdig is omgezet naar de huidige maatregel van bewaring, omdat het tijdstip van de intrekking van eisers asielaanvraag niet is weergegeven. 4. Met betrekking tot de tijdige omzetting van de maatregel is de rechtbank van oordeel dat verweerder beschikt over een termijn van twee dagen om bij een wijziging van de grondslag een bewaringsmaatregel om te zetten, en niet over een termijn van 48 uur. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1869). De rechtbank stelt vast dat eiser zijn asielaanvraag op 23 december 2025 heeft ingetrokken en dat de onderhavige maatregel van bewaring op 25 december 2025 is opgelegd. Daarmee heeft verweerder de grondslag van de maatregel tijdig omgezet. De beroepsgronden ten aanzien van voortraject slagen, gelet op het voorgaande, niet. Bewaringsgronden 5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid. 6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Zicht op uitzetting 7. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is, nu de Algerijnse autoriteiten niet hebben gereageerd op de voor eiser ingediende laissez-passer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.