ECLI:NL:RBDHA:2026:8665
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummers: FA RK 24-8964 (echtscheiding) en FA RK 25-4689 (verdeling) Zaaknummers: C/09/677282 (echtscheiding) en C/09/687341 (verdeling) Datum beschikking: 11 maart 2026 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 16 december 2024 ingekomen verzoek van: [de vrouw], de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. S. Șeker te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man], de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. J.S. Özsaran te Groningen.
Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 11 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
Verzoek en verweer De vrouw heeft verzocht om de echtscheiding uit te spreken met de volgende nevenvoorzieningen:
De man heeft zich gerefereerd aan het verzoek van de vrouw ten aanzien van de echtscheiding. De man heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken met de volgende nevenvoorzieningen:
De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de door de man subsidiair verzochte zorgregeling, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De vrouw heeft met de overige zelfstandige verzoeken van de man ingestemd.
Bij F9-formulier van 6 februari 2026 heeft de man zijn verzoek ten aanzien van de zorgregeling gewijzigd en heeft verzocht:
Bij F9-formulier van 6 februari 2026 heeft de man ten aanzien van de verdeling aanvullend verzocht:
Bij F9-formulier van 6 februari 2026 heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van de zorgregeling gewijzigd en heeft de volgende zorgregeling verzocht:
Beoordeling Echtscheiding Ontvankelijkheid Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit erkend en heeft eveneens verzocht om de echtscheiding uit te spreken, zodat de verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats De vrouw heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen. De man heeft zich hier niet tegen verzet. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepalen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken Juridisch kader Op grond van sub a van het tweede lid van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Overwegingen rechtbank De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben gedurende de procedure overeenstemming bereikt over de reguliere zorgregeling en de vakantieregeling. Zij zijn overeengekomen dat de kinderen in de oneven weken van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur bij de man verblijven, waarbij de overdracht van de kinderen plaatsvindt op [station]. Ook hebben de ouders afgesproken dat de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld. Op de zitting heeft de vrouw ermee ingestemd dat de kinderen tijdens het Suikerfeest bij de man zullen verblijven, zoals door de man is verzocht. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.
De rechtbank zal hierna een beslissing nemen over het resterende geschilpunt.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat partijen zijn gehouden een veiligheidsplan op te stellen en dit gedurende een periode van zes maanden periodiek te evalueren. Daarbij heeft de vrouw verzocht te bepalen dat zodra een instantie hierbij betrokken raakt, partijen verplicht zijn volledig mee te werken met deze instantie, het veiligheidsplan gezamenlijk te evalueren en, indien noodzakelijk, in overleg met de instantie aan te passen. De vrouw heeft aangegeven dat de ouders een voorlopig veiligheidsplan hebben opgesteld en dat het in het belang van de kinderen is dat het veiligheidsplan van toepassing blijft.
De man heeft zich verzet tegen het verzoek van de vrouw. Hij heeft aangegeven het goed te vinden dat er een veiligheidsplan geldt, maar dat het veiligheidsplan niet als voorwaarde voor omgang met de kinderen moet worden gesteld. Bovendien is het veiligheidsplan eenzijdig door de vrouw opgesteld.
De rechtbank overweegt dat sprake is van een turbulente voorgeschiedenis. In mei 2025 heeft er een incident plaatsgevonden bij de man thuis, waarbij er voor de kinderen een onveilige situatie is ontstaan. De man was agressief en in de war en zijn woning was zwaar vervuild. De politie is betrokken geraakt en de kinderen, die in de woning van de man aanwezig waren zijn overgedragen aan de vrouw. Na dit incident heeft de vrouw de zorgregeling stopgezet en is Veilig Thuis betrokken geraakt. De man heeft erkend dat hij in deze periode overbelast is geweest. Daarbij had de man voor zijn medicatie voor ADHD en Asperger een te hoge dosering. Inmiddels gebruikt de man geen medicatie meer. Nu de vrouw de zorgregeling niet wilde hervatten, heeft de man een kort geding procedure aanhangig gemaakt.
Na dit kort geding hebben de ouders in onderling overleg een veiligheidsplan opgesteld. Het ligt op de weg van de ouders om gezamenlijk het veiligheidsplan actueel te houden en indien nodig aan te passen, eventueel in overleg met de betrokken hulpverlening. Uit de afsluitbrief van 9 februari 2026 van Veilig Thuis blijkt echter dat Veilig Thuis niet kan vaststellen dat sprake is van directe onveiligheid van de kinderen bij hun vader. Veilig Thuis heeft toegelicht dat de man in nauw contact staat met zijn hulpverleners en de hulpverleners geen zorgen hebben over de beschikbaarheid van de man ten aanzien van de kinderen. Veilig Thuis heeft wel zorgen over de spanningen tussen de ouders die de kinderen meekrijgen en de zorgelijke uitspraken van [minderjarige 2] over het gedrag van haar vader.
Ook heeft Veilig Thuis aangegeven dat sprake is van een gebrek aan adequate communicatie tussen de ouders en onduidelijkheid over de omgang tussen de man en de kinderen. Verder acht Veilig Thuis het nodig dat de ouders en de kinderen hulpverlening krijgen die gericht is op de scheidingsproblematiek.
Het is in het belang van de kinderen dat de ouders gaan werken aan hun scheidingsproblematiek en communicatie, zoals geadviseerd door Veilig Thuis. In dit kader merkt de rechtbank op dat de ouders op de zitting hebben aangegeven ervoor open te staan om hun onderlinge communicatie te verbeteren met behulp van [instantie 2], die al betrokken is bij de vrouw en de kinderen. Gelet op het incident dat zich in mei 2025 heeft voorgedaan bij de man thuis, hoewel dit een eenmalig incident betrof, begrijpt de rechtbank dat de vrouw zorgen heeft over het contact tussen de man en de kinderen en daarom een veiligheidsplan belangrijk vindt. De rechtbank ziet echter, gelet op de stukken en dat wat op de zitting is besproken, geen aanleiding om het veiligheidsplan als voorwaarde in de zorgregeling dan wel op enige andere wijze in de zorgregeling op te nemen. De rechtbank zal de verzoeken van de vrouw met betrekking tot het veiligheidsplan dan ook afwijzen.
De rechtbank zal de reguliere zorgregeling en regeling ten aanzien van de vakanties en feestdagen vaststellen als na te melden. Het meer of anders verzochte te dien aanzien zal worden afgewezen.
Kinderalimentatie De vrouw heeft verzocht om een kinderalimentatie van € 25,- per maand voor beide kinderen samen vast te stellen. De man heeft hiermee ingestemd. De rechtbank zal aldus beslissen. Nu er in de voorlopige voorzieningenprocedure een voorlopige bijdrage is bepaald, zal de rechtbank de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking.
Huurrecht echtelijke woning De man heeft verzocht om toedeling van het huurrecht van de echtelijke woning aan de man. De vrouw heeft hiermee ingestemd. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap Wettelijke beperkte gemeenschap van goederen Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Zij zijn op of na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond.
De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 16 december 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. De rechtbank zal, zoals te doen gebruikelijk bij bankrekeningen en nu partijen niet anders zijn overeengekomen, als peildatum hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 16 december 2024.
Omvang Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht: eenmanszaak [bedrijfsnaam 1]; eenmanszaak [bedrijfsnaam 2]; bankrekeningen van partijen;
Ad a. eenmanszaak van de man Partijen zijn het erover eens dat de eenmanszaak van de man met activa en passiva aan de man wordt toebedeeld zonder nadere verrekening, waarbij de man de vrouw vrijwaart van de schulden van de eenmanszaak. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad b. eenmanszaak van de vrouw Partijen zijn het erover eens dat de eenmanszaak van de vrouw met activa en passiva aan de vrouw wordt toebedeeld zonder nadere verrekening, waarbij de vrouw de man vrijwaart van de schulden van de eenmanszaak. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad c. de bankrekeningen Op de zitting hebben partijen aangegeven dat er geen [rekeningnummer 3] is die in de gemeenschap valt. De rechtbank hoeft daarover niet meer te beslissen. Partijen zijn het er voor de overige bankrekeningen over eens dat de bankrekeningen worden toegedeeld aan de partij op wiens naam de rekening staat, zonder verrekening van de saldi. De rechtbank zal aldus beslissen.
Ad d. de inboedel De vrouw heeft aangegeven dat de inboedel aan de man kan worden toebedeeld zonder nadere verrekening. De man heeft aangegeven dat de inboedel feitelijk al verdeeld is. Gelet hierop en voor zover de inboedel nog niet is verdeeld, zal de rechtbank bepalen dat de inboedel aan de man wordt toebedeeld zonder nadere verrekening.
Ad e. de auto en de scooter Partijen zijn het op de zitting erover eens geworden dat de auto aan de vrouw wordt toebedeeld en de scooter aan de man wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad f. de schulden De vrouw heeft aangegeven dat partijen een bedrag van € 2.443,- aan de Belastingdienst moeten terugbetalen in verband met kindgebonden budget over 2022 en kinderopvangtoeslag over 2022 en 2024 (de rechtbank begrijpt: 2023). De vrouw heeft gesteld dat ieder van partijen een bedrag van € 1.221,50 moet betalen.
De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de schuld bij de Belastingdienst als eigen schuld voor haar rekening zal nemen en de man hiervan zal vrijwaren, waarbij de man een bedrag van € 1.223,50 (de rechtbank begrijpt: € 1.221,50) aan de vrouw zal voldoen. Bovendien heeft de man aangevoerd dat partijen een schuld van € 10.804,14 aan het UWV hebben in verband met te veel ontvangen uitkering over het jaar 2022. De man heeft verzocht te bepalen dat hij de schuld aan het UWV als eigen schuld voor zijn rekening zal nemen en de vrouw hiervan zal vrijwaren, waarbij de vrouw een bedrag ad € 5.402,07 aan de man zal voldoen.
Ten aanzien van de schulden bij de Belastingdienst overweegt de rechtbank als volgt. Gebleken is dat de vrouw de schuld ten aanzien van het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag over 2022 heeft betaald. Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij voor een bedrag ter hoogte van de helft van deze schuld geen verhaal zal zoeken op de man. Ook heeft de vrouw toegezegd dat zij mogelijke schulden met betrekking tot het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag over de jaren 2023 en 2024 voor haar rekening zal nemen. Dit leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw dit zal nakomen. Gelet hierop zal de rechtbank de verzoeken over en weer ten aanzien van de schulden bij de Belastingdienst afwijzen.
Met betrekking tot de schuld aan het UWV overweegt de rechtbank als volgt. Schulden komen niet voor verdeling in aanmerking, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Gelet op artikel 1:100, tweede lid, BW geldt in de onderlinge verhouding tussen partijen dat, voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze schulden door beide partijen voor een gelijk deel worden gedragen. Dit kan anders zijn als dat schriftelijk is overeengekomen of als uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor deze schuld en dat ieder voor de helft daarvan draagplichtig is, op grond van artikel 1:100 BW.
Proceskosten Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing De rechtbank: spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2021 te [plaats 1]; bepaalt dat de minderjarigen:
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 11 maart 2026.