Parketnummer : 11.006041/99 datum uitspraak : 29 mei 2001. Strafvonnis van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht. 1. Onderzoek van de zaak. In de zaak van de officier van justitie bij het Landelijk Parket te Rotterdam tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Koeweit) op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats], [straat], heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht het navolgende vonnis gewezen. De rechtbank heeft de processtukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting van 15 mei 2001 op de grondslag van de tenlastelegging. Zij heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de verdediging, naar voren gebracht door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. G.E.M. van der Gun, advocaat te Dordrecht. 2. De tenlastelegging. Aan verdachte is ten laste gelegd, hetgeen vermeld staat in de dagvaarding, waarvan een kopie in dit vonnis is gevoegd. 3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie. Primair heeft de raadsvrouw betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Zij heeft daartoe onder meer -zakelijk weergegeven - aangevoerd dat in het voortraject van het onderzoek in de onderhavige strafzaak omstreeks 15 december 1998 een pseudo-koop heeft plaatsgevonden zonder dat deze is verantwoord in de stukken. Voorts zijn in het betrekkelijke dossier niet alle contacten tussen de Belgische politie-infiltrant en de in de stukken genoemde [betrokkene] verantwoord, zodat de vraag rijst of de Belgische autoriteiten voldoende controle hebben gehad op de infiltrant. Deze omstandigheden tasten de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek aan. De raadsvrouw stelt dat op basis van de thans beschikbare gegevens het er voor moet worden gehouden dat de infiltrant buiten zijn boekje is gegaan. Nu een dergelijk handelen de geloofwaardigheid van de opsporingsinstantie schaadt evenals het vertrouwen van de burger in de overheid dient dat te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Zij stelt dat dit niet anders is wanneer de officier van justitie een besmet buitenlands onderzoek overneemt. Met betrekking tot het betoog van de raadsvrouw overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is -voor zover van belang- onder meer -zakelijk weergegeven- het volgende gebleken: Door de Procureur des Konings van het parket te Mechelen in België werd op 28 december 1998 een verzoek tot grensoverschrijdende rechtshulp gedaan aan de landelijk officier van justitie verbonden aan het Landelijk Parket te Rotterdam. Het betrof een verzoek tot bijstandsverlening in het kader van een onderzoek in België, betrekking hebbende op het op georganiseerde wijze en stelselmatig op illegale wijze heropladen van gebruikte telefoonkaarten. Het opwaarderen van de telefoonkaarten zou ergens in Nederland plaatsvinden. Binnen het Belgische onderzoek was reeds door een undercoveragent contact gelegd met een persoon, genaamd [naam betrokkene]. In het verzoek werd vermeld dat de Nationale Magistraat voor België kennis had van het onderzoek en de opzet van deze rechtshulp. Door de landelijk officier van justitie verbonden aan het Landelijk Parket te Rotterdam werd op 13 januari 1999 goedkeuring verleend aan het rechtshulpverzoek. Voor de uitvoering van een aanvullend rechtshulpverzoek werd eveneens toestemming verleend, op 18 februari 1999. Op 5 maart 1999 leidde een overleg tussen de Procureur des Konings en de landelijk officier van justitie tot de volgende besluitvorming: Het onderzoek werd opgedragen aan een opsporingsinstantie in Nederland; In het kader van de uitvoering van dat onderzoek werden bijzondere opsporingsmethoden toegestaan, in casu de inzet van een Belgische politie-infiltrant. Op 17 maart 1999 verzocht de landelijk officier van justitie aan de Procureur des Konings te Mechelen om de resultaten van het Belgisch onderzoek ter beschikking te stellen en bekend te maken of er in het Belgisch onderzoek gebruik was gemaakt van bijzondere opsporingsmethoden en of de toegepaste methoden in overeenstemming waren met de Belgische wetgeving, proportionaliteit, subsidiariteit en zorgvuldigheid. Bij schrijven van 2 april 1999 verleende de Procureur des Konings toestemming voor politieel gebruik van de gevraagde inlichtingen en gaf zij aan van oordeel te zijn dat de reeds aangewende methodes in overeenstemming waren met de Belgische regelgeving, proportionaliteit, subsidiariteit en zorgvuldigheid. De vermeende onrechtmatigheden in het opsporingsonderzoek, zoals gesteld door de raadsvrouw, hebben plaatsgevonden in het Belgisch onderzoek. Met verwijzing naar het schrijven van de Procureur des Konings van 2 april 1999 is de rechtbank van oordeel dat uitgangspunt van internationaal recht dient te zijn dat er -binnen een verdragsrelatie zoals in casu met België- vanuit mag worden gegaan dat de buitenlandse autoriteiten rechtmatig hebben gehandeld en dat wat zij daaromtrent te berde brengen juist is, tenzij krachtige aanwijzingen bestaan om het tegendeel te vermoeden. Dit laatste is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden, zodat zij de rechtmatigheid van het Belgische onderzoek aanneemt. Dit geldt dan evenzeer voor de resultaten uit dat onderzoek die ten behoeve van het daaropvolgend Nederlandse onderzoek ter beschikking zijn gesteld. Het mogelijke gebrek aan controle en in het bijzonder het niet schriftelijk verantwoorden van onderzoekshandelingen, zoals door de raadsvrouw gesteld, brengt niet met zich mee dat de officier van justitie alleen op grond daarvan niet-ontvankelijk is. Dat zou anders kunnen zijn indien de rechtbank door het ontbreken van verslaglegging bewust zou zijn misleid of als het gebrek aan controle een bepalende betekenis heeft voor de onderhavige strafzaak. Van misleiding is de rechtbank in het geheel niet gebleken en voorts is de rechtbank van oordeel dat een mogelijk gebrek aan controle niet van zodanige aard is dat daardoor de belangen van de verdachte ten aanzien van zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak op grove wijze zijn veronachtzaamd, een en ander in samenhang met hetgeen concreet aan verdachte wordt verweten en hetgeen verdachte zelf heeft verklaard. Voorts overweegt de rechtbank dat als geldend recht geldt dat een infiltrant door zijn optreden een persoon niet mag brengen tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet tevoren reeds was gericht. In casu is daarvan niet gebleken. De broer van verdachte, medeverdachte in deze zaak, heeft tegenover de politie onder meer verklaard dat hij, nadat hij al geruime tijd beurzen bezocht om telefoonkaarten te verzamelen, eind 1998 een apparaat heeft aangeschaft om lege telefoonkaarten op te waarderen. De opgewaardeerde telefoonkaarten verkocht hij vervolgens. Verdachte heeft verklaard dat hij op verzoek van zijn broer twee opwaardeerkastjes heeft gebouwd en zelf ook telefoonkaarten heeft opgewaardeerd. Aangezien de broer van verdachte voorts tegenover de politie heeft verklaard dat hij eerst in een later stadium in contact is gekomen met de Belgische politie-infiltrant kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat de verdachten door de infiltrant zijn "uitgelokt" tot het plegen van de ten laste gelegde strafbare feiten. Voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie is slechts plaats indien er sprake is van een zodanig ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort wordt gedaan. Van zulk een situatie is in casu geen sprake. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer. Ook overigens is niet van feiten of omstandigheden gebleken die tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zouden moeten leiden. De officier van justitie is dus ontvankelijk in de vervolging. 4. Verzoek tot schorsing van het onderzoek. De raadsvrouw heeft, ingeval de rechtbank het gevoerde ontvankelijkheidsverweer zou verwerpen, verzocht het onderzoek in deze zaak te schorsen en de stukken in handen te stellen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken voor het horen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2]. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende. Door de officier van justitie zijn -mede op verzoek van de raadsvrouw- voornoemde getuigen opgeroepen om ter terechtzitting van 15 mei 2001 te verschijnen teneinde getuigenis van de waarheid af te leggen in de onderhavige strafzaak. Beide getuigen zijn ter terechtzitting verschenen en zijn aldaar gehoord, waarbij de raadsvrouw en de officier van justitie in de gelegenheid zijn gesteld de getuigen te ondervragen. Beide getuigen hebben zich vervolgens beroepen op hun verschoningsrecht, als bedoeld in artikel 219 juncto artikel 290 van het Wetboek van Strafvordering. De enkele omstandigheid, dat een getuige ter terechtzitting op een wettige grond weigert een verklaring af te leggen, brengt niet mee dat inbreuk wordt gemaakt op het recht van de verdediging dat haar de gelegenheid wordt geboden om die getuige te ondervragen of te doen ondervragen. Dat de getuige ter gelegenheid van zijn verhoor verklaart eventueel in een later stadium bereid te zijn een verklaring af te leggen doet daar niet aan af en is bovendien een onzekere omstandigheid. De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing van het onderzoek dan ook af. 5.1. Vrijspraak. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte in de dagvaarding onder 3. primair en subsidiair ten laste is gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. 5.2. De bewezenverklaring. Door het onderzoek ter terechtzitting is wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte 1. hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 september 1998 tot en met 8 april 1999 te Dordrecht en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meer betaalpas(sen) en/of waardekaart(en), te weten een of meer telefoonkaart(en), bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, valselijk heeft opgemaakt/doen opmaken of vervalst/doen vervalsen, zulks met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) de gegevens die zich bevinden op (de chip van) die telefoonkaarten, zodanig heeft/hebben gewijzigd, dat de (chip van die) telefoonkaarten, waarvan het beltegoed geheel of gedeeltelijk is was verbruikt,(opnieuw) is/wordt werd opgeladen/opgewaardeerd tot en/of boven de nominale waarde van (het beltegoed
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.