RECHTBANK DORDRECHT Sector Kanton, Locatie Dordrecht Vonnis van de kantonrechter van 8 september 2005 in de zaak van de stichting STICHTING BUREAU JEUGDZORG ZUID-HOLLAND, gevestigd te Voorburg, opposante, gemachtigde: mr. J.A. Visser, tegen 1. A (moeder), wonende te <woonplaats>, gemeente <gemeente>, en 2. B (vader), wonende te <woonplaats>, handelende als wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige C, wonende te <woonplaats>, gemeente <gemeente>, geopposeerden, gemachtigde: mr. C. Wendenburg. Opposante wordt hierna ook aangeduid als “BJZH”, geopposeerden gezamenlijk als “ABC” en de minderjarige als “C”. Het procesverloop 1. De kantonrechter heeft kennis genomen van het vonnis van deze rechtbank, sector civiel recht, van 7 september 2005 en van de daarin genoemde stukken. De vaststaande feiten 2. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, wordt het volgende als tussen partijen vaststaand aangemerkt. 3. C is op 23 maart 1987 geboren uit het huwelijk van de eisers B en A. Bij beschikking van 18 december 2002 heeft de kinderrechter de minderjarige C onder toezicht gesteld voor een termijn van een jaar, met benoeming van Stichting Jeugdbescherming Dordrecht tot gezinsvoogdij-instelling. 4. Bij op 1 mei 2003 ingediend verzoekschrift heeft BJZH de kinderrechter verzocht om machtiging ten aanzien van C tot uithuisplaatsing in een gesloten inrichting voor opvoeding en/of behandeling. Bij beschikking van 4 juni 2003 heeft de kinderrechter die machtiging verleend met ingang van 4 juni 2003. 5. Bij vonnis van de kinderrechter van 13 mei 2003 is C veroordeeld tot voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde dat hij “zich gedurende de proeftijd [moet] gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens [BJZH] [..] en met bepaling dat veroordeelde zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van de gezinsvoogdij, ook indien zulks inhoudt dat veroordeelde moet verblijven in Den Engh of een soortgelijke instelling (civielrechtelijke plaatsing)”. 6. Bij brief van 2 september 2003 heeft Rijksinrichtingen voor Jongens “Den Engh” (hierna: “Den Engh”) aan Jeugdbescherming Zuid-Holland-Zuid medegedeeld dat C op 7 oktober 2003 kan worden opgenomen in een gesloten inrichting van Den Engh. 7. C wilde niet uit huis geplaatst worden, evenmin opgenomen worden in een gesloten inrichting van Den Engh. Kort voor of op 7 oktober 2003 heeft de gezinsvoogd X van BJZH de politie verzocht om assistentie voor de feitelijke uithuisplaatsing van C en opneming van hem in een gesloten inrichting van Den Engh op die datum. De politie verzocht BJZH om de betreffende machtiging toe te zenden, waarop BJZH de genoemde beschikking van 4 juni 2003 aan de politie per fax heeft toegezonden. Uithuisplaatsing en opneming van C in een gesloten inrichting van Den Engh heeft op 7 oktober 2003 daadwerkelijk plaatsgevonden. 8. Bij verzoekschrift van 30 oktober 2003 heeft BJZH een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling tevens verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en opneming in een gesloten inrichting ten aanzien van C ingediend. 9. Bij verzoekschrift van 18 november 2003 heeft BJZH door middel van een spoedprocedure een machtiging tot uithuisplaatsing en opneming in een gesloten inrichting ten aanzien van C verzocht, onder meer omdat “onduidelijkheid en twijfel gerezen [was] over de geldigheid [..] van de tenuitvoerlegging van de machtiging”. Bij beschikking van de kinderrechter van 18 november 2003 is machtiging verleend tot uithuisplaatsing van C in een gesloten inrichting voor opvang en/of behandeling met ingang van die datum voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 23 december 2003. De kinderrechter heeft daarbij onder meer overwogen “Nu de plaatsing [in de gesloten inrichting van Den Engh] meer dan drie maanden plaatsvond na de datum van afgifte van de machtiging tot gesloten uithuisplaatsing en de gezinsvoogdij-instelling verzuimd heeft tijdig een nieuwe machtiging aan te vragen verblijft de minderjarige thans zonder geldige titel in de instelling voor gesloten behandeling”. 10. Op 3 december 2003 heeft de kinderrechter op het onder 8. genoemde verzoekschrift beschikt en de ondertoezichtstelling ten aanzien van C verlengd met behoud van BJZH als gezinsvoogdij-instelling, alsmede machtiging verleend tot uithuisplaatsing in een gesloten inrichting van C, beide voor de duur van 1 jaar te rekenen vanaf 23 december 2003. 11. Bij brief van 18 december 2003 heeft mr. Mook namens C aan BJZH medegedeeld dat C van 7 oktober 2003 tot 18 november 2003 zonder dat daar een rechterlijke machtiging aan ten grondslag lag, derhalve onrechtmatig van zijn vrijheid is beroofd en BJZH aansprakelijk gesteld voor de door C geleden schade. BJZH heeft deze aanspraak van de hand gewezen. 12. Krachtens juridische fusie zijn voornoemde Stichting Jeugdbescherming Dordrecht en Jeugdbescherming Zuid-Holland-Zuid opgegaan in BJZH. De vordering 13. De vorderingen van ABC worden als volgt gelezen. ABC vorderen dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht zal verklaren dat BJZH onrechtmatig heeft gehandeld door C zonder geldige titel van zijn vrijheid te beroven dan wel in zijn vrijheid te beperken door hem op 7 oktober 2003 in de gesloten inrichting van Den Engh te plaatsen; I. BJZH zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan ABC te betalen een bedrag van € 95,- voor iedere dag dat C onrechtmatig van zijn vrijheid was beroofd in de periode van 7 oktober 2003 tot 18 november 2003, althans voor een zodanige periode als de kantonrechter vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van voldoening; III. de kosten van de procedure te compenseren zodat iedere partij de eigen kosten draagt. ABC verwijzen daartoe naar de onder 3., 4., 7., 9., 11. en 12. genoemde vaststaande feiten en stellen voorts het volgende, zakelijk weergegeven en voor zover in dezen van belang. 14. Een strafrechterlijke titel voor opneming van C in een gesloten inrichting van Den Engh lag niet voor op 7 oktober 2003, omdat de bijzondere voorwaarde van het vonnis van 13 mei 2003 inhield dat plaatsing in Den Engh slechts zou kunnen geschieden op basis van een "(civielrechtelijke plaatsing)”, welke civielrechtelijke plaatsing een geldige machtiging als bedoeld in art. 1:261, lid 3 BW vereist. 15. Het voorschrift van een geldige titel strekt ter bescherming van de jeugdige, in dezen van C. De wettelijke vervaltermijn van de machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten inrichting van het derde lid van artikel 1:262 BW strekt ter voorkoming van misbruik van de machtiging. 16. De geldigheidsduur van de bij beschikking van 4 juni 2003 verleende machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten inrichting voor opvoeding en/of behandeling was op 4 september 2003 verlopen. Door die machtiging op 7 oktober 2003 ten uitvoer te leggen door C te plaatsen in een gesloten inrichting van Den Engh heeft BJZH oneigenlijk gebruik gemaakt van de machtiging en heeft zij een wettelijke norm geschonden. Als gevolg van deze normschending is C het slachtoffer geworden van detentie in strijd met de bepalingen van art. 5 EVRM. 17. ABC verlangen dat hun vorderingen beoordeeld worden op basis van inbreuk op art. 5 EVRM in samenhang met art. 6:162 BW, niet op basis van inbreuk van art. 8 EVRM. 18. De onrechtmatige detentie van C heeft geduurd van 7 oktober 2003 tot 18 november 2003, derhalve 42 dagen. 19. BJZH is aansprakelijk tot vergoeding van de door C door de onrechtmatige vrijheidsbeneming geleden schade. Die schade dient begroot te worden aan de hand van de gebruiken ten aanzien van vrijheidsbeneming in het kader van strafvordering en ten aanzien van gedwongen opname in een psychiatrische inrichting zonder machtiging krachtens de Wet Bopz. Daarom wordt de schade begroot op € 95,- voor elke dag dat C onrechtmatig van zijn vrijheid was beroofd. 20. Naar aanleiding van het verweer van BJZH hebben van de Kerk onder meer het volgende aangevoerd. 21. BJZH had het gebrek aan een geldige titel kunnen verhelpen door na het bericht van Den Engh van 2 september 2003 en tijdig voor 7 oktober 2003 om een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten inrichting te verzoeken. 22. Het capaciteitstekort bij de instellingen van jeugdzorg is van structurele aard en levert daardoor geen onverwachte, bijzondere omstandigheid op waarop BJZH zich te harer verontschuldiging kan beroepen. 23. Van een jeugdige als C hadden geen schadebeperkende maatregelen, zoals het instellen van een kort geding, kunnen worden verwacht. C heeft vanuit Den Engh opgebeld naar zijn advocaat en zich beklaagd over zijn opname aldaar. Vervolgens heeft zijn advocaat aan BJZH medegedeeld dat C zonder geldige titel in Den Engh was opgenomen. Die mededeling heeft geleid tot het onder 9. genoemde spoedverzoek van BJZH van 18 november 2003. Het verweer 24. BJZH voert gemotiveerd verweer, strekkende tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van ABC in de kosten van het geding. 25. BJZH voert daartoe onder meer het volgende -zakelijk weergegeven en voor zover in dezen van belang- aan. 26. Niet BJZH, maar Den Engh is verantwoordelijk voor de uithuisplaatsing in de gesloten inrichting van Den Engh. Daarom zijn ABC niet ontvankelijk in hun tegen BJZH gerichte vorderingen. 27. Krachtens de bijzondere voorwaarde in het vonnis van de kinderrechter van 13 mei 2003 diende C zich te gedragen naar de aanwijzingen van BJZH, ook indien die zouden inhouden dat hij in Den Engh zou moeten verblijven, zodat een geldige titel aan de uithuisplaatsing en opneming in Den Engh ten grondslag lag. 28. BJZH bestrijdt dat zij de machtiging van 4 juni 2003 oneigenlijk heeft gebruikt. Zowel het verzoek om de machtiging, als de machtiging zelf strekten, immers, tot uithuisplaatsing van C en tot opneming van hem in een gesloten inrichting van Den Engh. De machtiging is daartoe ook gebruikt. 29. De machtiging van 4 juni 2003 is ten uitvoer gelegd door het nodige te doen om C geplaatst te krijgen in Den Engh, welke bemoeienissen hebben geleid tot de bevestiging van Den Engh van 2 september 2003 waarin de plaatsing van C per 7 oktober 2003 werd bevestigd. Met die bevestiging was de plaatsingsprocedure perfect geworden. De machtiging van 4 juni 2003 was derhalve ten uitvoer gelegd vóór 4 september 2003. BJZH heeft de machtiging van 4 juni 2003 niet oneigenlijk gebruikt, heeft deze immers gebruikt voor het doel waarvoor ze gegeven was en is daarmee aangevangen binnen de geldigheidstermijn. 30. Sedert april 2003 was het de bedoeling van, met uitzondering van C, alle betrokkenen dat C uit huis geplaatst zou worden en in een gesloten inrichting van Den Engh zou worden opgenomen. Dat blijkt ook uit de overgelegde bescheiden van vóór 4 juni 2003. Toen de kinderrechter op 18 november 2003 over het verzoek om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing en opneming in een gesloten inrichting van C moest oordelen, overwoog ook deze dat het in het belang van C was dat zijn behandeling in de gesloten inrichting zonder onderbreking en zonder mogelijkheid voor C om zich aan de behandeling te onttrekken werd voortgezet. Materieel heeft BJZH derhalve gehandeld conform de machtiging van 4 juni 2003 en is het handelen van BJZH achteraf in de beschikking van 18 november 2002 geaccordeerd. Indien en voor zover per 7 oktober 2003 geen titel tot uithuisplaatsing c.q. plaatsing in een gesloten inrichting gelding had, was dat een louter formeel gebrek, maar geen materieel gebrek. Het enkele ontbreken van een formele titel tot uithuisplaatsing levert nog geen onrechtmatige daad van BJZH op. 31. In Nederland bestaat een gebrek aan gesloten inrichtingen voor opvang en/of behandeling van jeugdigen. De selectie daarvoor wordt niet door BJZH, maar door de inrichting, in dezen Den Engh, en de Staat verricht. Daardoor kostte het enige tijd voordat C in de gesloten inrichting van Den Engh geplaatst kon worden. Dat tijdsverloop valt BJZH niet toe te rekenen. 32. Van door C geleden schade is niets gebleken. De enige optie voor C was plaatsing in Den Engh en die plaatsing heeft BJZH bewerkstelligd. 33. C heeft geen schadebeperkende maatregelen getroffen, bijvoorbeeld door eerder het oordeel van een rechter uit te lokken over zijn opneming in een gesloten inrichting. C beschikte over een advocaat. Uit de dagvaarding van 5 juli 2004, leidende tot het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 19 januari 2005 met kenmerk 55187 / HA ZA 04-2498, blijkt dat C ook zonder de bijstand van zijn ouders tot het instellen van een procedure in staat was. De advocaat van C heeft pas naar aanleiding van het onder 8. genoemde verzoekschrift van 30 oktober 2003 opgemerkt dat C niet op basis van een geldige titel in een gesloten inrichting was opgenomen. De beoordeling 34. Nu het tegendeel gesteld, noch gebleken is wordt BJZH geacht tijdig het rechtsmiddel van verzet te hebben ingesteld. 35. ABC gronden hun vorderingen op de stellingen dat C, doordat hij door BJZH op 7 oktober 2003 uit huis en in een gesloten inrichting van Den Engh is geplaatst, is gedetineerd c.q. dat hem zijn persoonlijke vrijheid is ontnomen zoals bedoeld in art. 5, lid 1 onder d EVRM zonder dat BJZH daarbij heeft gehandeld overeenkomstig de wettelijk voorgeschreven procedure, dat daardoor sprake is van detentie in strijd met de bepalingen van art. 5 EVRM en dat zodanig handelen een onrechtmatige daad oplevert. 36. BJZH voert aan dat niet zij, maar Den Engh verantwoordelijk was voor de uithuisplaatsing in een gesloten inrichting van Den Engh. Daarin wordt BJZH niet gevolgd. Immers, uit de vaststaande feiten blijkt (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.