ECLI:NL:RBDOR:2005:AU6780
Kenmerken: 53035 / HA ZA 04-2145 Datum: 16 november 2005 RECHTBANK DORDRECHT sector civiel recht Vonnis van de enkelvoudige kamer in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SCHEEPVAARTONDERNEMING [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres, procureur: mr. J.A. Visser, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VOPAK BARGING DORDRECHT B.V., gevestigd te Dordrecht, gedaagde, procureur: mr. J.H. Silfhout.
Partijen worden hieronder ook genoemd "[eiseres]" en "Vopak".
De procedure 1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken: (a) dagvaarding van 9 februari 2004; (b) akte houdende overlegging van 2 producties; (c) conclusie van antwoord met 8 producties; (d) vonnis van 8 september 2004; (e) proces-verbaal van comparitie van partijen van 29 november 2004; (f) conclusie van repliek met 7 producties; (g) conclusie van dupliek met 1 productie; (h) akte zijdens [eiseres] van 4 mei 2005, met 2 producties; (i) akte zijdens Vopak van 1 juni 2005.
De vaststaande feiten 2. De navolgende feiten, zakelijk en verkort weergegeven, worden als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, danwel niet of niet voldoende betwist, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, als vaststaand aangemerkt.
De Overeenkomst bevat onder meer de volgende bepalingen: "4. VERZEKERING 4.1 [eiseres] zal de volgende verzekeringsovereenkomsten [..] afsluiten en gedurende de looptijd van deze overeenkomst in stand houden:
4.2 De betreffende verzekeringen zullen gelden ter dekking van de belangen van [eiseres] alsmede die van [naam rechtsvoorgangster] [..].
4.3 Alle reparaties en/of schades die niet door de verzekering worden gedekt zullen door [eiseres] op eigen kosten worden uitgevoerd respectievelijk vergoed."
De vorderingen 9. [eiseres] vordert -zakelijk samengevat- dat de rechtbank Vopak bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen het bedrag van € 103.235,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 maart 2001, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede het bedrag van € 2.450,-, met veroordeling van Vopak in de kosten van de procedure.
Het verweer 18. De conclusie van Vopak strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Vopak voert daartoe -zakelijk weergegeven en voor zover in dezen van belang- het volgende.
De beoordeling 24.1 [eiseres] grondt haar vordering op de stelling dat zij 2 overeenkomsten van reisbevrachting met Vopak heeft gesloten, zulks in het kader van de Overeenkomst.
24.2 Vopak betwist de beide overeenkomsten en voert aan dat niet zij, maar VBE de overeenkomsten met [eiseres] heeft gesloten, omdat ze gesloten zijn door [betrokkene], die in januari 2001 bij VBE in dienst was.
24.3 Nu [betrokkene] ten tijde van het tot stand komen van de beide overeenkomsten in het handelsregister stond ingeschreven als beperkt gevolmachtigde van Vopak en nu gesteld, noch gebleken is dat [betrokkene] bij het sluiten van de overeenkomsten zijn betreffende bevoegdheden te buiten is gegaan, terwijl evenmin gesteld of gebleken is dat [betrokkene] toentertijd bevoegd was om VBE te vertegenwoordigen, wordt [betrokkene] geacht bevoegd te zijn geweest om de onderhavige overeenkomsten namens Vopak te sluiten. Derhalve is Vopak aan de beide door [betrokkene] gesloten overeenkomsten gebonden.
24.4 Vopak betwist niet dat de beide overeenkomsten dienen te worden aangemerkt als overeenkomsten van reisbevrachting per binnenschip, waarbij [eiseres] als vervrachter c.q. vervoerder is opgetreden. Met het oordeel dat Vopak aan de door [betrokkene] gesloten overeenkomsten is gebonden, staat dan ook vast dat Vopak onder die overeenkomsten als bevrachter c.q. als afzender dient te worden aangemerkt.
24.5 Nu Vopak de rechtsopvolgster is van [naam rechtsvoorgangster] en in artikel 2 van de Overeenkomst is voorzien dat tussen partijen overeenkomsten van reisbevrachting zullen worden gesloten, worden de beide overeenkomsten van reisbevrachting aangemerkt als in het raamwerk van de Overeenkomst te zijn gesloten.
25.1 Gesteld, noch gebleken is dat het onderwerp van het geven van inlichtingen over de te vervoeren zaken in de Overeenkomst is geregeld. Derhalve geldt terzake het gewone recht.
25.2 Op grond van het in dezen toepasselijke art. 8:910 BW was Vopak als afzender c.q. bevrachter gehouden [eiseres] al die opgaven te doen waartoe zij in staat was of behoorde te zijn en waarvan zij behoorde te weten dat zij voor [eiseres] als vervoerder van belang waren, behoudens voor zover Vopak mocht aannemen dat [eiseres] deze gegevens kende. Op grond van het toepasselijke art. 8:913 BW is Vopak als afzender in beginsel aansprakelijk voor de schade die de ten vervoer meegegeven Lading(en) aan de vervoerder [eiseres] berokkenden, behoudens voor zover Vopak daarvan geen enkel verwijt treft c.q. overmacht.
25.3 Kennelijk bevatten de Ladingen, althans een ervan, een zuur dat agressief op de coating van de ladingtanks van de " DORDRECHT 36" heeft ingewerkt. Derhalve was kennis van de (mogelijke) aanwezigheid van dat zuur in de Lading(en) voor [eiseres] als vervoerder van belang.
25.4 Vopak stelt niet dat [eiseres] wist welke eigenschappen de Lading(en) had(den) c.q. dat [eiseres] wist dat de Lading(en) zodanig zuur kon(den) bevatten, evenmin dat zij dat aan [eiseres] heeft medegedeeld. Gesteld, noch gebleken is dat uit de door [eiseres] erkende mededeling van Vopak dat de Ladingen bestonden uit stoffen met ADNR kenmerk 11.14, klasse 3, cijfer 3B, derhalve giftige, maar niet bijtende en Ph neutrale stoffen, duidelijk moest zijn dat de Lading(en) zodanig zuur kon(den) bevatten.
Derhalve dient de vraag beantwoord te worden of Vopak mocht aannemen dat [eiseres] wist dat de Lading(en) zuur kon(den) bevatten dat agressief is voor de coating van de ladingtanks van de "DORDRECHT 36".
Blijkens de Pruefliste was het aan [eiseres] weliswaar bekend dat de te vervoeren Lading(en) "Crude Benzol" gevaarlijke stoffen in de zin van de ADNR waren, maar daarmee is nog niet gezegd dat [eiseres] ermee op de hoogte was welke werking die stoffen op de coating van de ladingtanks konden hebben. Die wetenschap blijkt evenmin uit de Opdrachtformulieren schip/wal, waarin over "Rohbenzol", respectievelijk " Benzeen" wordt gerept.
De enkele omstandigheid dat in van de verffabrikant afkomstige "Reference notes tot the Cargo Resistance List for Sigma Tank Coatings" voor de aanwezigheid van zuren in "crude oils/derivative products" wordt gewaarschuwd brengt niet met zich dat een vervoerder bij wie de betreffende coating op de ladingtanks is aangebracht bekend mag worden verondersteld met de eigenschappen van elke ten vervoer aangeboden "crude"- of " roh"-producten.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat Vopak mocht aannemen dat [eiseres] wist dat de Lading(en) zuur kon(den) bevatten dat agressief is voor de coating van de ladingtanks van de "DORDRECHT 36".
25.5 De omstandigheid dat Vopak [eiseres] kennelijk niet volledig heeft ingelicht omtrent de eigenschappen van de te vervoeren Lading(en) brengt met zich dat Vopak enig verwijt treft ten aanzien van het ontstaan van de schade aan de ladingtanks.
25.6 Daarom is Vopak in beginsel aansprakelijk voor de schade aan de ladingtanks.
25.7 Voor zover de verletschade een rechtstreeks gevolg is van de beschadiging van de ladingtanks, is Vopak in beginsel eveneens gehouden tot vergoeding daarvan.
25.8 Voor zover [eiseres] bedoelt zich op het bepaalde in art. 8:914 BW te beroepen gaat dat beroep niet op. Immers, die regeling ziet op het zich (mogen) ontdoen van ten vervoer ontvangen gevaarlijke zaken, hetgeen in dit geval niet speelt.
26.1 Vopak voert aan dat zij (desalniettemin) niet aansprakelijk is tot schadevergoeding, omdat [eiseres] krachtens artikelen 4.1 en 4.2 van de Overeenkomst gehouden is om voor verzekering zorg te dragen waaronder het risico van verletschade gedekt is, mede ter dekking van de belangen van Vopak, en dat [eiseres] krachtens artikel 4.3 van de Overeenkomst alle schade die niet door zodanige verzekering wordt gedekt voor eigen rekening dient te houden.
26.2 [eiseres] geeft geen andere uitleg aan de hiervoor genoemde artikelen van de Overeenkomst, maar voert aan dat de redelijkheid en de billijkheid Vopak onder de gegeven omstandigheden verbieden een beroep te doen op het in artikel 4.3 van de Overeenkomst bepaalde.
26.3 Waar in de artikelen 4.2 ("ter dekking van de belangen van" Vopak) en 4.3 van de Overeenkomst geen onderscheid wordt gemaakt tussen de diverse door [eiseres] krachtens artikel 4.1 ervan te sluiten verzekeringen, kan Vopak zich in beginsel jegens [eiseres] op het in artikel 4.3 bepaalde beroepen.
Zoals hierboven onder 25. is overwogen, valt Vopak terzake van het ontstaan van de schade een verwijt te maken.
Echter, gesteld, noch gebleken is dat Vopak het aan de Lading(en) inherente risico van beschadiging van de coating van de ladingtanks (wel) kende. Andere aan Vopak toe te rekenen omstandigheden welke bij de beoordeling van het beroep van Vopak op het in artikel 4.3 van de Overeenkomst bepaalde van belang zijn, zijn gesteld of gebleken.
Het enkele, hierboven onder 25. overwogen verwijt aan Vopak is niet van een zodanige ernst dat het het beroep van Vopak op artikel 4.3 van de Overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar doet zijn.
26.4 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van Vopak op het in artikel 4.3 van de Overeenkomst bepaalde opgaat.
27.1 Op grond van het vorenstaande zullen de vorderingen worden afgewezen.
27.2 [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.
De beslissing De rechtbank Wijst de vorderingen af;
Veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van Vopak, tot en met dit vonnis begroot op € 2.325,- aan verschotten (griffierecht) en € 4.973,50 aan salaris van de procureur;
Verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank van woensdag 16 november 2005.