RECHTBANK DORDRECHT MEERVOUDIGE STRAFKAMER Tegenspraak Parketnummers: 11/510086-06, 11/701160-06 (gev.ttz) en 22/005165-04 (TUL) Zittingsdatum : 21 juli 2006 en 17 oktober 2006 Uitspraak: 24 oktober 2006 (bij vervroeging) VERKORT STRAFVONNIS De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlasteleggingen en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de hierboven genoemde zaken tegen: [Verdachte], geboren te Rotterdam op 1981, wonende te [adres], thans gedetineerd in de P.I. , locatie , te . De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vorderingen van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen. 1. De tenlasteleggingen Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaardingen is omschreven. Kopieën van die dagvaardingen zijn als bijlage 1 en 1A aan dit vonnis gehecht en maken hiervan deel uit. 2. De voorvragen 2.1 De geldigheid van de dagvaarding Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen aan alle wettelijke eisen voldoen en dus geldig zijn. 2.2 De bevoegdheid van de rechtbank Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. 2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. 2.4 De schorsing van de vervolging Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken. 3. Het onderzoek ter terechtzitting 3.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft -het onder parketnummer 11/510086-06 feit 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde en het onder parketnummer 11/701160-06 - ten laste gelegde bewezen achtend - gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand (parketnummer 22/005165-04). 3.2 De verdediging De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd. 3.3 De vordering van de benadeelde partijen Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd: [benadeelde partij 1] De bank vordert verdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van EUR 22.506,=, ter zake van de door haar, als gevolg van het onder 1. in de zaak met parketnummer 11/510086-06 gepleegde strafbare feit, geleden schade. [benadeelde partij 2] Hij vordert verdachte te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van EUR 51.885,47, ter zake van de door hem, als gevolg van het onder 2. in de zaak met parketnummer 11/510086-06 gepleegde strafbare feit, geleden schade. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [benadeelde partij 1] tot een bedrag van EUR 20.801,= met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 2] is hij van mening dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Door of namens de verdachte is de aansprakelijkheid en de hoogte van de schade betwist. 4. De bewijsbeslissingen 4.1 De vrijspraak Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen wat aan de verdachte 11/510086-06 1, 2 primair en 3 ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. feit 1 Bij de bankoverval te Heerjansdam is na het vertrek van de overvallers op een tafeltje recht tegenover de toegangsdeur van de bank een vuurwapen aangetroffen. Dit tafeltje stond onder de plaats waar de video-opnameapparatuur was bevestigd. Eén van de getuigen heeft gezien dat één van de bankovervallers de video-opnameapparatuur trachtte kapot te maken. Dit deed hij met beide handen. Niet is gebleken dat er ten tijde van de overval een andere (mans)persoon in de onmiddellijke nabijheid van dit tafeltje is waargenomen. De rechtbank verbindt hieraan de conclusie dat het aangetroffen vuurwapen door één van de overvallers ter plaatse is achtergelaten. Uit de resultaten van het deskundigenonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is gebleken dat op de kolfplaat van het in de bank aangetroffen vuurwapen een partieel DNA-mengprofiel is verkregen, zijnde een DNA-profiel van een spoor, bestaande uit een mengsel van celmateriaal van verschillende personen. De DNA-kenmerken uit een afgeleid DNA-hoofdprofiel komen overeen met de DNA-kenmerken van verdachte. Dit leidt tot de conclusie dat een deel van het onderzochte celmateriaal in de bemonstering van de kolf afkomstig kan zijn van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij éénmaal in zijn leven een vuurwapen in handen heeft gehad. Volgens zijn verklaring kwam dit vuurwapen qua merk en type overeen met het vuurwapen dat in de bank is gevonden na het plegen van bankoverval. Op grond van het voorgaande houdt de rechtbank het er voor dat het aangetroffen vuurwapen op 17 september 2004 bij de bankoverval te Heerjansdam is gebruikt. De vraag doet zich vervolgens voor of het verdachte zelf is die bij de bankoverval dit vuurwapen heeft gebruikt. De rechtbank overweegt in dit verband dat beide slachtoffers van de bankoverval hebben gezien dat de beide overvallers plastic handschoenen droegen. Niet gezien is of beide overvallers deze handschoenen tijdens de overval hebben uitgedaan, als gevolg waarvan mogelijk ter plaatse menselijke sporen op het aangetroffen vuurwapen zijn terechtgekomen. Dit komt de rechtbank ook niet erg waarschijnlijk voor. Derhalve moet het er voor worden gehouden dat de op het vuurwapen aangetroffen menselijke sporen vóór het plegen van de overval op het vuurwapen zijn terechtgekomen. De op het vuurwapen aangetroffen menselijke sporen van onder meer verdachte kunnen derhalve niet als bewijs dienen dat verdachte tijdens de overval het aangetroffen vuurwapen in handen heeft gehad. De rechtbank overweegt voorts dat beide slachtoffers van de bankoverval 2 overvallers in de bank hebben gezien. Eén van de slachtoffers heeft verklaard dat beide overvallers een klein kastje op hun buik droegen waar zij soms op drukten en inspraken en dat zij een derde persoon door het kastje dat overvaller 2 droeg heeft horen praten. De rechtbank leidt hieruit af dat bij de bankoverval drie personen betrokken waren, waarvan twee in de bank opereerden en één zich vermoedelijk buiten in een vluchtauto bevond. Dit aantal van drie betrokkenen wordt bevestigd door de verklaring van een getuige die heeft gemeld dat op 17 september, tussen 16.45 u en 17.30 u, een auto zijn aandacht trok die richting de - later overvallen - bank reed. Genoemde auto viel de getuige op vanwege de grote zonnebril die de drie inzittenden van die auto droegen. Een nadere omschrijving van de personen in de auto kon deze getuige niet geven. Ook de beide slachtoffers van de bankoverval vielen onder meer de grote zonnebrillen van de beide overvallers op. Daarnaast geven zij in vrij algemene termen een signalement van de beide overvallers. Deze omschrijving vormt weliswaar geen contrasignalement van de verdachte, maar is naar het oordeel van de rechtbank zodanig weinig specifiek dat dit niet kan leiden tot de conclusie dat verdachte één van de overvallers was. Ten slotte overweegt de rechtbank het volgende. Bekend is dat verdachte regelmatig met de medeverdachte [M.V.] optrok en met hem in verschillende auto's reed. Op de dag van de overval is weliswaar gezien dat de overvallers (weg)reden in een zwarte Volkswagen Passat, type Sedan - een type auto waar verdachte en medeverdachte [M.V.] wel reden - maar niet is waargenomen dat verdachte en de medeverdachte [M.V.] daar toen op die plaats en dat moment inzaten. Bovendien heeft de officier in deze zaak tot vrijspraak gerekwireerd voor de medeverdachte [M.V.]. Gelet op het hiervoor overwogene kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dat, nu er naast de DNA-match - dat kan worden gezien als een begin van bewijs - geen andere feiten en/of omstandigheden zijn komen vast te staan die maken dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte daadwerkelijk als pleger of medepleger bij de bankoverval betrokken is geweest, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte wèl bij deze overval betrokken is geweest. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van dit feit. feit 2 primair Uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen is niet komen vast te staan dat verdachte als pleger of als medepleger betrokken is geweest bij de in het genoemde feit omschreven diefstal. feit 3 Uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen is niet komen vast te staan dat verdachte als pleger of als medepleger betrokken is geweest bij de in het genoemde feit omschreven poging tot diefstal. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van 4.2 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte 11/510086-06 2. SUBSIDIAIR: hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 december 2005 tot en met 09 mei 2006 te Delft en/of Zoetermeer en/of Leidschendam en/of de Lier en/of Rijnsburg en/of Leiden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, - een auto (merk/type: Volkswagen New Beetle Cabriolet 2.0; kleur: blauw; chassisnummer: [chassisnummer]) en/of - een auto (merk/type: Volkswagen Golf 1.9 Tdi Sportline; kleur: grijs; chassisnummer: [chassisnummer]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.