RECHTBANK DORDRECHT Sector Bestuursrecht procedurenummer: AWB 04/732 uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken inzake [XXX], gevestigd te [woonplaats], eiseres, gemachtigde: mevrouw mr. J. Vijlbrief-van der Schaft, advocaat te Rotterdam, tegen de Gemeenteraad van Alblasserdam, verweerder, gemachtigde: mevrouw mr. J.H.A.M. Scheiffers, advocaat te Rotterdam. 1. Ontstaan en loop van het geding Verweerder heeft bij besluit van 30 oktober 2003 (verzonden op 4 november 2003) het verzoek van eiseres, bij brief van 25 juli 2003, om toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de ruimtelijke ordening (hierna: WRO) afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 9 december 2003 bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij besluit van 23 juni 2004 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 29 juli 2004, ingekomen op 30 juli 2004, beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht. Op 28 oktober 2005 is de zaak behandeld ter zitting van een meervoudige kamer. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald op welke wijze het vooronderzoek wordt hervat. De behandeling van de zaak is op 7 maart 2006 voortgezet ter zitting van een meervoudige kamer. Eiseres is ter zitting verschenen, vertegenwoordigd door de heren [YYY], en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. 2. Overwegingen 2.1. Wettelijk kader. 2.1.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de WRO, voor zover van belang, kent de gemeenteraad, voor zover een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Procedureverordening Planschadevergoeding van de gemeente Alblasserdam (hierna: de Procedureverordening), voor zover van belang, kan de gemeenteraad ingeval van kennelijke ongegrondheid schadevergoeding weigeren zonder toepassing te geven aan artikel 4 en volgende van de Procedureverordening. Ingevolge artikel 4 van de Procedureverordening, voor zover van belang, geeft de gemeenteraad aan een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige opdracht advies uit te brengen, indien geen toepassing is gegeven aan artikel 3, eerste lid, van de Procedureverordening. 2.1.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling nadeelcompensatie Betuweroute (Stcrt. 1996, nr. 189, hierna: de Regeling) kent de Minister op verzoek van degene die schade lijdt, of zal lijden, als gevolg van: a. het onherroepelijke Tracébesluit Betuweroute. b. een onherroepelijk besluit ingevolge of in samenhang met het Tracébesluit waarop deze regeling door de Minister in een later stadium van toepassing is verklaard. c. het Zevenaarproject. d. het Havenspoorlijnproject. Alsmede uit sub a tot en met d voortvloeiende besluiten van bestuursorganen en rechtmatige uitvoeringshandelingen; een vergoeding naar billijkheid toe, voorzover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de verzoeker behoort te blijven en voorzover de vergoeding niet, of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd. Blijkens artikel 10 van de Regeling wordt het besluit ingevolge artikel 4, lid 2 (vereenvoudigde behandeling van het verzoek), dan wel ingevolge artikel 9, lid 1 (het besluit op het verzoek) beschouwd als een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Blijkens artikel 11 zijn op de besluiten bedoeld in artikel 10 de algemene regels voor bezwaar en beroep uit de Awb van toepassing. In de Toelichting bij de Regeling staat onder meer vermeld: “Zoals blijkt uit de tekst van artikel 49 van de WRO is formeel de gemeenteraad de instantie die een beslissing moet nemen op een verzoek om op grond van dit artikel een planschadevergoeding toe te kennen. Indien een belanghebbende van mening is dat hij voor een planschadevergoeding in aanmerking komt dient er formeel een verzoek te worden ingediend bij de Raad van de gemeente waarbinnen de onroerende zaak is gelegen. Omdat de regeling Nadeelcompensatie Betuweroute mede beoogt te voorzien in een eerdere behandeling van planschadeclaims door of namens de Minister kan een belanghebbende, overigens geheel vrijwillig, besluiten een verzoek om vergoeding van planschade op grond van de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute in te dienen bij NS Railinfrabeheer. Een dubbele vergoeding voor dezelfde schade is uitgesloten omdat in artikel 49 WRO de zinsnede is opgenomen: ‘en waarvan de vergoeding niet, of niet voldoende, reeds door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd’. ‘Anderszins’ ziet hierbij tevens op schadevergoeding ingevolge de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute. Overigens geldt voor planschade dat de gemeenteraad ten aanzien van dergelijke verzoeken een eigen wettelijke verantwoordelijkheid heeft. Deze verantwoordelijkheid komt tot uitdrukking in artikel 49 WRO in de zinsnede: ‘kent de gemeenteraad op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.” (par. 5.2. Planschadegevallen, sub f, van de Toelichting). (…) “Omdat het onherroepelijke Tracébesluit Betuweroute door de Minister is aangemerkt als een schadetoebrengend besluit kunnen belanghebbenden op grond van de regeling niet alleen in een eerder stadium een verzoek om vergoeding indienen, maar kunnen zij ook een verzoek om schadevergoeding indienen voor die gevallen waarin sprake is van schade ten gevolge van besluiten als bedoeld in artikel 49 van de WRO, die ter uitvoering van het Tracébesluit, het Havenspoorlijnproject of het Zevenaarproject zijn genomen en/of de daaruit voortvloeiende rechtmatige uitvoeringshandelingen.” (par. 3.1. van de Toelichting). (…) “Artikel 2. Dit artikel verwoordt de materiële maatstaf aan de hand waarvan de Minister verzoeken om schadevergoeding beoordeelt. Bij de formulering is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij artikel 49 Wet op de Ruimtelijke Ordening, omdat met de toepassing daarvan in de praktijk veel ervaring is opgedaan, alsmede omdat deze bepaling de stand van de ontwikkeling van het nadeelcompensatierecht adequaat weergeeft.” (artikelsgewijze toelichting). 2.1.3. Ingevolge artikel 4:7, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het een aanvraag tot het geven van een beschikking geheel of gedeeltelijk afwijst, de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen, indien: a. de afwijzing zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de aanvrager betreffen, en b. die gegevens afwijken van gegevens die de aanvrager ter zake zelf heeft verstrekt. 2.2. Bestreden besluit Het bestreden besluit strekt tot handhaving van de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding wegens kennelijke ongegrondheid. Daaraan heeft verweerder zakelijk weergegeven ten grondslag gelegd dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, “anderszins verzekerd” is in de zin van artikel 49 van de WRO, hetzij op grond van artikel 4, hetzij op grond van artikel 5 van de overeenkomst die eiseres en de gemeente Alblasserdam op 9 juni 2000 hebben gesloten. Reeds gelet daarop acht verweerder, zulks in afwijking van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente Alblasserdam, een inhoudelijke behandeling van het verzoek van eiseres tot vergoeding van schade volgens artikel 49 van de WRO, als bedoeld in artikel 4 van de Procedureverordening, overbodig. Verweerder heeft aan het bestreden besluit voorts ten grondslag gelegd dat hij bevoegd was om in dit geval af te zien van toepassing van de artikelen 4:7 en volgende van de Awb. 2.3. Gronden van beroep Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij heeft daartoe, kort gezegd en voorzover van belang, aangevoerd dat zij geen afstand heeft gedaan van haar aanspraken op schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO (hierna: planschadevergoeding). De vergoeding van de door haar geclaimde planschade acht eiseres niet of niet voldoende “anderszins verzekerd” in de zin van artikel 49 van de WRO. Zij heeft voorts aangevoerd dat verweerder artikel 3 van de Procedureverordening niet juist heeft toegepast, alsmede dat verweerder bij de voorbereiding van het primaire besluit de artikelen 4:7 tot en met 4:12 van de Awb had moeten toepassen. 2.4. Feiten De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten. 2.4.1. Bij brief van 31 juli 1995 (hierna: de schadeclaim) heeft eiseres de gemeente Alblasserdam, voor zover van belang, op de navolgende wijze aansprakelijk gesteld : “(…) Ook U zult inmiddels op de hoogte zijn van de uitspraak van de Voorzitter van de Raad van State van 25 juli jl., waardoor artikel 12 lid 3 van de voorschriften van het bestemmingsplan “Het Nieuwland”, rechtskracht heeft gekregen. De uitspraak heeft grote consequenties voor ons bedrijf. Niet alleen de bedrijfsmatige, maar ook de economische mogelijkheden zijn hierdoor aanzienlijk verminderd, vergeleken met de mogelijkheden die wij hadden op het moment (12 november 1992) dat de polder “Het Nieuwland” in het bezit van BRC kwam. Toen was immers het bestemmingsplan voor de polder “Het Nieuwland” van 1961 van kracht, waarin aan onze activiteiten geen beperkingen waren opgelegd. De Gemeente Alblasserdam heeft door het nemen van een Voorbereidingsbesluit op 26 november 1992, het vaststellen van een gewijzigd bestemmingsplan op 21 april 1994 en door het stilleggen van de reeds aangevangen werkzaamheden in de polder, het voor BRC onmogelijk gemaakt de oorspronkelijke plannen uit te voeren. Dit alles brengt uitermate grote financiële gevolgen met zich. Wij stellen de Gemeente Alblasserdam derhalve bij deze aansprakelijk voor alle schade die BRC, als gevolg van het vorenstaande, heeft geleden en nog zal lijden. (…) ” 2.4.2. Op 3 mei 1999 hebben de gemeente Alblasserdam en NS Railinfrabeheer BV een projectovereenkomst gesloten “inzake het project Betuweroute (inclusief Sophiatracé)”. Artikel 12 “(nadeelcompensatie/planschade)” van deze overeenkomst luidt als volgt: “1. Vergoeding van schade, zoals omschreven in artikel 2 van de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute, als gevolg van: - de onherroepelijke Tracébesluiten Betuweroute respectievelijk Sophiatracé; - een onherroepelijk besluit ingevolge of in samenhang met deze Tracébesluiten, waarop deze regeling door de Minister in een later stadium van toepassing is verklaard; - de uit voorgaande punten voortvloeiende besluiten van bestuursorganen en rechtmatige uitvoeringshandelingen, zal plaatsvinden overeenkomstig de “Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute”. 2. Voorzover een belanghebbende zich beroept op artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in plaats van of in aanvulling op de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute, zal NS RIB, onder toepassing van de “Voorwaarden Tegemoetkoming Planschadekosten Betuweroute”, voor haar rekening nemen de alsdan als gevolg van de aanleg, de aanwezigheid en het gebruik van de in lid 1 genoemde besluiten door de Gemeenteraad toe te kennen planschadevergoeding, als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. 3. De gemeente verklaart de regeling “Voorwaarden Tegemoetkomen Planschadekosten Betuweroute” te aanvaarden en vorderingen ex artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening volgens deze regeling te beoordelen en te behandelen.” Voormelde regeling wordt hierna aangeduid als: de Voorwaarden. 2.4.3. Op 9 juni 2000 hebben eiseres en de gemeente een overeenkomst gesloten (hierna: de overeenkomt). De overeenkomst is opgesteld vanwege de gemeente. De artikelen 1, 2, 4, 5, 6 en 7 van de overeenkomst, voor zover van belang, luiden als volgt: “1. De gemeente zal in overleg met BRC en binnen haar publiekrechtelijke bevoegdheden de op basis van het ter plaatse geldende bestemmingsplan toegestane maaiveldhoogte in de polder Nieuwland afstemmen op een maat die voor een redelijke invulling van het uiteindelijk in de polder te realiseren bedrijfsterrein gewenst is, waarbij vooralsnog wordt uitgegaan van een hoogte van 3,5 meter boven NAP. (…) 2. De gemeente zal BRC door middel van het leggen van contacten op provinciaal niveau steunen in haar streven om zowel voor het in de polder ingebrachte zeefzand als de in de polder aanwezige Nedstaalstort een milieuhygiënisch en bedrijfseconomisch aanvaardbare oplossing te vinden. 4. BRC trekt bij deze de door haar bij brief van 31 juli 1995 bij de gemeente ingediende schadeclaim in en vrijwaart de gemeente van toekomstige claims ter zake van alle vormen van schade, uitgezonderd die genoemd in het navolgende (sub 5). Voor zover BRC schade mocht hebben geleden ten gevolge van aan de gemeente toe te rekenen feiten of omstandigheden acht zij deze - uitgezonderd de sub 5 bedoelde schade - door het bepaalde in deze overeenkomst volledig gecompenseerd. 5. De in bovenstaande sub 4 uitgezonderde schade betreft die schade die is ontstaan ten gevolgen van:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.