vonnis RECHTBANK DORDRECHT Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 66739 / HA ZA 06-2652 Vonnis van 19 december 2007 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres], gevestigd te Numansdorp, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, procureur mr. M.E. Visser, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde1], gevestigd te Schiedam, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde2], gevestigd te Schiedam, gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, procureur mr. J.A. Visser. Partijen zullen hierna [eiseres] respectievelijk [gedaagde1] en [gedaagde2] genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 22 november 2006 en de daarin genoemde stukken; - de producties aan zijde van [gedaagde1] en [gedaagde2]; - de conclusie van antwoord in reconventie; - het proces-verbaal van comparitie van 27 februari 2007; - de akte aan zijde van [eiseres]; - de akte aan zijde van [gedaagde1] en [gedaagde2]; - de akte aan zijde van [eiseres], houdende vermeerdering van eis; - de antwoordakte aan zijde [gedaagde1] en [gedaagde2], inhoudende antwoord op vermeerdering van eis en reactie op overgelegde producties tevens akte houdende wijziging van eis in reconventie. 2. De feiten 2.1. [eiseres] is een bedrijf dat zich bezighoudt met het ontwerp, de installatie, reparatie en revisie van koelingen, verwarming, ventilatie, airconditioning en aanverwante elektrotechnische werkzaamheden. [gedaagde1] is erfpachter van de grond en eigenaar van de opstallen van het saunacomplex aan de Prinses Beatrixlaan 10 te Schiedam. [gedaagde2] is de exploitant van het complex. 2.2. De bouwdirectie van [gedaagde1], Brand BBA B.V (hierna te noemen Brand BBA), heeft [eiseres] uitgenodigd tot het doen van een prijsopgave met betrekking tot de uitbreiding van het saunacomplex. 2.3. [eiseres] heeft bij brief van 14 april 2005 een prijsopgave gedaan. Bij brief van 9 mei 2005 heeft [gedaagde1] de tot stand gekomen afspraken bevestigd en is de overeenkomst tot stand gekomen. 2.4. In de brief van 9 mei 2005 zijn de volgende afspraken bevestigd: “4. Het uitgangspunt is een systeem van VRF. Een 3-pijpssysteem waarbij gedlt [bedoeld zal zijn: geldt] dat per ruimte een temperatuurverschil gerealiseerd kan worden van 7 graden C. tussen binnen- en buitentemperatuur. 5. Voor de bestaande warmteproblematiek zijn er de volgende afspraken gemaakt: a. Alle zonnebankruimtes krijgen een koeling van tussen de 22 en 24 graden C. b. Op de begane grond, alsmede op de eerste verdieping bij de balie zal eveneens een temperatuureis gelden van tussen de 22 tot 24 graden. ... d. De twee voormalige ruimtes waar vroeger zonnebanken stonden (nu kantoor) dienen eveneens een temperatuur van 22 tot 24 graden C. te krijgen... ... 9. Op 23 mei 2005 hebben wij geconstateerd dat de buitenverblijven niet opgenomen waren. Hierbij hebben wij heden morgen een turnkey-prijsafspraak gemaakt. De totale turnkey prijs op het gebied van HVAC, W, E en S is derhalve begroot op € 425.000,- (vierhonder[eiseres]jfentwintigduizend euro). Hiermee zijn alle eventuele voorbehouden definitief weggenomen. De totale turnkey prijs van € 425.000,- zal onder geen beding overschreden worden. Mocht dit derhalve toch het geval zijn dan is dit voor rekening en risico van de installateur Van Dorp Installaties B.V. ... 12. De uitgebrachte offerte 2005010016.0/6 d.d. 14 april 2004 dient als basis voor onderrichte werkzaamheden. We merken daar zeer nadrukkelijk bij op, dat de installatiestaat die [gedaagde1] Holiday op 10 maart 2005 [...], wijziging nr. 2 leidend is in alle situaties.” 2.5. De bouwkundig aannemer voor de uitbreiding van het saunacomplex was De Vries en Verburg B.V., hierna te noemen V&V. 2.6. [eiseres] heeft bij een drie brieven van 13 december 2005 meerwerkopgaven met betrekking tot krimpnetten vloerverwarming, douchepalen buitendouches fase 7 en doucheputten fase 7 aan [gedaagde1] gezonden. [eiseres] had de werkzaamheden waarvoor opgave werd gedaan op dat moment reeds uitgevoerd. [gedaagde1] heeft hierop bij faxbericht van 13 december 2005 verklaard het meerwerk niet te accepteren. 2.7. Op 1 december 2005 heeft de eerste oplevering plaatsgevonden en op 23 januari 2006 de tweede oplevering. [eiseres] diende na de tweede oplevering nog een aantal restpunten uit te voeren. 2.8. Partijen hebben diverse malen overleg gevoerd over het op 13 december 2005 in rekening gebracht meerwerk alsmede over later door [eiseres] in rekening gebracht meerwerk. Partijen zijn op 19 december 2005 overeengekomen dat de gehele lijst met meerwerkpunten, gekenmerkt met ‘MW,’ betaald zou worden tot een beloop van € 100.000,- plus BTW, niet te betalen voor eind juli 2006. Voorwaarde voor betaling was dat [eiseres] haar vordering deugdelijk zou onderbouwen. Deze overeenkomst, die in deze wordt aangeduid als het herenakkoord, is ontbonden. 2.9. [gedaagde1] heeft [eiseres] aangesproken op een te hoge temperatuur in een deel van de nieuwbouw. [eiseres] heeft de aansprakelijkheid hiervoor afgewezen. 2.10. [gedaagde1] en [gedaagde2] hebben uiteindelijk betaling van het door [eiseres] in rekening gebrachte meerwerk opgeschort. 3. Het geschil De vordering in conventie. 3.1. [eiseres] vordert samengevat – na vermeerdering van eis, veroordeling van [gedaagde1] tot betaling van een bedrag van € 265.019,95, vermeerderd met rente en kosten. Tevens vordert [eiseres] -samengevat- veroordeling van [gedaagde2] tot betaling van een bedrag van € 13.429,95, vermeerderd met rente en kosten. [eiseres] baseert haar vordering op nakoming van de aanneemovereenkomst in combinatie met het meerwerk dat zij heeft verricht. Het verweer in conventie. 3.2. [gedaagde2] betwist dat zij partij is bij de overeenkomst van 9 mei 2005. Zij heeft slechts een aantal betalingen verricht om praktische redenen. 3.3. [gedaagde1] voert primair als verweer aan dat er geen meerwerk verschuldigd is, tenzij het uitdrukkelijk door haar is geaccordeerd. Subsidiair voert [gedaagde1] inhoudelijk verweer tegen de afzonderlijke meerwerkposten. Voor zover [gedaagde1] enige betaling voor meerwerk verschuldigd is voor meerwerk, beroept zij zich primair op verrekening met het in reconventie te vorderen bedrag en subsidiair op haar opschortingsrecht totdat de in reconventie ingestelde vorderingen door [eiseres] zijn voldaan. [gedaagde1] betwist tot slot de toepasselijkheid van de Algemene Leveringsvoorwaarden Installering Bedrijven 1992. De vordering in reconventie. 3.4. [gedaagde1] en [gedaagde2] vorderen -samengevat- het volgende, na vermeerdering van eis: a. de tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst gedeeltelijk te ontbinden, voor zover de overeenkomst en de verplichtingen nog niet door partijen zijn uitgevoerd; b. een veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 74.090,- in verband met het herstel van gebreken in de warmte-installatie alsmede de overige schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alle bedragen vermeerderd met rente en kosten; c. de ten laste van [gedaagde1] en [gedaagde2] gestelde bankgaranties te retourneren, op straffe van een dwangsom; d. [eiseres] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde1] respectievelijk [gedaagde2] van een bedrag van € 1.250,- respectievelijk € 210,- ter zake van kosten van de bankgarantie te vermeerderen met € 562,50 respectievelijk € 42,50 per kwartaal na 17 januari 2007; e. een verklaring voor recht dat [gedaagde2] geen partij is bij de aanneemovereenkomst van 9 mei 2005, althans dat [eiseres] geen vorderingen op haar heeft; f. een verklaring voor recht dat de overeenkomst tot levering van de warmwaterketel ad € 30.000,- excl. BTW ontbonden is wegens non-conformiteit en dat [eiseres] geen recht heeft op betaling van de koopsom; g. [eiseres] te veroordelen aan [gedaagde1] het bedrag van € 12.000,- te voldoen ter zake van schade wegens non-conformiteit van de brandmeldinstallatie, te vermeerderen met rente; h. € 460,- aan buitengerechtelijke kosten. 3.5. [gedaagde1] en [gedaagde2] voeren aan dat [eiseres] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de aanneemovereenkomst. Het verweer in reconventie. 3.6. [eiseres] voert als verweer aan dat zij die werkzaamheden heeft verricht die partijen zijn overeengekomen. Voor zover [eiseres] niet alle werkzaamheden heeft verricht waartoe zij volgens de overeenkomst was gehouden, beroept [eiseres] zich op eigen schuld van [gedaagde1], aangezien [gedaagde1] uit de materiaalstaat, de tekeningen en een rapportage van het door [gedaagde1] ingeschakelde bedrijf Ilex B.V., hierna te noemen Ilex, had kunnen opmaken welke werkzaamheden [eiseres] zou gaan uitvoeren en [gedaagde1] [eiseres] niet heeft aangesproken op gebreken in deze gegevens. Wat betreft de brandveiligheid betwist [eiseres] de hoogte van de gevorderde kosten voor herstel. Wat betreft de waterhardheid schort [eiseres] eventuele herstelwerkzaamheden op totdat [gedaagde1] en [gedaagde2] aan hun betalingsverplichtingen hebben voldaan. 4. De beoordeling In conventie 4.1. [eiseres] heeft niet betwist dat [gedaagde2] geen partij is bij de overeenkomst met betrekking tot de uitbreiding van het complex, en dat [gedaagde2] geen opdracht heeft gegeven tot het verrichten van meerwerk. De vorderingen jegens [gedaagde2] dienen om deze reden dan ook te worden afgewezen. 4.2. De overeenkomst die op 9 mei 2005 tussen [eiseres] en [gedaagde1] tot stand is gekomen, is te kwalificeren als aanneming van werk. Partijen zijn, zoals blijkt uit de brief van 9 mei 2005, een vaste prijs van € 425.000,- overeengekomen. Voor die vaste prijs diende alle overeengekomen werkzaamheden te worden uitgevoerd. Indien [eiseres] werkzaamheden heeft uitgevoerd die niet in de overeenkomst zijn begrepen, kan [eiseres] voor die werkzaamheden slechts betaling verlangen, indien [gedaagde1] Artikel 7:755 BW bepaalt dat in geval van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk, de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs kan vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat [gedaagde1] zich heeft laten bijstaan door een deskundige op het gebied van bouwen, te weten Brand BBA. deze omstandigheid. 4.3. [gedaagde1] heeft erkend dat zij opdracht heeft gegeven voor bepaalde meerwerken, zonder dat over de prijs was onderhandeld. Voor dit deel van het meerwerk is [gedaagde1] een redelijke prijs verschuldigd. Voor zover dit wordt betwist door [gedaagde1], dient beoordeeld te worden of de door [eiseres] in rekening gebrachte bedragen redelijk zijn. 4.4. Van een deel van het meerwerk hebben [gedaagde1] en [gedaagde2] aangevoerd dat dit werkzaamheden betreft die reeds tot de aanneemovereenkomst behoorden en waarvoor [eiseres] geen recht heeft op afzonderlijke betaling. Ten eerste dient dan ook beoordeeld te worden of de door [eiseres] in rekening gebrachte werkzaamheden behoren tot de aanneemovereenkomst van 9 mei 2005. Als dit het geval is, heeft [eiseres] geen recht op afzonderlijke betaling van deze werkzaamheden, boven op de overeengekomen aanneemsom. Indien vast komt te staan dat de verrichte werkzaamheden niet uit de aanneemovereenkomst voortvloeien, dient beoordeeld te worden of [eiseres] [gedaagde1] er tijdig op heeft gewezen dat dit een verhoging van de kosten met zich mee zou brengen of dat [gedaagde1] dit uit zichzelf had moeten begrijpen en zo ja, of voor deze werkzaamheden een redelijke prijs in rekening is gebracht. 4.5. [gedaagde1] en [gedaagde2] hebben voorts met betrekking tot een deel van de door [eiseres] als meerwerk in rekening gebrachte werkzaamheden aangevoerd dat dit werkzaamheden waren die door V&V uitgevoerd hadden moeten worden. Dit deel van het in rekening gebrachte meerwerk dient slechts door [gedaagde1] te worden betaald, indien vast komt te staan dat [eiseres] deze werkzaamheden in opdracht althans met medeweten en toestemming van [gedaagde1], al dan niet schriftelijk, heeft uitgevoerd. Indien dit vast komt te staan, wordt geoordeeld dat [gedaagde1] wist, althans had moeten begrijpen dat zij [eiseres] hiervoor afzonderlijk diende te betalen. Voor zover dit wordt betwist door [gedaagde1], dient beoordeeld te worden of de door [eiseres] in rekening gebrachte bedragen redelijk zijn. 4.6. [eiseres] heeft bij akte van 20 juni 2007 het volledig in rekening gebrachte meerwerk per post uitgesplitst (prod 23 geeft een totaaloverzicht), waarop [gedaagde1] en [gedaagde2] bij akte van 8 augustus 2007 per post hebben gereageerd. De verschillende posten zullen hierna afzonderlijk worden besproken. Buitensauna’s (facturen 120.600.0195 en 120.600.0310). 4.7. De door [eiseres] in rekening gebrachte meerwerkposten MW 1, MW 2, MW 3, MW 17, MW 18, MW 21 en MW 28 hebben alle betrekking op de buitensauna’s. In punt 9 van de aanneemovereenkomst van 9 mei 2005 is opgenomen dat de buitenverblijven in de totale aanneemsom waren begrepen. 4.8. [eiseres] heeft gesteld dat de installatie van de buitensauna’s niet tot de aanneemovereenkomst behoorden (de posten MW 17, MW 18, MW 21 en MW 28). Gelet op het verweer van [gedaagde1] alsmede gelet op punt 9 van de overeen¬komst zal [eiseres] dienen te bewijzen dat de door haar in rekening gebrachte werk¬zaamheden met betrekking tot de installatie van de buitensauna’s meerwerk betreffen en niet tot de aanneem¬overeenkomst behoren. De rechtbank wenst hierover te worden geïnformeerd door een deskundige. Indien [eiseres] in het aan haar opgedragen bewijs slaagt, wordt geoordeeld dat [gedaagde1], bijgestaan door haar a[eiseres]seur Brand BBA, had moeten begrijpen dat extra werkzaamheden van [eiseres] met betrekking tot de installatie van sauna’s extra kosten met zich mee zouden brengen, zodat [gedaagde1] de extra kosten, voor zover deze redelijk zijn, aan [eiseres] ver¬schuldigd is. [gedaagde1] heeft de hoogte van de hiervoor in rekening gebrachte bedragen niet betwist zodat deze kosten in dat geval zullen worden toegewezen. 4.9. Een deel van de als meerwerk in rekening gebrachte werkzaamheden met betrekking tot de buitensauna’s betreft graafwerk in het buitenterrein ten behoeve van leidingen, het aanleggen van de riolering in het buitenterrein en het aanleggen van de hemelwaterafvoerleidingen in het buitenterrein (de posten MW 1, MW 2 en MW 3). Partijen zijn het erover eens dat dit werkzaamheden zijn die door V&V uitgevoerd hadden dienen te worden. [eiseres] heeft aangevoerd dat de werkzaamheden in goed overleg met [gedaagde1] hebben plaatsgevonden en dat er rechtstreekse afspraken zijn gemaakt tussen [eiseres] en de heer T. Gajadin van [gedaagde1], hetgeen [gedaagde1] heeft betwist. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen. Vast staat dat de werkzaamheden door [eiseres] en niet door V&V zijn uitgevoerd en dat deze werkzaamheden niet zien op de in de overeenkomst van mei 2005. [gedaagde1] meent dat [eiseres] haar kosten bij V&V dient te declareren. Indien V&V deze kosten bij [gedaagde1] in rekening heeft gebracht, kan haar standpunt worden gevolgd. Dit stelt [gedaagde1] echter niet. Evenmin betwist zij dat haar deskundige, Brand, ten aanzien van dit punt op de bouwvergadering naliet duidelijkheid te scheppen, terwijl het werk wel door moest gaan. Onder deze omstandigheden kan [gedaagde1] zich niet beroepen op het ontbreken van schriftelijke of uitdrukkelijke toestemming. [gedaagde1] heeft de hoogte van de in rekening gebrachte kosten voor deze werkzaamheden niet, althans niet gemotiveerd, betwist zodat het gevorderde bedrag zal worden toegewezen. Overige MW-posten (MW 4 t/m MW 16, MW 19, MW 20 en MW 22 t/m MW 25). 4.10. Posten MW 4 t/m MW 11, MW 12a, MW 13, MW 14, MW 16, MW 19, MW 20, MW 22 en MW 23 zijn op 19 december 2005 als meerwerk geaccordeerd door [gedaagde1]. [gedaagde1] heeft hiertegen aangevoerd dat aangezien de schikkingsovereenkomst van 19 december 2005 is vervallen, ook de betalingsverplichting van [gedaagde1] die hierop was gebaseerd, is komen te vervallen. Het is juist dat [eiseres] [gedaagde1] niet kan houden aan de afspraak om voor de reeds geaccordeerde meerwerkposten een bedrag van € 100.000,- te betalen. De accordering van de bovengenoemde posten brengt echter wel met zich mee, dat ervan uitgegaan dient te worden dat deze meerwerkposten in opdracht althans met medeweten en goedkeuring van [gedaagde1] zijn uitgevoerd. Dit heeft [gedaagde1] ook niet betwist. [gedaagde1] heeft wel in het algemeen de redelijkheid van de bedragen die [eiseres] voor deze posten in rekening heeft gebracht, betwist. Zij heeft echter nagelaten haar verweer nader te onderbouwen. Het verweer van [gedaagde1] wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd verworpen en de gevorderde bedragen voor de posten MW 4 t/m MW 11, MW 12a, MW 13, MW 14, MW 16, MW 19, MW 20, MW 22 en MW 23 zullen bij eindvonnis worden toegewezen. 4.11. [gedaagde1] heeft aangevoerd dat de buitenverblijven tot de aanneemovereenkomst behoren en dat de in rekening gebrachte zogeheten ‘GAWALO-voorzieningen’ (i.e. gas-, water-, loodgietervoorzieningen) met betrekking tot het Grand Café, genoemd onder post MW 12, dan ook zijn inbegrepen in de aanneemsom. Uit de door [eiseres] overgelegde producties 18, 19, 30, 34 en 38 bij akte van 20 juni 2007 kan niet zondermeer worden afgeleid dat de GAWALO-voorzieningen met betrekking tot het Grand Café als meerwerk dienen te worden beschouwd. Gelet op de betwisting door [gedaagde1] dient [eiseres] te bewijzen dat de betreffende werkzaamheden meerwerk betreffen en niet onder de aanneemovereenkomst vallen. Ook hierover zal hierover zal het oordeel van een deskundige worden gevraagd. [gedaagde1] heeft de hoogte van de in rekening gebrachte werkzaamheden niet, althans niet gemotiveerd betwist, zodat de gevorderde bedragen voor deze werkzaamheden kunnen worden toegewezen indien [eiseres] in het aan haar opgedragen bewijs slaagt. 4.12. Post MW 15 heeft betrekking op een extra splitunit voor de zonnebankruimte in de bestaande bouw. De stelling van [eiseres] dat in het algemeen werkzaamheden met betrekking tot de bestaande bouw niet onder de aanneemovereenkomst vallen, kan niet worden afgeleid uit de bepalingen van deze overeenkomst. [gedaagde1] heeft aangevoerd dat juist in de aanneemovereenkomst is opgenomen dat [eiseres] diende te zorgen voor koeling in de voormalige zonnebankruimten, zodat post MW 15 ten onrechte als meerwerk is opgevoerd. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van de stelling dat het plaatsen van de extra splitunit buiten de aanneemovereenkomst valt, dient [eiseres] haar stelling te bewijzen. Ook hierover wordt het oordeel van de deskundige gevraagd. Het enkele feit dat [gedaagde1] in het kader van de schikkingsovereenkomst bereid was 50 % van de kosten hiervan te voldoen, betekent niet dat zij heeft erkend dat het hier om meerwerk ging. Ook voor deze post geldt dat [gedaagde1] de hoogte van het in rekening gebrachte bedrag niet, althans niet gemotiveerd, heeft betwist, zodat het gevorderde bedrag zal worden toegewezen indien [eiseres] slaagt in het aan haar opgedragen bewijs. 4.13. Post MW 24 betreft de levering van een ander fabricaat sanitair dan was vermeld in de installatiestaat van 10 maart 2005. Zoals reeds is overwogen in punt 4.2 kan [eiseres] alleen dan een verhoging van de prijs vorderen bij een verandering in het overeengekomen werk, indien zij [gedaagde1] er tijdig op heeft gewezen dat dit een prijsverhoging met zich mee zou brengen, tenzij [gedaagde1] dit uit zichzelf had moeten begrijpen. [eiseres] stelt dat [gedaagde1] het geleverde sanitair mooier vond en dat zij op 13 december 2005 een prijsopgave heeft gestuurd. [gedaagde1] betwist dat het plaatsen van een ander fabricaat sanitair een kostenverhoging van € 1.044,- met zich meebrengt. Dat zij na het sluiten van de overeenkomst haar wensen heeft gewijzigd en dat zij een prijsopgave heeft ontvangen betwist zij echter niet. Zij dient de meerkosten te betalen. 4.14. [gedaagde1] heeft erkend dat de verwarmingsketel, aangeduid als post MW 25, op haar verzoek van 13 december 2005 is geleverd en geplaatst, dat dit meerwerk betreft en dat de kosten hiervoor € 29.563,84 bedragen. In beginsel is [gedaagde1] derhalve het gevorderde bedrag voor de ketel verschuldigd. Als verweer tegen dit deel van de vordering heeft [gedaagde1] aangevoerd dat de ketel niet voldoet aan hetgeen zij hiervan mocht verwachten, aangezien de ketel ontoereikende capaciteit heeft. Zij heeft bij brief van 19 april 2007 bij [eiseres] hierover gereclameerd. Gelet op de gestelde non-conformiteit beroept [gedaagde1] zich op opschorting van betaling totdat in reconventie is beslist op haar vordering tot een verklaring voor recht dat de overeenkomst tot levering van de ketel is ontbonden, zodat de koopsom niet meer verschuldigd is. Aangezien [gedaagde1] dit verweer eerst heeft aangevoerd bij akte van 8 augustus 2007 en [eiseres] nog niet heeft kunnen reageren op dit deel van de vermeerdering van eis in reconventie van [gedaagde1], zal [eiseres] alsnog in de gelegenheid worden gesteld hierop inhoudelijk te reageren. Meerwerken ME (meerwerk elektrotechnisch). 4.15. [gedaagde1] heeft erkend dat de door [eiseres] in rekening gebrachte extra beautyruimtes (post ME 1) alsmede de wijziging personeelsruimte (post ME 2) meerwerk betreffen, zodat zij gehouden is de extra kosten die dit met zich mee heeft gebracht aan [eiseres] te voldoen, voor zover deze kosten redelijk zijn. [gedaagde1] heeft tegen de in rekening gebrachte kosten aangevoerd dat deze ongespecificeerd zijn en te hoog. [eiseres] heeft de door haar aangehaalde prijsopgaven nog niet in het geding gebracht. Zij zal dienen te bewijzen dat de in rekening gebrachte kosten redelijk zijn voor de werkzaamheden die zij heeft uitgevoerd. Ook hierover zal het oordeel van een deskundige worden gevraagd. 4.16. Post ME 3 betreft 188 extra utp(dataverkeer)-aansluitingen. [eiseres] heeft de aanduidingen “... x 5 data aansluitingen” in de installatiestaat van 10 maart 2005 aldus geïnterpreteerd dat dit het aantal type categorie 5 data-aansluitpunten betreft, in plaats van het aantal aansluitingen maal blokje van vijf. Op de installatiestaat staat niet vermeld dat het cijfer vijf betrekking heeft op een bepaalde categorie. Evenmin heeft [eiseres] duidelijk gemaakt wat een ‘categorie 5 aansluiting’ in haar visie zou betekenen. Het ligt dan ook op de weg van [eiseres] om te bewijzen dat zij er op grond van de installatiestaat van 10 maart 2005 in redelijkheid vanuit mocht gaan dat slechts 20 % van de uiteindelijk aangebrachte aansluitingen waren inbegrepen in de aanneemovereenkomst en dat de overige 188 aansluitingen meerwerk betreffen. Ook hierover zal het oordeel van een deskundige worden gevraagd. [gedaagde1] heeft niet, althans niet gemotiveerd, betwist dat de hoogte van de in rekening gebrachte kosten correct is, zodat het gevorderde bedrag kan worden toegewezen indien [eiseres] slaagt in het aan haar opgedragen bewijs. 4.17. De stelling van [eiseres] dat de koppeling van het Grand Café en het hoofdgebouw (post ME 7) meerwerk betreft, aangezien het Grand Café niet onder de aanneemovereenkomst valt, wordt door [gedaagde1] betwist. [gedaagde1] heeft aangevoerd dat het Grand Café tot de buitengebouwen behoort en dat derhalve ook de aansluiting tussen het Grand Café en het hoofdgebouw onder de aanneemovereenkomst valt. Gelet op de betwisting door [gedaagde1] dient [eiseres] te bewijzen dat de werkzaamheden waarvan zij thans apart betaling vordert meerwerk betreffen. Ook hierover zal het oordeel van een deskundige worden gevraagd. [gedaagde1] heeft de hoogte van de door [eiseres] overgelegde prijsopgave van 23 februari 2006 niet, althans niet gemotiveerd, betwist, zodat het gevorderde bedrag kan worden toegewezen, indien [eiseres] slaagt in het aan haar opgedragen bewijs. 4.18. Partijen zijn het erover eens dat de installaties met betrekking tot de keuken van de saunabar (post ME 8), de loze HDPE mantelbuis 40 mm (post ME 12), de inrichting bar Grand Café (post ME 15) en de drie asp vaatwasser in pantry (post ME 16) meerwerk betreffen en dat de hiervoor in rekening gebrachte bedragen tussen partijen is overeen¬gekomen. Aangezien [gedaagde1] zich beroept op opschorting en verrekening met hetgeen in reconventie wordt gevorderd, zal de verdere beoordeling met betrekking tot deze posten worden aangehouden, totdat in reconventie is beslist. 4.19. Met betrekking tot post fundatie aarding (post ME 4) heeft [eiseres] gesteld dat dit werkzaamheden betreft die door V&V uitgevoerd hadden moeten worden en dat Brand BBA de uitvoering van de werkzaamheden door [eiseres] telefonisch heeft geaccordeerd nadat het meerwerk op 22 augustus 2005 schriftelijk bij Brand was gemeld. [gedaagde1] betwist dat Brand deze post telefonisch heeft geaccordeerd en wijst er op dat schriftelijk geaccordeerd moet worden. Dat het werk schriftelijk was aangemeld en daadwerkelijk door [eiseres] uitgevoerd betwist zij echter niet. Evenmin voert zij aan dat V&V deze werkzaamheden bij haar in rekening heeft gebracht. Onder deze omstandigheden moet deze post als meerwerk worden beschouwd waarvoor [gedaagde1] een redelijke vergoeding moet betalen. Zie ook hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen. [gedaagde1] heeft niet gemotiveerd betwist dat de in rekening gebrachte kosten redelijk zijn, zodat dit onderdeel van de vordering moet worden toegewezen. 4.20. De post lichtpunten sauna en aanvullende verlichting (post ME 11) wordt in het geheel niet onderbouwd door [eiseres]. Zij stelt slechts dat deze post in het herenakkoord was opgenomen en deze overeenkomst is ontbonden (zie 2.8 hiervoor). Dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen. 4.21. [eiseres] stelt dat de aanvulling video-intercom (post ME 17) en de buitenverlichting onder luifel (post ME 18) op 10 oktober 2005 door [gedaagde1] akkoord was bevonden en dat daarvoor op 26 november 2005 een offerte aan Brand is uitgebracht. [gedaagde1] voert aan dat Brand deze posten niet heeft geaccordeerd, maar betwist niet dat zij zelf deze post akkoord heeft verklaard. Deze posten zijn als meerwerk aan te merken. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de redelijkheid van de kosten door [gedaagde1] dient [eiseres] door deskundige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.