vonnis RECHTBANK DORDRECHT Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 76211 / HA ZA 08-2405 Vonnis van 1 april 2009 in de zaak van
(8)dagen aan uw verplichtingen te voldoen. “ 2.8. Op 22 januari 2008 heeft de rechtsbijstandverzekeraar van [eisers] een (aangetekende) brief aan [gedaagden] gestuurd. In deze brief is, voor zover relevant, het volgende opgenomen: “Daar de voornoemde waarborgsom c.q. bankgarantie niet op voornoemde datum door u is gestort/gesteld, bent u in dat kader bij brief van 29 november 2007 in gebreke gesteld. Aangezien u vervolgens geen uitvoering heeft gegeven aan de sommatie om een waarborgsom te storten c.q. bankgarantie te stellen, kom ik hierbij namens cliënten tot buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst. Conform artikel 10 lid 2 van de koopakte maken cliënten aanspraak op een boete van een bedrag van € 22.750,--.” 2.9. Het jaarinkomen van de heer [gedaagde 1] was EUR 24.300,00. 3. Het geschil 3.1. [eisers] vorderen - samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van EUR 22.750,00 vermeerderd met rente en kosten. Voorts vorderen [eisers] een verklaring voor recht dat (
- i)[gedaagden] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen voortvloeiende uit de koopovereenkomst en (
- ii)de koopovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden. Subsidiair vorderen zijn ontbinding van de koopovereenkomst. 3.2. Heppenhuis stellen daartoe dat [gedaagden] de koopovereenkomst niet zijn nagekomen. Daarop hebben [eisers] deze, na [gedaagden] in gebreke te hebben gesteld, op 22 januari 2008 ontbonden. [gedaagden] zijn op grond hiervan ingevolge artikel 10 van de overeenkomst verplicht een boete van EUR 22.750,00 aan [eisers] te betalen. 3.3. [gedaagden] voeren verweer. Zij voeren aan dat zij op 3 december 2007 via de notaris aan Poelman hebben laten weten dat de overeenkomst ontbonden was, omdat zij geen financiering hebben kunnen krijgen. Ter onderbouwing zijn er twee afwijzingsbrieven, die zijn afgegeven vóór 29 november 2007, meegestuurd. 4. De beoordeling 4.1. Kern van het geschil is of [gedaagden] een rechtsgeldig beroep op de ontbindende voorwaarde zoals vastgelegd in artikel 16.1 onder b van de koopovereenkomst hebben gedaan. 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de e-mail van 3 december 2007 tijdig, dat wil zeggen binnen de in artikel 16.3 bedoelde termijn van 5 werkdagen, is verzonden. [eisers] stellen echter dat [gedaagden] aan deze e-mail geen rechten kunnen ontlenen en dat de overeenkomst daardoor niet is ontbonden. Aangetekend 4.3. [eisers] stellen dat nu een e-mail is gestuurd en geen aangetekende brief of fax met verzendbevestiging, niet aan de formele vereisten voor het inroepen van de ontbindende voorwaarde is voldaan. Door [gedaagden] is aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om een beroep op deze formele vereisten te doen, omdat de ratio van deze vereisten is dat het bericht de verkopende partij heeft bereikt en dat hieraan is voldaan. 4.4. De strekking van de e-mail van 3 december 2007 laat aan duidelijkheid niet te wensen over. [eisers] hebben niet gesteld dat zij niet hebben begrepen dat [gedaagden] zich wilden beroepen op de ontbindende voorwaarde omdat zij de financiering niet rond konden krijgen. Vast staat dat het bericht de verkopers heeft bereikt en dat de inhoud hen duidelijk was. Daarom wordt geoordeeld dat [eisers] in redelijkheid geen beroep kunnen doen op het voornoemde formele vereiste. Inspanningsverplichting 4.5. Voorts stellen [eisers] dat [gedaagden] niet aan hun inspanningsverplichting ingevolge artikel 16.3 van de koopovereenkomst hebben voldaan, omdat zij het beroep op de ontbindende voorwaarde onvoldoende hebben gedocumenteerd. [eisers] stellen daartoe dat [gedaagden] twee afwijzingsbrieven hadden moeten overleggen en dat zij hieraan niet hebben voldaan. De brieven bij de e-mail van 3 december 2007 konden volgens hen niet als zodanig worden aangemerkt nu de ene brief betrekking had op een andere woning en de andere brief van een hypotheekadviseur en niet van een hypotheekverstrekker afkomstig was. 4.6. [gedaagden] hebben hierop gemotiveerd geantwoord dat het adres in de eerste brief een vergissing was en dat de hypotheekadviseur uit de tweede brief namens de in die brief genoemde hypotheekverstrekkers spreekt. Omdat het voorgaande door [eisers] niet is betwist, is daarmee vast komen te staan dat de brieven bij e-mail van 3 december 2009 als afwijzingsbrieven aangemerkt kunnen worden. 4.7. [eisers] stellen voorts dat deze afwijzingsbrieven zelf ook goed gedocumenteerd hadden moeten zijn. Dat de afwijzingsbrieven onderbouwd moeten zijn volgt echter niet uit de tussen partijen gesloten overeenkomst. Omdat [eisers] evenmin andere feiten of omstandigheden hebben gesteld op grond waarvan [gedaagden] hiertoe verplicht zouden zijn, wordt deze stelling gepasseerd. 4.8. Bovendien geldt dat [eisers] erkennen dat [gedaagden] op grond van enkel het inkomen van dhr. [gedaagde 1] geen hypothecaire geldlening tegen gebruikelijke condities bij een algemeen erkende geldverstrekker zouden kunnen krijgen, omdat dit zou inhouden dat dhr. [gedaagde 1] tien keer zijn jaarinkomen zou moeten lenen. Hiermee staat vast dat zelfs bij een grotere inspanning ook geen ander resultaat zou zijn behaald. Het verweer wordt derhalve verworpen. 4.9. [eisers] hebben verder nog gesteld dat [gedaagden] zich er voor hadden moeten inspannen om op enigerlei wijze (additionele) financiering van de ouders van dhr. [gedaagde 1] te verkrijgen. Nu de ouders geen partij zijn bij de koopovereenkomst en een dergelijke verplichting tevens niet anderszins uit deze overeenkomst volgt, wordt ook dit standpunt gepasseerd. Beroep op ontbindende voorwaarde in strijd met redelijkheid en billijkheid 4.10. Tot slot hebben [eisers] gesteld dat het beroep van [gedaagden] in strijd is met de redelijkheid en billijkheid omdat [gedaagden] lichtzinnig (tegen beter weten
- in)tot de koop zijn overgegaan. Kennelijk bedoelen [eisers] te stellen dat de ontbindende voorwaarde niet van toepassing is omdat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 lid 2 BW). [gedaagden] hebben dit gemotiveerd betwist. [gedaagden] hebben onbetwist aangevoerd dat zij het slachtoffer zijn geworden van de fraude van [betrokkene 1], die hen in de waan bracht dat zij de woning konden financieren. Voorts hebben zij gewezen op het (niet betwiste) feit dat dit hun eerste koopwoning was en dat zij jong en onervaren waren. [eisers] hebben hiertegenover onvoldoende gesteld om een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW te kunnen doen slagen. 4.11. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wordt geoordeeld dat [gedaagden] de overeenkomst rechtsgeldig hebben ontbonden. De vorderingen van [eisers] worden derhalve afgewezen. 4.12. [eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op: - betaald vast recht EUR 63,50 - in debet gesteld vast recht EUR 190,50 - salaris advocaat EUR 1.158,00 (2,0 punten × tarief EUR 579,00) Totaal EUR 1.412,00 5. De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen af; 5.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op EUR 1.412,00, welk bedrag ingevolge artikel 243 Rv dient te worden voldaan aan de griffier van de rechtbank Dordrecht; 5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.M. Diekman en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2009.?