RECHTBANK DORDRECHT Sector strafrecht parketnummer: 11/510456-09 [Promis] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 mei 2010 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [1984], wonende te [adres en woonplaats], thans gedetineerd in de PI Rijnmond - HvB De IJssel, te Krimpen aan den IJssel. Raadsman mr. M. van Stratum, advocaat te 's-Gravenhage. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk, achter gesloten deuren, behandeld op de terechtzitting van 4 mei 2010, waarbij de officier van justitie mr. W. ten Have, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vorderingen van de benadeelde partijen. Het slachtoffer heeft gebruik gemaakt van het spreekrecht. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De vordering wijziging tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1. primair: een diefstal met geweld heeft gepleegd door twee of meer verenigde personen; Feit 1. subsidiair: medeplichtig is geweest aan een diefstal met geweld, door twee of meer verenigde personen; Feit 2. primair: een diefstal heeft gepleegd tezamen en in vereniging met anderen, door middel van braak en met gebruikmaking van een valse sleutel; Feit 2. subsidiair: medeplichtig is geweest aan een diefstal, tezamen en in vereniging met anderen, door middel van braak en met gebruikmaking van een valse sleutel; Feit 3. primair: een poging tot diefstal met geweld heeft gepleegd met twee of meer verenigde personen; Feit 3. subsidiair: een diefstal met geweld, door twee of meer verenigde personen heeft voorbereid; Feit 4.: een diefstal met geweld door twee of meer verenigde personen heeft gepleegd; Feit 5. primair: een diefstal door twee of meer verenigde personen heeft gepleegd, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en een valse sleutel; Feit 5. subsidiair: medeplichtig is geweest aan een diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en een valse sleutel; Feit 6.: voorwerpen voorhanden heeft gehad die lijken op vuurwapens; Feit 7.: een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad. 3 De voorvragen De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen. De ontvankelijkheid van de officier van justitie. De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging nu er tijdens de verhoren door verbalisanten ontoelaatbare druk op verdachte is uitgeoefend. Zo zou, als verdachte niet zou bekennen, - er gedreigd zijn dat de kinderen uit huis geplaatst worden; - zijn vriendin [naam vriendin], zijn zus en zijn broer opgepakt worden; - zijn vriendin [naam vriendin] verteld worden dat hij vreemd ging; - de moordzaak van zijn moeder opzettelijk in de doofpot gestopt worden. Volgens de raadsman is verdachte ook meegedeeld (in strijd met de waarheid) dat de medeverdachten reeds alles bekend hadden. Ook zou verdachte tijdens het verhoor hebben mogen blowen. De verbalisanten zouden verdachte een gevangenisstraf van maximaal twee jaar hebben beloofd, als hij zou bekennen. Doordat de officier van justitie een veel hogere straf vraagt handelt hij daarmee in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Voorts heeft de raadsman bepleit dat er strafvermindering moet volgen nu het Openbaar Ministerie misbruik heeft gemaakt van de aangevraagde machtiging gegevensverstrekking op basis van artikel 126nd Wetboek van Strafvordering. De machtiging was niet langer relevant in het kader van de opsporing en vervolging van verdachte, nu er voldoende bewijs was in zijn zaak. De machtiging is volgens de raadsman alleen aangevraagd om een lek in de politieorganisatie op te sporen. Daarmee is de bevoegdheid misbruikt en is er sprake van schending van de beginselen van goede procesorde. Ook geeft hij aan dat artikel 126nd in het kader van het financieel onderzoek is opgenomen in het Wetboek van Strafvordering. Daarom had dit artikel ook niet gebruikt mogen worden in het kader van dit onderzoek. De rechtbank overweegt als volgt. De verdachte en zijn raadsman hebben beiden aangegeven dat verdachte staat voor de inhoud van zijn verklaringen, afgelegd onder druk of niet. Ook is verdachte niet gaan bekennen onder deze druk, zo verklaart hij zelf ter terechtzitting. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het door de raadsman gestelde omtrent het optreden van de verbalisanten, wat daar overigens van zij, niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging. Immers is verdachte niet in zijn belang geschaad, nu er geen beïnvloeding van zijn verklaringen heeft plaatsgevonden. Dit verweer van de raadsman wordt verworpen en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte. De rechtbank overweegt nog dat de bevoegdheid van artikel 126nd Wetboek van Strafvordering is toegepast in het belang van het onderzoek. Weliswaar was er in de zaak van verdachte voldoende bewijs voorhanden, in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] was dat niet het geval. Er is dan ook geen schending van de beginselen van een goede procesorde. Voorts valt artikel 126nd Wetboek van Strafvordering sinds 2006 niet meer binnen het kader van het strafrechtelijk financieel onderzoek. De rechtbank passeert dan ook het verweer van de raadsman, zal de officier ontvankelijk verklaringen in de vervolging en zal met deze omstandigheden geen rekening houden bij het opleggen van de straf. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft voor het onder 1. primair tenlastegelegde feit tot vrijspraak gerekwireerd omdat er geen sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking. Het onder 1. subsidiair tenlastegelegde kan zijns inziens wel wettig en overtuigend bewezen worden. Het onder 2. primair tenlastegelegde kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden omdat verdachte zich samen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan een inbraak bij Wow en Panos. Er is volgens hem sprake van een bewuste en nauwe samenwerking. Ten aanzien van het derde feit heeft de officier van justitie primair tot vrijspraak gerekwireerd omdat er geen sprake is van een poging, het onder 3. subsidiair tenlastegelegde kan volgens hem wel wettig en overtuigend bewezen worden. Feit 4. kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden. Volgens hem is er bij feit 5. sprake van een bewuste en nauwe samenwerking en kan dus het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen worden. Ook feit 6 en 7 kunnen wettig en overtuigend bewezen worden. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van beide onder 1. tenlastegelegde varianten. Ten aanzien van het tweede feit, heeft hij vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. Voorts heeft hij vrijspraak bepleit voor feit 3. primair en een deelvrijspraak voor het tenlastegelegde bestanddeel "geweld en bedreiging met geweld" van het onder 3. subsidiair tenlastegelegde. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van de feiten 4. en 6. Ten aanzien van het vijfde feit heeft hij vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. Wat betreft het onder 7. tenlastegelegde, heeft de raadsman aangevoerd dat het om een kapot stroomstootwapen gaat, zodat niet gezegd kan worden dat door een elektronische stroomstoot personen weerloos gemaakt kunnen worden of pijn kan worden toegebracht. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 1. primair kan volgens zowel de officier van justitie als de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen worden. Ook de rechtbank is van oordeel dat het onder 1. primair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij tezamen en in vereniging met anderen een diefstal met geweld op 6 juni 2009 te Dordrecht bij de heer [slachtoffer 1] heeft gepleegd. Verdachte heeft bekend dat hij de tip heeft gegeven dat er geld te halen was bij de heer [slachtoffer 1] maar heeft ontkend dat hij zelf aanwezig is geweest bij de diefstal met geweld. Ook uit de omschrijving van de daders uit de aangifte blijkt niet dat verdachte aanwezig is geweest bij de diefstal met geweld. Van een gezamenlijke uitvoering is dus geen sprake. Het enkel geven van inlichtingen, twee weken voor de daadwerkelijke diefstal met geweld plaats vond, en de toezegging van een beloning voor deze inlichtingen, is onvoldoende om te kunnen spreken van een intensieve samenwerking, zoals voor medeplegen door de Hoge Raad geëist wordt. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair tenlastegelegde. Het subsidiair tenlastegelegde kan wel wettig en overtuigend bewezen worden. Vast is komen te staan dat op 6 juni 2009 te Dordrecht een diefstal heeft plaats gevonden waarbij geweld is gebruikt tegen de aangever. Deze diefstal met geweld is gepleegd door twee verenigde personen. Aangever mist een bedrag van € 9.000,-- ,wat kleingeld, verschillende passen en 2300 Indiase rupees. Aangever heeft door het incident onder andere pijn aan de borst, rug en rechterschouder en er zijn kneuzingen geconstateerd. Verdachte heeft verklaard dat [bijnaam medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] de overval bij zijn schoonvader hebben gepleegd. [bijnaam medeverdachte 3] heeft hem onder andere verteld dat ze een gitaar en een televisie mee wilden nemen en dat [bijnaam medeverdachte 3] aangever heeft geslagen die onverwachts binnenkwam. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij [bijnaam medeverdachte 3] wordt genoemd, maar sommigen noemen hem [bijnaam medeverdachte 3] of [bijnaam medeverdachte 3]. De rechtbank gaat er daarom van uit dat met "de [bijnaam medeverdachte 3]" en "[bijnaam medeverdachte 3]" verdachte wordt bedoeld. Verdachte heeft ten behoeve van deze diefstal met geweld inlichtingen verschaft aan [bijnaam medeverdachte 3]. Hij heeft doorgegeven dat aan de [adres] te Dordrecht een man met half lang haar zou wonen die veel geld zou hebben. Verdachte zou 25% van het buitgemaakte geld krijgen. Omdat de opbrengst tegenviel volgens de medeverdachten, heeft verdachte zijn tipgeld niet meer opgeëist. Verdachte heeft zo willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat er een diefstal zou plaats vinden bij zijn schoonvader. Volgens vaste jurisprudentie mag, indien de pleger verder gaat dan datgene waarop de opzet van de medeplichtige was gericht, het hele delict met betrekking tot de medeplichtige wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Daarom oordeelt de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte medeplichtig is geweest aan de diefstal met geweld. In de strafoplegging zal de rechtbank rekening houden met waar het opzet van verdachte op gericht was. Ten aanzien van het tweede feit is de rechtbank van oordeel dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is. Vaststaat dat in de nacht van 22 op 23 juni 2009 een inbraak is gepleegd bij een bedrijf, genaamd Panos en bij het daaraan gelegen bedrijf, genaamd Wow. Bij deze inbraak is de toegangsdeur open gewrikt en hebben de daders een buit meegenomen van € 1170,-. Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 4] heeft ingebroken en dat hij inlichtingen heeft verschaft over het geld dat er zou liggen en hoe hij het beste binnen kon komen. Voorts heeft hij aangegeven dat de sleutels bij de kassa lagen en heeft hij ze weg laten halen door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2]. Hij heeft ze zelf zo neergelegd dat ze meegenomen konden worden. Verdachte heeft verklaard dat hij € 300,- a € 400,- zou krijgen voor deze inbraak. In de nacht van de inbraak heeft hij de sleutels terug gehad van [medeverdachte 4]. De rechtbank stelt vast dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 4]. Verdachte heeft precies uitgeduid hoe [medeverdachte 4] binnen kon komen, waar het geld lag en wanneer er het meeste geld lag. Verdachte is niet mee geweest met de inbraak, maar in de nacht van de inbraak heeft [medeverdachte 4] de sleutels teruggebracht bij verdachte, waaruit blijkt dat verdachte zeer nauw bij de inbraak en het tijdstip van de inbraak betrokken was. Tevens blijkt uit de beloning van verdachte dat hij volwaardig meedeelde in de buit. Hij ontving een derde van de buit, bij een inbraak waar drie verdachten bij betrokken zijn. Door zijn medeverdachten werd hij aldus ook als een volwaardig medepleger gezien. Het onder 2. tenlastegelegde feit is wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank spreek verdachte vrij van het onder 3. tenlastegelegde feit. Aan verdachte is tenlastegelegd dat zij tezamen en in vereniging met anderen een poging tot diefstal met geweld op 21 juni 2009 te Zwijndrecht bij de heer [slachtoffer 2] heeft gepleegd. Om een poging tot diefstal te plegen dient de poging wettig en overtuigend bewezen te worden. In het onderhavige geval is er geen sprake van een poging tot diefstal, wel werden enige voorbereidingen daartoe getroffen. Op basis van de bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld kan echter niet vastgesteld worden dat er sprake is van een begin van uitvoering die naar haar uiterlijke verschijningsvorm gericht is op het voltooien van het misdrijf. Immers, de medeverdachten hebben zich wel naar de hoofdingang van het gebouw begeven, waarin het huis van de heer [slachtoffer 2] zich bevond, maar zijn niet in het gebouw gekomen, en - dus - ook niet in de het huis van de heer [slachtoffer 2]. Nu er geen poging tot diefstal met geweld is geweest, kan feit 3. primair niet wettig en overtuigend bewezen worden. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 3. primair tenlastegelegde. De rechtbank acht feit 3. subsidiair wettig en overtuigend bewezen gelet op: - de bekennende verklaring van medeverdachte [medeverdachte 5] afgelegd bij de politie d.d. 7 november 2009; - de bekennende verklaring van medeverdachte [medeverdachte 5] afgelegd bij de politie d.d. 8 november 2009; - de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 6] afgelegd bij de politie; - de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie. Bewijsoverweging: Dat de voorbereidingen gericht waren op een diefstal vergezeld met geweld door twee of meer verenigde personen blijkt uit het feit dat men de diefstal wilde plegen op een moment dat de aangever thuis was. Verdachte moest mee om het vertrouwen van de aangever te wekken, omdat zij een blanke vrouw is, zodat aangever de deur voor haar zou openen. Toen de aangever niet opendeed is men onverrichter zake weer teruggekeerd. Uit het handelen van de verdachten en de verklaring van medeverdachte blijkt dat aangever zelf de deur open moest doen. De rechtbank concludeert dat verdachten, doordat hij thuis aanwezig moest zijn, niet anders dan door geweld of bedreiging met geweld tegen aangever de inhoud van de kluis konden stelen. De rechtbank acht feit 4. wettig en overtuigend bewezen gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie d.d. 28 oktober 2009; - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie d.d. 28 oktober 2009 - het proces-verbaal van aangifte d.d. 30 juni 2009; - het proces-verbaal van verhoor van de aangever d.d. 30 juni 2009. Ten aanzien van feit 5. overweegt de rechtbank als volgt. Vast is komen te staan dat op 28 september 2009 een inbraak heeft plaats gevonden in het winkelpand van Vero Moda te Dordrecht, waarbij een geldbedrag is weggenomen. De toegangsdeur van glas is ingegooid met een fietsenrek. De kluisdeur stond open en de sleutel van de kluis stak in het slot. De kluis was op 27 september goed afgesloten en de sleutel lag op een kast in het kantoor. Verdachte heeft de inbraak geïnitieerd en voorbereid. Gedurende een langere periode heeft hij medeverdachte [medeverdachte 5] uitgehoord en haar gevraagd beelden te maken van de kluis en het interieur van het pand. Deze beelden heeft hij doorgegeven aan zijn medeverdachte die de overval daadwerkelijk heeft gepleegd. Verdachte verklaart ook zelf dat hij beelden heeft gemaakt in Vero Moda. Deze beelden heeft hij doorgegeven aan [medeverdachte 2], die de inbraak volgens hem heeft gepleegd. Ook heeft verdachte geld voor de inbraak gehad, de dag na de overval, zo blijkt uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 5]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is geweest van een volwaardige rol van verdachte bij dit feit, waarbij hij bewust en nauw heeft samengewerkt met medeverdachte [medeverdachte 2]. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 5. primair tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank acht feit 6. wettig en overtuigend bewezen gelet op: - het proces-verbaal van doorzoeking d.d. 27 oktober 2009; - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie d.d. 13 november 2009; - het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 oktober 2009; - het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 oktober 2009; - het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 november 2009. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 7. tenlastegelegde feit. De rechtbank overweegt dat, nu er geen reden is om te twijfelen aan de verklaring van de verdachte dat het stroomstootwapen niet functioneert, het geen voorwerp is waarmee personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht. Het tenlastegelegde kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen worden. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. SUBSIDIAIR: [medeverdachte 3], op 06 juni 2009 te Dordrecht, tezamen en in vereniging, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit een woning gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een geldbedrag en/of passen, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan een andere deelnemer van voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld hierin bestond uit het slaan en duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 15 mei 2009 tot en met 06 juni 2009 te Dordrecht, althans in Nederland opzettelijk inlichtingen heeft verschaft door aan die [medeverdachte 3], (middellijk danwel onmiddellijk) de informatie verschaft - dat die [slachtoffer 1] over een aanzienlijk geldbedrag beschikte (in zijn woning) en - hoe het signalement van die [slachtoffer 1] luidde 2. op 22 juni 2009 en/of 23 juni 2009 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijfspand heeft weggenomen geldbedragen, toebehorende aan WOW en Panos, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en deweg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van - braak en - een valse sleutel, zijnde een niet voor gebruik door hem, verdachte, en zijn mededader bestemde sleutel; 3. SUBSIDIAIR: in de periode van van 20 juni 2009 tot en met 21 juni 2009 te Zwijndrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met ander ter voorbereiding van het misdrijf diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, , opzettelijk een voertuig en een breekvoorwerp en een slijptol en herkenningsbemoeilijkende kleding (een pet ) een vuurwapen bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad; 4. op 27 juni 2009 te Zwijndrecht tezamen en in vereniging met een ander , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag en documenten en sieraden, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld bestond uit het slaan en stompen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2]; 5. hij op 28 september 2009 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een winkelpand heeft weggenomen een geldbedrag, in toebehorende aan Vero Moda, waarbij zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, en gebruik van een valse sleutel, namelijk door een (glazen) deur kapot te maken en door onbevoegd gebruik te maken van een (kluis)sleutel 6. op 27 oktober 2009 te Dordrecht wapens van categorie I onder 7°, te weten een balletjespistool (US Military, MIL 233560) en een balletjespistool (Jin Peng, JP 930) en een gasdrukpistool (Beretta), zijnde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonden met vuurwapens voorhanden heeft gehad; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: 1. SUBSIDIAIR: MEDEPLICHTIGHEID AAN DIEFSTAL, VERGEZELD EN GEVOLGD VAN GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL GEMAKKELIJK TE MAKEN EN OM BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD, AAN ZICHZELF DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN. 2. DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS DES MISDRIJFS HEEFT VERSCHAFT EN DE WEG TE NEMEN GOEDEREN ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN BRAAK EN VALSE SLEUTELS. 3. SUBSIDIAIR: VOORBEREIDINGEN AAN DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN, VERGEZELD OF GEVOLGD VAN GEWELD OF BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL GEMAKKELIJK TE MAKEN, OF OM, BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD, AAN ZICHZELF HETZIJ DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, HETZIJ HET BEZIT VAN HET GESTOLENE TE VERZEKEREN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN. 4. DIEFSTAL, VERGEZELD VAN GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN. 5. DIEFSTAL, DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS DES MISDRIJFS HEEFT VERSCHAFT EN DE WEG TE NEMEN GOEDEREN ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN BRAAK EN VALSE SLEUTELS. 6. HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 13, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, MEERMALEN GEPLEEGD. 6 De strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7 De strafoplegging 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat er strafvermindering moet volgen nu het Openbaar Ministerie misbruik heeft gemaakt van de aangevraagde machtiging gegevensverstrekking op basis van artikel 126nd Wetboek van Strafvordering. De machtiging had niet aan gevraagd moeten worden omdat er al voldoende bewijs was in de zaak tegen verdachte. De machtiging is volgens de raadsman alleen aangevraagd om een lek in de politieorganisatie op te sporen. Zijns inziens staat artikel 126nd in het kader van het financieel onderzoek. Daarom had het ook niet gebruikt mogen worden in het kader van dit onderzoek. Voorts heeft de raadsman gesteld dat verdachte niet zelf geweld heeft toegepast bij feit 4. en dat ook niet heeft gewild. Ook zou verdachte onder druk en bedreigingen gehandeld hebben. Hij wijst voorts nog op het feit dat verdachte nauwelijks relevante en recente antecedenten heeft en op de positieve proceshouding van verdachte. Ook dient zijns inziens het feit dat verdachte onevenredig lang in beperkingen is geweest en een zwaarder detentieregime ondergaat mee te wegen in de strafmaat. 7.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft een vijftal vermogensdelicten gepleegd en heeft een drietal nepvuurwapens in bezit gehad. Verdachte heeft met een medeverdachte een zeer brute overval gepleegd op een weerloze oude man, die moeilijk liep. Daarbij is grof geweld gebruikt: het letsel van de slachtoffer bestaat uit bloeduitstortingen over het hele gezicht, een gebroken oogkas en een gebroken neus. Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer in de gang heeft zien liggen, gorgelend, in een grote plas bloed. Het slachtoffer, dat licht dementerend was maar nog op zichzelf woonde, is na het gebeurde sterk achteruitgegaan en heeft niet meer zelfstandig gewoond. Er is door verdachte en zijn medeverdachte een som geld en enkele sieraden buit gemaakt. Wat dit delict des te erger maakt, is het feit dat verdachte gebruik heeft gemaakt van informatie van een thuishulp van het slachtoffer. Verdachte heeft dit feit overigens al eerder willen plegen, toen is het echter slechts bij voorbereidingen gebleven. Dit laatste feit is aan verdachte apart tenlastegelegd en daar zal verdachte straf voor ontvangen. Dergelijke feiten veroorzaken veel maatschappelijke onrust, hebben onherstelbare sporen bij het slachtoffer achtergelaten en dienen daarom zwaar bestraft te worden. Ook heeft verdachte inlichtingen verschaft aan zijn mededaders over de aanwezigheid van geld bij zijn schoonvader en het adres waar zijn schoonvader woont. De medeverdachten hebben vervolgens geld gestolen, en de schoonvader, die net thuis kwam, geslagen en geduwd. Dat verdachte, op een dergelijke, gewetenloze wijze, directe familie laat bestelen is zeer verwerpelijk. Dit feit bevindt zich in dezelfde categorie als de eerder besproken feiten, zij het dat verdachte nu alleen medeplichtig was. De rechtbank rekent verdachte dit feit dan ook zwaar aan. Overigens zal de rechtbank rekening houden bij het opleggen van de straf met het feit dat verdachte niet kon voorzien dat geweld toegepast werd en dat verdachte dit ook niet gewild heeft, zo blijkt uit zijn verklaringen. De feiten 2. en 5. die aan verdachte zijn tenlastegelegd en bewezen verklaard betreffen inbraken waarbij verdachte medepleger is geweest. Verdachte heeft inlichtingen verschaft over de hoogte van de buit, de sleutel klaargelegd en tips gegeven over hoe de inbraak plaats moest vinden, zodat een medeverdachte in kon breken in de winkel van zijn vriendin. Vervolgens heeft hij zelf aangifte van deze inbraak gedaan. Bij de diefstal uit het winkelpand van Vero Moda heeft verdachte ook een belangrijke rol gespeeld. Door misbruik te maken van de relatie die hij had met een medewerkster van deze winkel, heeft hij informatie verkregen over de aanwezigheid van geld, de plaats van dit geld en de sleutel van de kluis. De medewerkster van deze winkel (die ook medeverdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.