RECHTBANK DORDRECHT Sector strafrecht parketnummers: 11/500508-09 en 11/710458-09 (gevoegd) [Promis] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 juni 2010 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [1974], wonende te [adres en woonplaats], thans gedetineerd in de PI Zuid West - De Dordtse Poorten, te Dordrecht, (hierna: verdachte). Raadsvrouw Mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 juni 2010, waarbij de officier van justitie mr. L. Visser, de verdachte en zijn raadsvrouw hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij. Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. De rechtbank heeft de feiten die in de dagvaardingen zijn opgenomen, van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1(parketnummer11/500508-09) (primair) op 6 december 2009 te Dordrecht (samen met een ander) geprobeerd heeft [benadeelde partij 1] met opzet en voorbedachte rade van het leven te beroven, door haar met brandbare vloeistof te overgieten en in brand te steken; (subsidiair) op 6 december 2009 te Dordrecht die [benadeelde partij 1] opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door haar opzettelijk met brandbare vloeistof te overgieten en in brand te steken; Feit 2 (parketnummer 11/710458-09) op 2 januari 2009 te Dordrecht [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door haar een of meer keren in het gezicht te slaan en/of van de trap te duwen, waardoor zij pijn en/of letsel heeft ondervonden; Feit 3 (parketnummer 11/710458-09) op 2 januari 2009 te Dordrecht opzettelijk tegen de auto van [benadeelde partij 3] is gesprongen, waardoor de auto is beschadigd. 3 De voorvragen De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie Feit 1 De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit, poging tot moord, wettig en overtuigend bewezen en baseert zijn standpunt op de volgende bewijsmiddelen: - De aangifte en aanvullende verklaringen van aangeefster [benadeelde partij 1] (hierna: aangeefster) met de daarbij behorende foto's. - De verklaring van [medeverdachte] (hierna: medeverdachte), die in haar laatste verklaring bij de politie een voor verdachte belastende verklaring heeft afgelegd. - De getuigenverklaringen van [getuige 1], arrestantenverzorger [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4]; - De processen-verbaal van bevindingen, waarin wordt gerelateerd dat aangeefster [benadeelde partij 1] tegen de verbalisanten heeft gezegd dat zij door verdachte, wonende aan de [adres], in brand is gestoken en waarin voorts wordt vermeld dat verdachte en medeverdachte in de betreffende woning zijn aangetroffen. - De vroeghulprapportage van 9 december 2009, waarin staat dat verdachte heeft verklaard betrokken te zijn bij het misdrijf. De Hoge Raad heeft bepaald dat een vroeghulprapport niet voor het bewijs mag worden gebruikt, omdat de reclasseringsmedewerker vanwege zijn hulpverleningsrelatie een beperkt verschoningsrecht toekomt. De officier van justitie is echter van mening dat de reclasseringsmedewerker in een vroeghulprapport als voorlichter optreedt en hem daarom geen verschoningsrecht toekomt. Daarnaast heeft verdachte uitdrukkelijk ingestemd en toestemming verleend om de gespreksaantekeningen in een rapport op te nemen. Het vroeghulprapport kan, volgens de officier van justitie, in deze zaak dan ook wel als bewijs dienen. - Het proces-verbaal van bevindingen, waarin wordt gerelateerd dat de in het reclasseringsrapport genoemde daderwetenschap niet door de verbalisanten aan de verdachte is verteld Om de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster te onderbouwen, heeft de officier van justitie een aantal ondersteunende bewijsmiddelen voorgedragen. Het gaat daarbij om de deskundigenrapportage van de heer Horselenberg en zijn bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring. Deskundige Horselenberg heeft aangegeven dat de verklaringen van aangeefster op sommige punten wisselend zijn, maar grotendeels overeenstemmen en dat aan die verklaringen de hoogste mate van betrouwbaarheid kan worden toegekend. Dat aangeefster op het moment van de brandstichting een gat in haar geheugen heeft gehad of in een psychose verkeerde, is nergens uit gebleken. Verder komen de verklaringen van aangeefster overeen met wat de medeverdachte heeft verklaard. Verder heeft de officier van justitie ook op de volgende bewijsmiddelen gewezen: - Het proces-verbaal van bevindingen, waarin is gerelateerd dat op een tweetal spijkers een stukje stof te zien was. Dit ondersteunt de verklaring van aangeefster die heeft verklaard dat verdachte een aan de spijkers hangende handdoek met kracht van de spijkers heeft afgerukt. - Het proces-verbaal van bevindingen, waarin is gerelateerd dat aangeefster een kamer had geregeld bij verdachte aan de [adres] te Dordrecht. - De NFI letselrapportage van 12 mei 2010, waarin een tweetal scenario's wordt geschetst, wat de mogelijke oorzaak is dat aangeefster verbrand is. Het eerste scenario houdt in dat aangeefster zichzelf heeft overgoten met een brandversnellende stof en vervolgens in brand heeft gestoken en het tweede scenario houdt in dat een ander aangeefster heeft overgoten en in brand gestoken. In het tweede scenario is niet goed te verklaren waarom alleen de handrug van de rechterhand, en niet de handpalm, is verbrand. De officier van justitie is van oordeel dat dit laatste is te verklaren door het feit dat, zoals aangeefster heeft verklaard, dat terwijl zij in brand stond, zij haar telefoon uit een zak aan de linkerkant van haar broek heeft gepakt. De deskundige van het NFI kende deze informatie niet ten tijde van het opstellen van de rapportage en aangeefster heeft deze verklaring afgelegd, voordat dit scenario in de NFI rapportage was geschetst. De officier van justitie heeft gesteld dat op grond van de genoemde bewijsmiddelen en op basis van de door aangeefster afgelegde verklaring, het niet aannemelijk is dat aangeefster zichzelf heeft overgoten en in brand heeft gestoken. - De NFI rapportage van 22 februari 2010, waaruit blijkt dat op en in de schoenen van verdachte terpentine en wasbenzine is aangetroffen. De officier van justitie vindt het onbegrijpelijk dat verdachte zich niet heeft uitgelaten over zijn mogelijke betrokkenheid bij dit incident en zich niet meewerkend heeft opgesteld. Als verdachte stelt dat iemand anders dit misdrijf heeft gepleegd en hij dus onterecht vastzit, mag juist verwacht worden dat verdachte zou meewerken. De bewijsmiddelen winnen, in de ogen van de officier van justitie, door de weigerachtige houding van verdachte aan kracht. Feit 2 De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor de mishandeling, omdat aangeefster [benadeelde partij 2] wisselend verklaard heeft. Daarnaast zijn er geen getuigen die de mishandeling hebben gezien en bevat het dossier geen ander ondersteunend bewijs. Feit 3 De officier van justitie is van mening dat de aan verdachte ten laste gelegde vernieling van de personenauto van aangeefster [benadeelde partij 3] (hierna: aangeefster) wettig en overtuigend bewezen is. De officier van justitie heeft zijn standpunt gebaseerd op de verklaringen van verdachte, aangeefster en de getuigenverklaring van [getuige 5]. 4.2 Het standpunt van de verdediging Feit 1 De raadsvrouw heeft primair betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot moord of doodslag omdat volgens de raadsvrouw het bewijs ontbreekt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde. Subsidiair moet verdachte worden vrijgesproken van poging tot moord, aangezien de voorbedachte rade ontbreekt en eerder sprake zou zijn van een directe hevige gemoedsbeweging. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster en de medeverdachte inconsistent zijn en niet met elkaar overeenstemmen. De verklaringen van aangeefster zouden op sommige punten onjuist zijn. Dit komt volgens de raadsvrouw door de psychiatrische en verslavingsproblematiek van beide vrouwen. Ook zijn aangeefster en de medeverdachte door de politie suggestief verhoord en daarmee in een bepaalde richting gestuurd. De medeverdachte heeft er volgens de raadsvrouw belang bij om belastend ten opzichte van verdachte en ontlastend ten aanzien van zichzelf te verklaren. De raadsvrouw acht het mogelijk dat aangeefster ten onrechte verdachte heeft belast omdat zij ten tijde van de brand in een psychose verkeerde door de brandstichting die even daarvoor had plaatsgevonden. Ook is het mogelijk dat aangeefster door die eerdere brand, voordat zij in brand werd gestoken, een gat in haar geheugen heeft gehad. De raadsvrouw stelt zich verder op het standpunt dat het reclasseringsrapport, volgens jurisprudentie van de Hoge Raad, niet als bewijsmiddel mag worden gebruikt. Daarnaast is de verdediging niet in staat geweest de reclasseringsmedewerker, die het rapport heeft opgesteld, te horen. Uit de NFI rapportage van 22 februari 2010 blijkt dat op en in de schoenen van verdachte terpentine is aangetroffen. Volgens de raadsvrouw wordt terpentine ook in schoensmeer gebruikt en toont dit feit niets aan over de betrokkenheid van verdachte bij dit feit. Verder heeft de raadsvrouw betoogd dat aan het NFI letselrapport van 12 mei 2010 veel waarde dient te worden toegekend. Volgens de raadsvrouw heeft de forensisch arts het mogelijk geacht dat aangeefster zichzelf in brand heeft gestoken. Aangeefster heeft de fles terpentine met rechts vastgehouden en de terpentine over de linkerzijde van haar lichaam gegoten en vervolgens aangestoken. Volgens de raadsvrouw wordt hiermee het letsel van aangeefster aan de rugzijde van de rechterhand verklaard. Feit 2 De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor de mishandeling van aangeefster [benadeelde partij 2]. Aangeefster heeft op verschillende momenten wisselend verklaard over wat er op 2 januari 2009 tussen haar en verdachte is voorgevallen. Deze verklaringen zijn op belangrijke punten inconsistent en om die reden onbetrouwbaar. Feit 3 De raadsvrouw heeft aangegeven zich ten aanzien van dit feit aan het oordeel van de rechtbank te refereren. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 2 Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel de mishandeling van aangeefster [benadeelde partij 2] niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank zal verdachte daarom van het onder feit 2 tenlastegelegde vrijspreken. Feit 1 Betrouwbaarheid verklaringen De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van aangeefster en de medeverdachte betrouwbaar zijn. De raadsvrouw heeft immers betoogd dat de verklaringen van aangeefster en de medeverdachte inconsistent zijn en niet met elkaar overeenstemmen. De reden dat aangeefster en de medeverdachte zo verklaren zou gelegen zijn in de door de raadsvrouw gestelde psychiatrische en verslavingsproblematiek van aangeefster en de medeverdachte. Daarnaast heeft de raadsvrouw betoogd dat de politie medeverdachte en aangeefster suggestief heeft verhoord. Om deze redenen zouden de verklaringen onbetrouwbaar zijn. Nergens is uit gebleken dat de door de raadsvrouw gestelde psychiatrische en verslavingsproblematiek bij aangeefster en medeverdachte invloed hebben gehad op de verklaringen. De rechtbank merkt op dat medeverdachte en aangeefster op sommige momenten suggestief zijn verhoord. Zij hebben echter steeds zelf en op eigen initiatief nieuwe informatie aangedragen. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verklaringen van aangeefster op sommige punten inconsistent zijn. Naar het oordeel van de deskundige Horselenberg is de eerste verklaring van aangeefster op 6 december 2009 naar alle waarschijnlijkheid waarheidsgetrouw. Hij heeft zich hierbij gebaseerd op het feit dat aangeefster feiten heeft verklaard, die na verificatie correct bleken te zijn. De deskundige wil met de term 'waarheidsgetrouw' aangeven, dat de verklaring van aangeefster de hoogste mate van betrouwbaarheid toekomt. De deskundige heeft verklaard dat aangeefster redelijk consistent heeft verklaard. De rechtbank is met de deskundige van oordeel dat de verklaringen waarheidsgetrouw en ook betrouwbaar zijn, aangezien de verklaringen op belangrijke punten en in voldoende mate consistent zijn en met elkaar overeenstemmen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat aangeefster direct ná de brand, toen de politie ter plaatse was, de naam van verdachte als dader heeft genoemd en dat niet is gebleken dat zij toen psychotisch was. De verklaringen van aangeefster stemmen inderdaad niet geheel overeen met de verklaringen van de medeverdachte (en getuige [getuige 1]). De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze verklaringen op belangrijke punten en in voldoende mate consistent en in overeenstemming zijn met elkaar. Daarom acht de rechtbank deze verklaringen betrouwbaar en kunnen ze gebruikt worden voor het bewijs. De feiten Op grond van de inhoud van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, die de rechtbank zakelijk zal weergeven. Op 6 december 2009 zijn verdachte en medeverdachte naar de schuur gegaan waar aangeefster de nacht doorbracht. In die schuur is onenigheid ontstaan. Op enig moment heeft verdachte terpentine over spullen van aangeefster gegoten en in brand gestoken. Verdachte en medeverdachte hebben daarna de schuur verlaten. Zij namen de fiets van aangeefster mee. Aangeefster heeft daarover haar ongenoegen geuit. Medeverdachte heeft verklaard dat verdachte daarna is teruggegaan naar de schuur. Medeverdachte heeft daarna verklaard: "En toen is dat met [benadeelde partij 1] gebeurd, snap je?" Aangeefster heeft verklaard dat verdachte nadat hij was weggelopen, terugkwam en op haar af 'schoot', terpentine over haar heen goot uit de fles en haar gelijk in brand stak. Aangeefster heeft verder verklaard dat verdachte haar met haar eigen aansteker in brand heeft gestoken. De rechtbank is van oordeel dat het scenario dat aangeefster zichzelf in brand heeft gestoken op grond van de bewijsmiddelen onaannemelijk is en door de inhoud van die bewijsmiddelen wordt weerlegd. Aangeefster heeft verklaard dat zij vervolgens over de grond is gaan rollen om het vuur uit te krijgen en hard heeft gegild. Doordat aangeefster haar telefoon uit haar broek heeft gehaald om de politie en ambulance te bellen, heeft zij haar hand 'gigantisch' verbrand. Getuige [getuige 3] heeft op het hulpgeroep van aangeefster 1-1-2 gebeld, aangeefster meegenomen naar zijn woning en haar onder de douche gezet. Aangeefster heeft ten gevolge van de brand zeer ernstig letsel opgelopen. Verdachte is weggelopen, nadat hij aangeefster in brand heeft gestoken. Aangeefster heeft bij het eerste contact met de politie de naam van verdachte genoemd als dader. Verdachte heeft zelf niets verklaard over de tegen hem gerichte verdenking. In de schoenen van verdachte is kookpuntbenzine aangetroffen. Ook op de spijkerbroek van verdachte zijn vluchtige stoffen aangetroffen, die van aardoliedestillaat afkomstig kunnen zijn. In de tuin bij de betreffende schuur is een witte plastic fles met opschrift 'wasbenzine' aangetroffen. In deze fles zat kookpuntbenzine. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte aangeefster met een brandversnellend middel heeft overgoten en in brand gestoken. Of dit terpentine of wasbenzine is geweest, of beide stoffen, laat de rechtbank in het midden. Vaststaat dat aangeefster door verdachte met een brandversnellend middel is overgoten. Een brandversnellend middel is ook op de broek en schoenen van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft niet verklaard hoe deze stoffen op zijn broek en schoenen terecht zijn gekomen. Op basis van alle bovenstaande feiten is de rechtbank van oordeel dat geen andere verklaring aannemelijk is, dan dat dit brandversnellend middel door dit incident op zijn kleding terecht is gekomen. Opzet en voorbedachte rade De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of verdachte opzettelijk en met voorbedachte rade heeft gehandeld. Met betrekking tot het opzet overweegt de rechtbank dat uit het feit dat verdachte aangeefster heeft overgoten met een brandversnellende stof en vervolgens in brand heeft gestoken, verdachte minst genomen met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld. Verdachte heeft even daarvoor de uitwerking gezien van brandstichting met een brandversnellend middel. Toen verdachte de spullen van aangeefster in brand stak was voor medeverdachte en aangeefster namelijk een steekvlam zichtbaar. Door aangeefster te overgieten met een brandversnellend middel en in brand te steken heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster ten gevolge van de brandwonden zou komen te overlijden. Met betrekking tot de ten laste gelegde voorbedachte rade overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de Hoge Raad, in aansluiting op eerdere jurisprudentie, in zijn arrest van 27 juni 2000, NJ 2000, 605 heeft geoordeeld, is voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Nadat verdachte van de schuur is weggelopen, is hij teruggelopen naar aangeefster. Verdachte heeft aangeefster vervolgens overgoten met een brandversnellende stof, waarna hij aangeefster in brand heeft gestoken. Verdachte heeft nadat hij de brandversnellende stof over aangeefster heeft gegoten, en voordat hij die vloeistofstof aanstak, een moment gehad waarin bezinning op zijn handelen mogelijk was. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte met opzet en voorbedachte rade heeft gehandeld. Feit 3 Getuige [getuige 5] heeft gezien dat verdachte op 2 januari 2009 met zijn knieën tegen het voorspatbord van de auto van zijn vrouw is 'geknald'. Hierdoor is in het voorspatbord een deuk ontstaan. De auto, een witte Peugeot 106 XN, stond op dat moment geparkeerd aan de Riouwstraat de Dordrecht. Aangeefster [benadeelde partij 3] heeft verklaard dat haar man heeft gezien dat verdachte over haar auto heen sprong via het rechtervoorspatbord. Verdachte heeft verklaard dat hij op 2 januari 2009 op de auto heeft geleund toen hij wilde opstaan en daarbij de auto heeft beschadigd. Uit de verklaringen van [getuige 5] en [benadeelde partij 3] begrijpt de rechtbank dat verdachte, terwijl hij sprong, de auto met zijn knieën heeft geraakt, waardoor de auto beschadigd is. Op grond van deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de auto van aangeefster heeft beschadigd. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. (primair) op 06 december 2009 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde partij 1] met (een) brandversnellend(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.