RECHTBANK DORDRECHT Sector strafrecht parketnummer: 11/510275-08 verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 april 2011 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in1968 wonende te [adres en woonplaats], hierna: verdachte. De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 31 maart 2011. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 12 april 2011. De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht. 1 De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven en zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit. 2 De voorvragen De gewijzigde dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen. De officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 3 Het onderzoek ter terechtzitting 3.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft – het ten laste gelegde onder feit 1 primair en 2 primair bewezen achtend – gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf van dertig maanden met aftrek van voorarrest. 3.2 De verdediging De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit. 4 De bewijsbeslissing 4.1 Vrijspraken 4.1.1 Feit 1 De rechtbank acht op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig voor zodanige betrokkenheid van verdachte bij – kort samengevat – het in de ten laste gelegde periode tezamen en in vereniging handelen (beroeps- of bedrijfsmatig) in hennepplanten/-stekken of henneptoppen of het aanwezig hebben daarvan. De door de officier van justitie aangehaalde getuigenverklaringen acht de rechtbank onvoldoende bruikbaar voor het bewijs. De verklaringen van de getuige [naam getuige 1]acht de rechtbank niet relevant nu deze getuige uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij geen hennepplanten/stekken heeft betrokken van/via verdachte of zijn bedrijf [bedrijfsnaam]noch dat hij henneptoppen heeft verkocht aan verdachte of zijn bedrijf [bedrijfsnaam] De verklaringen van de getuige [getuige 2]acht de rechtbank eveneens niet relevant nu uit deze verklaringen slechts blijkt dat de getuige in de betreffende periode hennepplanten/stekken heeft gekocht bij [bedrijfsnaam] De verklaringen van de getuige [getuige 3], afgelegd bij de politie, de rechter-commissaris en ter terechtzitting, acht de rechtbank onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen gebruiken. De verklaringen van de getuige [getuige 4]acht de rechtbank onvoldoende specifiek en duidelijk om te kunnen gebruiken voor het bewijs. Ook acht de rechtbank op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden voor betrokkenheid van de rechtspersoon [bedrijfsnaam]bij – kort samengevat – het tezamen en in vereniging (beroeps- of bedrijfsmatig) handelen in hennepplanten/stekken of henneptoppen of het aanwezig hebben daarvan waartoe verdachte opdracht zou hebben gegeven of waaraan hij leiding zou hebben gegeven. De rechtbank heeft ambtshalve ook geen andere bewijsmiddelen aangetroffen die tot een bewezenverklaring kunnen leiden. Verdachte zal daarom van feit 1 primair en subsidiair worden vrijgesproken. 4.1.2 Feit 2 De rechtbank acht op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig van deelname van verdachte aan – kort samengevat – een organisatie (een samenwerkingsverband) die (dat) tot oogmerk had het (beroepsmatig- of bedrijfsmatig) opzettelijk telen, bereiden, verwerken, verkopen, afleveren of verstrekken van hennepplanten. De officier van justitie heeft de betrokkenheid van verdachte met name gebaseerd op afgeluisterde telefoongesprekken, waaruit zou blijken dat verdachte een leidende rol had als organisator doordat hij contact had met leveranciers van hennepplanten en contacten onderhield met de medeverdachten [medeverdachte 1]en[medeverdachte 2], die beiden kunnen worden gekoppeld aan de [bedrijfsnaam], aldus de officier van justitie. De door de officier van justitie genoemde afgeluisterde telefoongesprekken zijn onvoldoende duidelijk en specifiek en daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat de gesprekken gaan over hennepplanten noch blijkt daaruit de rol van verdachte zoals door de officier van justitie geschetst. Ook acht de rechtbank op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden voor deelname van de rechtspersoon [bedrijfsnaam] aan – kort samengevat – een organisatie (een samenwerkingsverband) die (dat) tot oogmerk had het (beroeps- of bedrijfsmatig) opzettelijk telen, bereiden, verwerken, verkopen, afleveren of verstrekken van hennepplanten waartoe verdachte opdracht zou hebben gegeven of waaraan hij leiding zou hebben gegeven. De rechtbank heeft ambtshalve ook geen andere bewijsmiddelen aangetroffen die tot een bewezenverklaring kunnen leiden. Verdachte zal daarom van feit 2 primair en subsidiair worden vrijgesproken. 5 De beslissing De rechtbank: - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en subsidiair en 2 primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij; - heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte. Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mr. P. Joele en mr. M.A.C. Prins, rechters, in tegenwoordigheid van A. Gaal en R. van Andel, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2011. BIJLAGE 1: De gewijzigde tenlastelegging 1. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 18 januari 2010 te Schelluinen, gemeente Giessenlanden (in of nabij (een) pand(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.