ECLI:NL:RBDOR:2011:BR4859
vonnis RECHTBANK DORDRECHT Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 84438 / HA ZA 10-2001 Vonnis van 10 augustus 2011 in de zaak van 1. [EISER 1], wonende te Sliedrecht, 2. [EISER 2], wonende te Sliedrecht, 3. [EISER 3], wonende te Sliedrecht, 4. [EISER 4], wonende te Sliedrecht, 5. [EISER 5], wonende te Sliedrecht, eisers in conventie, verweerders in reconventie, advocaat mr. J.A. Jacobs, tegen 1. [GEDAAGDE 1], laatstelijk wonende te Papendrecht, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten, gedaagde in conventie, niet verschenen, 2. [GEDAAGDE 2], laatstelijk wonende te Papendrecht, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten, gedaagde in conventie, niet verschenen, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [GEDAAGDE 3], kantoorhoudende te Barendrecht, gedaagde in conventie, advocaat mr. W.W.H. de With, 4. [GEDAAGDE 4], wonende te Rio de Janeiro, Brazilië, gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. R.A. van Dijk, 5. [GEDAAGDE 5], kantoorhoudende te Papendrecht, gedaagde in conventie, niet verschenen, 6. [GEDAAGDE 6], kantoorhoudende te Papendrecht, gedaagde in conventie, niet verschenen, 7. [GEDAAGDE 7], kantoorhoudende te Papendrecht, gedaagde in conventie, advocaat mr. J.M. Schenk-Kraaijeveld, 8. [GEDAAGDE 8], kantoorhoudende te Papendrecht, gedaagde in conventie, advocaat mr. J.M. Schenk-Kraaijeveld.
Eisers in conventie zullen hierna [eisers] genoemd worden. Gedaagden in conventie zullen hierna respectievelijk [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4] en de (opvolgende) notarissen genoemd worden.
De (opvolgende) notarissen afzonderlijk zullen worden aangeduid als Stasse, Stasse en Venekamp Notarissen, Daams en Venekamp en Daams Notarissen. De door [eiseres] gevormde maatschappen zullen op dezelfde wijze worden aangeduid als in het op 8 december 2010 gewezen tussenvonnis.
De procedure in de hoofdzaak Het verloop van de procedure blijkt uit:
Ten slotte is vonnis bepaald. in het incident Het verloop van de procedure blijkt uit:
Ten slotte is vonnis bepaald.
De verdere beoordeling in de hoofdzaak in conventie de vermeerdering van eis [eiseres] hebben bij akte d.d. 24 augustus 2010 hun eis vermeerderd zoals opgenomen in het tussenvonnis d.d. 8 december 2010 onder 3.1. [eiseres] hebben deze vermeerdering van eis bij exploot d.d. 12 januari 2011 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kenbaar gemaakt. Nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij voornoemd exploot zijn opgeroepen om op 18 mei 2011 te verschijnen, is voldaan aan de termijn van betekening van tenminste drie maanden. De vermeerdering van eis is tijdig bij exploot aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kenbaar gemaakt, zodat deze ten opzichte van hen wordt toegestaan. de vordering en het verhaalsrecht van [gedaagde 4] [gedaagde 4] is bij vonnis van 8 december 2010 opgedragen te bewijzen:
Ter voldoening aan de bewijsopdracht dat [gedaagde 1] vóór het faillissement van Excellent Wood bekend was met de vordering van [gedaagde 4] heeft [gedaagde 4] stukken overgelegd. [gedaagde 4] heeft - onder meer - een kopie van een tussen hem en [gedaagde 1] op 6 januari 2005 gesloten koopovereenkomst (hierna: “de overeenkomst”) overgelegd. Hieruit blijkt dat de overeenkomst op naam is gesteld van [gedaagde 1] en dat - onder meer - is bepaald dat [gedaagde 1] aan [gedaagde 4] vóór eind maart 2005 een bedrag van € 11.000,- en vóór eind april 2005 nogmaals een bedrag van € 11.000,- diende te betalen. Nu de echtheid van de overeenkomst niet is bestreden, staat dat als niet betwist vast. [eiseres] en [gedaagde 3] hebben weersproken dat [gedaagde 1] in privé aansprakelijk is voor de vordering van [gedaagde 4], omdat volgens hen [gedaagde 1] de overeenkomst met [gedaagde 4] d.d. 6 januari 2005 zou zijn aangegaan namens en in hoedanigheid van bestuurder van Excellent Wood.
Niet is weersproken dat de overgelegde overeenkomst d.d. 6 januari 2005, de overeenkomst is uit hoofde waarvan [gedaagde 1] bij het vonnis van 20 juni 2007 is veroordeeld tot betaling van € 22.000,-. Uit de door [gedaagde 4] overgelegde kopie van het vonnis d.d. 20 juni 2007 blijkt dat het op tegenspraak is gewezen en dat het voornoemde verweer van [gedaagde 1] is verworpen. Door [eiseres] en [gedaagde 3] is geen tegenbewijs geleverd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [gedaagde 1] desondanks op goede gronden mocht menen dat niet hij maar Excellent Wood partij was bij de overeenkomst.
Op grond van het bovenstaande is [gedaagde 4] geslaagd in de bewijslevering van de onder 2.3. vermelde stelling en wordt de hypotheek van [gedaagde 3] ten behoeve van [gedaagde 4] vernietigd. Dit alles voor zover de vordering van [gedaagde 4] bij onherroepelijke uitspraak in de procedure tussen [gedaagde 4] en [gedaagde 1] komt vast te staan.
De overige door [gedaagde 4] overgelegde stukken en weersprekingen door [eiseres] en [gedaagde 3] kunnen derhalve onbesproken blijven. [gedaagde 4] heeft recht op een uitkering uit het depot, indien het vonnis d.d.
20 juni 2007 waarin zijn vordering is toegewezen onherroepelijk is en hij een verhaalsrecht heeft.
Ten aanzien van het verhaalsrecht dient beoordeeld te worden of is voldaan aan de voorwaarden voor de overgang van het door [gedaagde 4] gelegde conservatoir beslag in een executoriaal beslag. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich bij akte hierover uit te laten.
Ingevolge art. 704 Rv gaat, zodra de beslaglegger in de hoofdzaak een executoriale titel heeft verkregen en deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, het conservatoir beslag over in een executoriaal beslag, mits de verkregen titel aan de beslagene is betekend. De stelling van [gedaagde 4] dat aan deze voorwaarden is voldaan, kan niet worden gevolgd. [gedaagde 4] heeft immers niet gesteld dat de door hem verkregen executoriale titel aan [gedaagde 1] is betekend en heeft evenmin stukken overgelegd waaruit dat blijkt.
Zoals verzocht in het tussenvonnis d.d. 8 december 2010 heeft [gedaagde 4] zich uitgelaten over de stand van de procedure in hoger beroep. Volgens [gedaagde 4] heeft [gedaagde 1] een nadere bewijsopdracht gekregen, waarna het hof zal beslissen omtrent het verdere verloop van de procedure. Hieruit blijkt dat het vonnis d.d. 20 juni 2007 nog niet onherroepelijk is.
Als gevolg hiervan wordt ingevolge art. 483b Rv. de vordering van [gedaagde 4] in de rangschikking begrepen onder de opschortende voorwaarde dat de vordering van [gedaagde 4] bij onherroepelijke uitspraak in de procedure tussen [gedaagde 4] en [gedaagde 1] komt vast te staan en dat de verkregen executoriale titel is betekend aan [gedaagde 1]. De aanspraak van [gedaagde 4] op uitkering uit het depot, heeft onder voornoemde opschortende voorwaarde, dezelfde rang als de vorderingen van maatschap [1] en maatschap [2]. de vorderingen van maatschap [1] en maatschap [2] Op grond van hetgeen is overwogen in voornoemd tussenvonnis onder r.o. 4.6. zijn de primaire vorderingen ten aanzien van maatschap [1] en maatschap [2] voor toewijzing vatbaar, met in achtneming van r.o. 4.5. van voornoemd tussenvonnis en het navolgende.
De vordering en het verhaalsrecht van maatschap [1] is onder meer gebaseerd op het vonnis van de kantonrechter te Dordrecht van 5 oktober 2006 en dat van de maatschap [2] op het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 15 augustus 2007 (vgl. voornoemd tussenvonnis r.o. 2.6 tot en met 2.9). Door [eiseres] is overgelegd een berekening van de vorderingen inclusief de wettelijke rente tot 24 augustus 2010 (hierna: “de berekening”). De berekening is niet bestreden, maar kan niet worden gevolgd voor zover wettelijke rente wordt berekend over de proceskosten. De voormelde executoriale titels bieden daarvoor geen grondslag. Gesteld noch gebleken is dat tussen of door partijen is overeengekomen dat de wettelijke rente over die proceskosten uit het depot kunnen worden voldaan.
Gelet op het vorenstaande bestaat de vordering van maatschap [1] op [gedaagde 1] uit de volgende posten:
De vordering van maatschap [2] op [gedaagde 1] bestaat uit de volgende posten:
Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat de gevorderde wettelijke rente op grond van de wet niet toewijsbaar is over reeds berekende rente voor zover deze niet over een geheel jaar verschuldigd is.
Als niet weersproken staat vast dat:
Voorts erkennen Daams en Venekamp en Daams Notarissen dat zij thans depothouder zijn van de opbrengst van de verkoop van de voormalige woning van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. De vordering ten aanzien van Stasse en Stasse en Venekamp Notarissen wordt dan ook afgewezen. de verdere verdeling van het depot De stelling van [eiseres] dat de administratiekosten van de (opvolgende) notarissen uit het depot moeten worden voldaan is door de gedaagden niet weersproken, zodat dit tussen partijen vast staat. Door Daams en Venekamp en Daams Notarissen is opgemerkt dat dit geldt voor hun kosten, inclusief advocaatkosten. Die kosten zijn aan te merken als administratiekosten nu zij onlosmakelijk zijn verbonden met het beheer van het depot en gesteld noch gebleken is dat het aanhangig maken van deze procedure op enigerlei wijze door Daams en/of Venekamp en Daams Notarissen is veroorzaakt, dan wel dat partijen op andere wijze in de advocaatkosten hebben voorzien.
Uit hetgeen in voornoemd tussenvonnis onder 4.7 is overwogen volgt dat thans niet niet zeker is of het depot toereikend zal zijn om de vordering van [eiser 2] te voldoen als de onder 2.13 genoemde opschortende voorwaarde wordt vervuld. Tenzij [gedaagde 4], [eiser 2] en [gedaagde 3] anders overeenkomen, betekent dit dat hetgeen in het depot resteert na uitkering aan maatschap [1] en maatschap [2] en de voldoening van de kosten van de (opvolgende) notarissen dient te worden gereserveerd totdat duidelijk is of die opschortende voorwaarde is vervuld, dan wel is vervallen. In het geval de opschortende voorwaarde is vervuld, dient eerst de vordering van [gedaagde 4] te worden voldaan uit het depot. Het restant dient dan te worden aangewend om achtereenvolgens de vorderingen van [eiser 2] en [gedaagde 3] te voldoen. In het geval van de opschortende voorwaarde vervalt, dient het gereserveerde bedrag te worden aangewend om achtereenvolgens de vorderingen van [eiser 2] en [gedaagde 3] te voldoen.
Uit het vorenstaande volgt dat de primaire vordering ten aanzien van [eiser 2] niet kan worden toegewezen, zodat op de subsidiaire vordering dient te worden ingegaan.
Door de rangwisseling tussen de hypotheek van Van [eiseres] en de hypotheek van [gedaagde 3] heeft [eiseres] geen belang bij vernietiging van laatstgenoemde hypotheek. De daartoe strekkende vordering wordt derhalve afgewezen.
Het restant van de beheerde depotgelden zal worden verdeeld met inachtneming van hetgeen onder 2.20 en 2.21 is overwogen.
Niet ter discussie staat dat de omvang van de vordering van [gedaagde 4] wordt bepaald door het vonnis van 20 juni 2007. Deze vordering wordt derhalve begroot op € 22.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der opeisbaarheid en de kosten, in eerste aanleg begroot op € 2.821,62.
Evenmin staat ter discussie dat de omvang van de vordering van [eiser 2] wordt bepaald door het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 10 februari 2010, zoals verbeterd bij vonnis van 3 maart 2010. Gelet hierop en op de door Van [eiseres] overgelegde berekening, die niet is weersproken, wordt de vordering van [eiser 2] per 24 augustus 2010 begroot op € 9.222,65, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 7.363,17 vanaf 25 augustus 2010 tot de dag van volledige betaling, met uitzondering van de daarin opgenomen rente voor zover sedert het vervallen van die rente geen vol jaar verstreken is.
De omvang van de door [gedaagde 3] gestelde vordering van € 150.000,-, te vermeerderen met de contractuele rente daarover tot een bedrag van € 202.500,- is uitsluitend door [gedaagde 4] weersproken. Aan dit verweer kan gelet op de onder 2.21 beschreven rangschikking voorbij worden gegaan.
De subsidiaire vordering onder c om de (opvolgende) notarissen te machtigen de depotgelden overeenkomstig de door de rechtbank vastgestelde verdeling te voldoen, wordt afgewezen ten aanzien van Stasse en Stasse en Venekamp Notarissen. Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen onder 2.19 is overwogen.
De subsidiaire vordering onder c om Daams en Venekamp en Daams Notarissen te bevelen het bedrag ten aanzien van de vordering van [eiser 2] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis uit te keren, wordt afgewezen. Het moment van betaling van het aan [eiser 2] toekomende bedrag uit het depot is afhankelijk van hetgeen onder 2.21 is overwogen. Wanneer tot uitvoering van de verdere verdeling kan worden overgegaan, volgt daaruit.
In de kosten van de (opvolgende) notarissen is voorzien onder 2.20. Over hun proceskosten behoeft dan ook niet meer te worden beslist. [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten van [eiseres] worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
De rechtsgrond voor de gevorderde hoofdelijke veroordeling in de proceskosten is gesteld noch gebleken, zodat dit deel van de vordering wordt afgewezen. in reconventie Nu in conventie een eindbeslissing is genomen, zullen de eindbeslissingen die in het tussenvonnis d.d. 8 december 2010 onder 4.22 tot en met 4.25 zijn genomen in het dictum worden opgenomen. [gedaagde 4] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Van [eiseres] worden begroot op:
Het incident [eiseres] vorderen Daams en Venekamp en Daams Notarissen te machtigen, respectievelijk te gelasten bij wijze van voorlopige voorziening als voorschot uit het depot te betalen aan:
Nu in de hoofdzaak een eindvonnis wordt gewezen, hebben [eiseres] geen belang meer bij hun vordering in incident. Deze vordering wordt dan ook afgewezen. Uit hetgeen onder 2.15 tot en met 2.18 is overwogen volgt dat indien de vordering in het incident zou worden behandeld het verweer van [gedaagde 3] zou falen.
Gelet op het vorenstaande zal zowel [eiseres] als [gedaagde 3] als op enig punt in het ongelijk gesteld worden beschouwd, zodat de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat door [gedaagde 4] en de (opvolgende) notarissen in het incident geen proceskosten zijn gemaakt.
De beslissing De rechtbank in de hoofdzaak in conventie bepaalt dat uit het door Daams en Venekamp en Daams Notarissen gehouden depot aan [eiseres] ten aanzien van de vordering van maatschap [1] een bedrag van € 77.612,60 wordt betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 75.372,16 vanaf 25 augustus 2010 tot de dag der algehele voldoening, met uitzondering van de daarin opgenomen rente voor zover sedert het vervallen van die rente geen vol jaar verstreken is; bepaalt dat uit het door Daams en Venekamp en Daams Notarissen gehouden depot aan maatschap [2] een bedrag van € 16.528,68 wordt betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 13.270,37 vanaf 25 augustus 2010 tot de dag van betaling, met uitzondering van de daarin opgenomen rente voor zover sedert het vervallen van die rente geen vol jaar verstreken is; machtigt Daams en Venekamp en Daams Notarissen de door hen beheerde depotgelden te betalen overeenkomstig het bepaalde onder 4.1. en 4.2. door overboeking op bankrekening nummer 54.08.82.119 ten name van Stichting Beheer DerdenGelden Rassers advocaten te Breda; beveelt Daams en Venekamp en Daams Notarissen tot betaling aan Van [eiseres] van het onder 4.1. en 4.2. genoemde bedrag met de daarover verschuldigde rente tot de dag van voldoening binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis; beveelt [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] te gehengen en gedogen dat Daams en Venekamp en Daams Notarissen van de onder 4.3. bedoelde machtiging gebruik maken en dat de onder 4.4. genoemde betaling plaatsvindt; stelt de verdeling van het restant van de beheerde depotgelden als volgt vast: uit het depot dient achtereenvolgens te worden voldaan:
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2011.(