RECHTBANK DORDRECHT Sector strafrecht parketnummer: 11/860243-11 [Promis] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 oktober 2011 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [plaats en datum] [in] 1970, wonende te [adres en woonplaats], hierna: verdachte. Raadsman mr. G.J. van Oosten, advocaat te Amsterdam. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 7 juli 2011 en 27 september 2011, waarbij de officier van justitie mr. S. Polderman, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is ter terechtzitting van 27 september 2011 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: primair: op 28 maart 2011 te Hendrik-Ido-Ambacht heeft geprobeerd door geweld en bedreiging met geweld [aangever] te dwingen een geldbedrag af te geven en een geldbedrag van die [aangever] te stelen, althans subsidiair: op 28 maart 2011 te Hendrik-Ido-Ambacht [aangever] opzettelijk heeft mishandeld, waardoor deze pijn en letsel heeft bekomen. 3 De voorvragen De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij op: - de aangifte en de verklaringen van [aangever], bij de politie en de rechter-commissaris; - de FARR Medische Informatie/Letselbeschrijving; - een proces-verbaal van bevindingen (melding overval); - een proces-verbaal van bevindingen (bewakingsbeelden Shell station); - een proces-verbaal van bevindingen (aanhouding verdachte); - de verklaringen van getuige [getuige 1], bij de politie en de rechter-commissaris; - de verklaringen van getuige [getuige 2], bij de politie en de rechter-commissaris; - de verklaring van getuige [getuige 3]; - de verklaringen van getuige [getuige 4], bij de politie en de rechter-commissaris; - de verklaringen van getuige [getuige 5], bij de politie en de rechter-commissaris; - de verklaringen van getuige [getuige 6], bij de politie en de rechter-commissaris; - de verklaring van getuige [getuige 7]. - de verklaringen van verdachte. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd dat verdachte van het primair ten laste gelegde (beide varianten) dient te worden vrijgesproken. Verdachte beoogde noch een overval, noch een diefstal te plegen. Hij was daartoe door cocaïne, alcohol en slaapgebrek niet in staat. De rechtbank begrijpt dat de verdediging zich op het standpunt stelt dat ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde een bewezenverklaring kan volgen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Op 28 maart 2011 heeft de Regionale Meldkamer van de politie Zuid-Holland-Zuid een melding ontvangen, inhoudende dat in het AC Restaurant aan de Rijksweg A16 te Hendrik-Ido-Ambacht iemand door het lint was gegaan. Tevens kwam bij de alarmcentrale een overvalalarm binnen. In het restaurant trof de politie de assistent-manager, [aangever] (hierna: aangever), aan. Aangever verklaarde dat hij om 20.45 uur van een medewerkster had gehoord dat er een man bij de kassa stond en dat zij het niet vertrouwde. Aangever is naar de man toegelopen. Aangever zag dat de kassa verplaatst was. Op zijn vraag of er een probleem was, gaf de man geen antwoord. Hij begon direct heel hard te schelden. De man vroeg aangever op dwingende toon: "Geld, geld of anders...". De man trapte en schopte in de richting van aangever. Hij bleef vragen om geld. Hij gooide meerdere messen en vorken in de richting van aangever. Ook schopte hij aangever met een karatetrap. Aangever voelde dat de trappen in zijn zij en op zijn rug terechtkwamen. De man raakte de rechterarm van aangever meerdere keren met een trap met zijn schoen. De man bleef op dwingende toon roepen om geld. Hij pakte manden waarin fruit, mayonaise en appelmoescups lagen en gooide de gevulde manden in de richting van aangever. Hij bleef roepen: "Hier met dat geld, hier ermee". Vervolgens liep de man het restaurant uit. Aangever heeft voorts verklaard dat de man hem een klap op zijn lippen heeft gegeven. Getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) heeft verklaard dat zij om 20.40 uur een man het restaurant zag binnenkomen. De man liep direct in de richting van de kassa. Zij zag en hoorde dat de man hard tegen de zijkant van de kassa sloeg. [getuige 1] had de indruk dat de man de kassa open wilde hebben. Zij heeft aangever erbij gehaald. [getuige 1] zag en hoorde dat de man zich agressief opstelde en aangever aanviel. Zij hoorde de man roepen dat hij het geld uit de kassa wilde hebben. [getuige 1] heeft voorts verklaard dat, toen zij aangever haalde, de man aan de "foute kant" van de kassa stond, te weten bij het beeldscherm van de kassa. Zij zag toen ook dat de man probeerde kracht te zetten tegen de onderkant van het beeldscherm van de kassa. Getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2]) heeft verklaard dat zij haar collega hoorde roepen dat er een klant bij de kassa stond. Zij zag vervolgens een manspersoon achter de kassa staan. Zij zag dat hij aan de kassa stond te trekken. De man riep: "Geld, geef me het geld." [getuige 2] heeft daarop, met haar collega, aangever gehaald. [getuige 2] heeft voorts verklaard gezien te hebben dat de man in de richting van het gezicht van aangever sloeg. Zij zag dat de man met gebalde vuisten sloeg en dat hij aangever raakte. Zij zag ook dat hij meerdere keren sloeg. Getuige [getuige 5] (hierna: [getuige 5]) heeft verklaard dat hij een man zag binnenkomen en dat deze naar de kassa liep. Vervolgens zag hij dat een oudere medewerker van het AC Restaurant naar de man toeliep. [getuige 5] zag dat de man direct boos werd en dat er een soort van handgemeen ontstond. Hij hoorde de man schreeuwen: "Ik wil eten, ik wil geld!!!" De man liep daarbij telkens op de kassa af waar de medewerker bij stond. Die verdedigde met hand en tand de kassa en verhinderde daardoor dat de man er bij kon komen. De man was in de ogen van [getuige 5] duidelijk gericht op de kassa. Toen de medewerker "Help, help" riep, heeft [getuige 5] 112 gebeld en is zijn tafelgenoot [getuige 6] in de richting van de man en de medewerker gelopen. [getuige 5] had de indruk dat de man pas stopte toen hij zag en doorkreeg dat [getuige 5] ging bellen en [getuige 6] naar de man en de medewerker toekwam. Toen liep de man weg. Getuige [getuige 6] (hierna: [getuige 6]) heeft verklaard dat een man de man van het restaurant bedreigde en dat de man van het restaurant de kassa tot het uiterste verdedigde. De man zei: "ik wil geld, ik wil geld". Toen de manager om hulp vroeg, heeft [getuige 6] [getuige 5] gevraagd om te bellen. [getuige 6] is zelf omgelopen omdat hij de weg wilde afsluiten voor de man. Toen de man hem zag, nam hij snel de benen, aldus [getuige 6]. Verdachte heeft verklaard dat hij op 28 maart 2011 in het AC-restaurant aan de Rijksweg A16 in Hendrik-Ido-Ambacht is geweest. Hij heeft een bak met sinaasappelen omgetrapt en er heeft een worsteling met de manager plaatsgevonden. Daarbij heeft hij waarschijnlijk ook geslagen. Hij heeft voorts een en ander wat voorhanden was in de richting van de manager gegooid en een trappende beweging in de richting van die manager gemaakt. Getuige [getuige 3] (hierna: [getuige 3]) heeft verklaard dat hij die avond met verdachte op stap was. Hij is in de auto blijven wachten toen verdachte het AC- restaurant binnen ging. Verdachte kwam na een tijdje weer naar buiten, stapte in de auto en wilde dat [getuige 3] snel wegreed. De rechtbank overweegt als volgt. De verklaring van aangever dat verdachte om geld heeft geroepen, is bevestigd door getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 5] en [getuige 6] alsmede door getuige [getuige 4] (verklaring d.d. 5 april 2011; bijlage GE 1.4 bij het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal). Dat verdachte zou hebben gezegd: "Ik heb geld" is - voor zover daarnaar gevraagd - door geen van de getuigen bevestigd en wordt ook niet bevestigd door andere bewijsmiddelen. Verder hebben [getuige 1] en [getuige 2] verklaard dat verdachte aan de kassa zat en hebben [getuige 5] en [getuige 6] verklaard dat aangever deze kassa moest verdedigen tegen verdachte. Aangever [aangever] heeft gezien dat de kassa was verplaatst. Op grond van deze verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, staat voor de rechtbank vast dat verdachte op 28 maart 2011 in het AC Restaurant te Hendrik-Ido-Ambacht geprobeerd heeft door geweld en bedreiging met geweld aangever te dwingen om geld aan hem af te geven en dat hij geprobeerd heeft om met geweld en bedreiging met geweld bij de kassa te komen om geld weg te nemen. Deze gedragingen zijn van een dusdanige aard dat verdachte moet worden geacht beseft te hebben dat zijn handelen, als noodzakelijk en door hem gewild gevolg, met zich bracht dat hij zou worden bevoordeeld doordat hij geld zou ontvangen dan wel verkrijgen zonder dat hij daar recht op had. Voor zover de verdediging zich erop beroept dat bij verdachte sprake was van een zodanige ernstige geestelijke afwijking dat verdachte dientengevolge van elk inzicht (cursivering rb.) in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan verstoken was, wordt dit standpunt verworpen. De processtukken bieden geen aanknopingspunten dat van een dergelijke geestestoestand sprake zou zijn geweest. Dit volgt met name ook niet uit de rapporten van psychiater drs. P.C.A. van der Graaff van 29 juli 2011 en psycholoog prof. dr. J.J. Baneke van 4 september 2011, die verdachte als sterk verminderd respectievelijk als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank in dit verband dat voormelde geestestoestand ook niet volgt uit de door drs. Van der Graaff genoemde omstandigheid dat verdachte geen grip meer had op zijn handelen en nauwelijks nog grip op zijn impulsen. De omstandigheid dat verdachte kennelijk wilde voorkomen dat [getuige 6] hem zou tegenhouden en vervolgens tegen [getuige 3] heeft gezegd dat deze "snel" moest wegrijden, dat hij ruzie had gehad en iets kapot had gemaakt, levert naar het oordeel van de rechtbank juist een indicatie dat verdachte (wel) - in elk geval enig - besef had van zijn handelen en wat daarvan het noodzakelijke en door hem gewilde gevolg zou zijn. Het voorgaande brengt met zich dat naar het oordeel van de rechtbank verdachte bij zijn handelingen moet worden geacht het oogmerk te hebben gehad tot wederrechtelijke bevoordeling respectievelijk wederrechtelijke toe-eigening van een geldbedrag, terwijl hij tevens bij de/het door hem toegepaste (bedreiging met) geweld geacht moet worden het oogmerk te hebben gehad om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken. Dat verdachte geen geld nodig zou hebben, zoals hij heeft verklaard, doet daaraan niet af. Voor het hebben van een oogmerk in vorenbedoelde zin is niet bepalend of verdachte al dan niet een motief had voor zijn handelen. Het desbetreffende verweer wordt derhalve verworpen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. (primair) A. op 28 maart 2011 te Hendrik-Ido-Ambacht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, en B. op 28 maart 2011 te Hendrik-Ido-Ambacht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een geldbedrag, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, welke poging tot diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken , welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte: - op dwingende toon heeft geroepen: "Geld, geld of anders..." en - die [aangever] tegen de arm heeft getrapt en - die [aangever] (met gebalde vuist) in/tegen/op het gezicht heeft gestompt en/of geslagen en - messen en vorken en andere voorwerpen in de richting van die [aangever] heeft gegooid en - die [aangever] een zogenoemde karatetrap in/tegen de zij en de rug heeft gegeven en heeft geroepen: "Hier met dat geld, hier ermee" en- tegen de kassa heeft geslagen en aan de kassa heeft getrokken, terwijl de uitvoering van die voorgenomen misdrijven niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. 5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: (primair): Voortgezette handeling van POGING TOT AFPERSING en POGING TOT DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN. 6 De strafbaarheid van de verdachte 6.1 De rapporten van de deskundigen In het over verdachte uitgebrachte rapport van psychiater drs. P.C.A. van der Graaff van 29 juli 2011 staat onder andere het volgende vermeld: Bij betrokkene is er sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van ADHD (aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit) en van een bipolaire stemmingsstoornis met depressieve en hypomane episodes. Tevens is er sprake van misbruik van alcohol, cocaïne en XTC. Ten tijde van het tenlastegelegde was er eveneens sprake van deze ziekelijke stoornissen en was betrokkene tevens onder forse invloed van cocaïne, alcohol en andere drugs en ook nog ernstig oververmoeid. Betrokkene was gedesoriënteerd in plaats en tijd en had geen grip meer op zijn handelen en had nauwelijks nog grip op zijn impulsen. Op grond van het bovenstaande moet betrokkene als sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd voor het tenlastegelegde, mits bewezen. Het over verdachte uitgebrachte rapport van forensisch psycholoog prof. dr. J.J. Baneke van 4 september 2011 van der Graaff van 29 juli 2011 vermeldt onder andere het volgende: Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, i.c. van een bipolaire II stoornis met depressieve en manische episodes, een persoonlijkheidsstoornis met oppositionele, narcistische, borderline, achterdochtige en dwangmatige trekken, misbruik (mogelijk afhankelijkheid) van cocaïne en alcohol. Tevens zijn er psychosociale stressoren, zoals conflicten in relatie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.