Rechtbank Dordrecht – ECLI:NL:RBDOR:2012:BY4892
RECHTBANK DORDRECHT Sector civiel recht zaaknummer: 95512 / FA RK 11-8956 + 97545 / FA RK 12-7589 beschikking van de enkelvoudige kamer van 14 november 2012 in de zaak van [verzoeker], wonende te [adres verzoeker], verzoeker, advocaat mr. J.P. Verhaar-Kok te Alphen aan den Rijn, tegen [verweerster], wonende te [adres verweerster], verweerder, advocaat mr. M.J.A. van der Burg te Ridderkerk.
Partijen worden hieronder aangeduid als de man respectievelijk de vrouw.
1.2. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 3 september 2012.
1.3. Ter terechtzitting zijn verschenen:
2.2. De behandeling van de nevenverzoeken is aangehouden.
Eveneens zal nimmer verrekening plaatsvinden over een periode gedurende welke partijen gescheiden leefden van tafel en bed.
3.2. De vrouw verzoekt:
3.3. De man voert verweer en heeft verzocht de vrouw in haar verzoeken zoals hierboven vermeld niet ontvankelijk te verklaren dan wel deze verzoeken af te wijzen; de twee laatstgenoemde verzoeken dienen te worden afgewezen bij gebrek aan belang.
3.4. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover hier van belang, hieronder nader ingegaan.
Huwelijkse voorwaarden 3.5. Beoordeeld dient te worden of de akte huwelijkse voorwaarden vernietigbaar is op de door de vrouw gestelde gronden.
3.5.1. De vrouw beroept zich allereerst op dwaling. Op grond van artikel 6:228 lid 1 BW is een overeenkomst, die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar, indien een van de gevallen van lid 1 van dat artikel zich voordoet. Daartoe is allereerst vereist dat de vrouw als dwalende duidelijkheid dient te verschaffen over de toentertijd bij haar levende voorstelling van zaken en over de destijds bestaande werkelijke stand van zaken. De stellingen van de vrouw bieden hierin geen althans onvoldoende inzicht. Immers, niet is duidelijk welk huwelijksvermogensregime de vrouw (destijds) voor ogen had. Integendeel, het betoog van de vrouw betreft vooral de gang van zaken rondom het tot stand komen van de huwelijkse voorwaarden en dat zij de inhoud van de huwelijkse voorwaarden niet kende en daarmee niet wist wat de (rechts)gevolgen waren van de tussen hen opgemaakte huwelijkse voorwaarden.
Door de vrouw is aangevoerd dat partijen, voorafgaand aan het huwelijk, hebben gesproken over het opmaken van huwelijkse voorwaarden en dat deze met name bedoeld waren om het vermogen veilig te stellen bij een eventueel faillissement. Door de man is vervolgens gemotiveerd betwist, zoals door de vrouw gesteld, dat vooraf aan partijen geen concept van de akte huwelijkse voorwaarden is gezonden. Uit de akte huwelijkse voorwaarden, welke op grond van artikel 157 RV dwingende bewijskracht heeft, is vervolgens gebleken dat, voor de ondertekening van de akte, aan partijen een zakelijke opgave van de inhoud is gedaan en dat zij kennis hebben genomen van de inhoud van de akte.
Gesteld noch gebleken is dat de vrouw ten tijde van het sluiten van de huwelijkse voorwaarden van de inhoud van de akte een andere voorstelling had. De enkele stelling, zonder nadere toelichting, dat de bepalingen in de akte geen standaardbepalingen betreffen, is hiertoe onvoldoende.
Uit de door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden blijkt mitsdien niet van een discrepantie tussen de bij haar levende voorstelling van zaken destijds en de werkelijke stand van zaken op dat moment. Daar komt bij dat de vrouw jurist is. Dat zij, zoals zij stelt, werkzaam is op een hogeschool en op professioneel vlak weinig van doen heeft met huwelijkse voorwaarden dan wel huwelijksvermogensrecht, doet niet daar aan af. Van belang is dat de vrouw een bepaald denkniveau heeft. Op basis hiervan wordt zij in staat geacht om bepaalde handelingen, zoals het tekenen van een akte en de strekking en consequenties hiervan, te kunnen overzien.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de vrouw haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd om een geslaagd beroep op dwaling te kunnen doen.
3.5.2. De vrouw beroept zich voorts op artikel 3:44 BW. Er zou volgens de vrouw sprake zijn geweest van bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden. Nu de vrouw echter stelt noch onderbouwt van welk wilsgebrek sprake is geweest en voorts iedere feitelijke onderbouwing daarvan ontbreekt, wordt aan dit beroep voorbij gegaan.
3.5.3. De vrouw beroept zich, ten aanzien van de vernietiging van de akte van huwelijkse voorwaarden, tevens op de zogenaamde “Belehrungspflicht”. Dit betreft -kort gezegd- een informatieplicht van de notaris jegens partijen. Wat hier ook van zij, nu het geen verplichting betreft van de man jegens de vrouw wordt het beroep op de “Belehrungspflicht” gepasseerd.
3.5.4. Vervolgens beroept de vrouw zich er voorts op dat sprake is van een onrechtmatige daad op grond waarvan de vernietiging van de akte van huwelijkse voorwaarden zou moeten volgen. Niet gebleken is dat de handelswijze van de man, in het kader van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden, onrechtmatig is geweest jegens de vrouw. De door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden leveren geen inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, op.
3.5.5. Ten aanzien van de stelling van de vrouw, inhoudende dat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet van toepassing is omdat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, geldt het navolgende. Bij toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) dient terughoudendheid te worden betracht. In dat licht en nu de vrouw verzuimd heeft feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan de akte huwelijkse voorwaarden onaanvaardbaar zou zijn op grond van voornoemde maatstaven, wordt dit beroep verworpen.
3.5.6. In haar verzoekschrift beroept de vrouw zich ten slotte op artikel 6:258 BW. Gesteld noch gebleken is echter dat sprake is van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.
3.6. Het verzoek van de vrouw tot vernietiging van de huwelijkse voorwaarden op voornoemde gronden wordt, gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 3.5.1. tot en met 3.5.6. van deze beschikking, afgewezen. Dit betekent dat de huwelijkse voorwaarden in stand blijven. De verzoeken van de vrouw, inhoudende voor recht te verklaren dat partijen in gemeenschap van goederen gehuwd zijn, alsmede het verzoek te bepalen dat de verdeling van de gemeenschap van goederen waarin partijen gehuwd zijn op een nog nader, na ontvangst van de benodigde, door de man te overleggen, stukken en gegevens, door de vrouw te bepalen wijze zal moeten plaatsvinden, worden afgewezen, nu hiervoor geen grondslag bestaat.
Verrekening op grond van artikel 8 van de akte huwelijkse voorwaarden 3.7. Tussen partijen is in geschil of verrekening conform artikel 8 van de akte huwelijkse voorwaarden heeft plaatsgevonden. De man stelt dat ieder jaar is verrekend conform voornoemd artikel. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst de man naar de uitwerkingen huwelijkse voorwaarden over de jaren 1998 tot en met 2008, welke door de vrouw zijn overgelegd. De uitwerkingen zijn opgesteld door WEA Deltaland belastingadviseurs, de financieel adviseur van partijen tijdens het huwelijk. De vrouw heeft aangevoerd dat zij eerst in 2010 deze uitwerkingen over de voorbije jaren heeft mogen ontvangen.
Op grond van artikel 1:137 BW geschiedt een verrekening in geld dan wel, slechts voor zover de verrekening in geld naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, door inbetalinggeving van goederen. In artikel 8 lid 5 van de akte huwelijkse voorwaarden wordt eveneens uitgegaan van een uitkering in contanten, desnoods kan een betalingsregeling worden getroffen tussen partijen. Aangezien er niets is betaald of is overgedragen en er evenmin een betalingsregeling tussen partijen is getroffen, is er niet verrekend.
Gelet op het voorgaande kunnen de door de man overgelegde rapporten, waarvan overigens niet is gebleken dat de vrouw de conclusies ervan heeft onderschreven, niet worden aangemerkt als een verrekening van overgespaard inkomen.
Het verzoek van de vrouw voor recht te verklaren dat geen verrekening conform de huwelijkse voorwaarden heeft plaatsgevonden, zal worden toegewezen.
3.8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wordt voorbijgegaan aan het (bewijs)aanbod van de man, inhoudende dat hij de uitwerkingen huwelijkse voorwaarden vanaf de aanvang van het huwelijk tot aan 1998 alsnog in het geding wenst te brengen.
3.9. Aangezien niet is voldaan aan de bij huwelijkse voorwaarden periodieke verrekenplicht, wordt het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit op grond van artikel 1:141 lid 3 BW. De vrouw heeft echter geen verzoek dienaangaande gedaan, inhoudende dat aan haar een bepaald bedrag op grond van dit artikel toekomt met een onderbouwing daarvan. Evenmin is verzocht om een beschrijving van het te verrekenen vermogen op grond van artikel 1:143 BW. De door de vrouw ingediende verzoeken op grond van artikel 1:141 BW zijn niet althans onvoldoende concreet en zijn om die reden niet toewijsbaar. Deze verzoeken zullen worden afgewezen.
Eenvoudige gemeenschap 3.10. De vrouw heeft haar verzoek, betreffende de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap op een nog nader door de vrouw, na ontvangst van de door de man over te leggen benodigde stukken, aan te geven wijze, subsidiair op een nog nader vast te stellen wijze, ter zitting ingetrokken. Dit verzoek behoeft derhalve geen verdere bespreking meer.
Pensioen 3.11. In artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat de waarde van de pensioenaanspraken, voor zover deze tijdens het huwelijk zijn opgebouwd, worden verrekend met toepassing van de beginselen van redelijkheid en billijkheid. De vrouw heeft verzocht voor recht te verklaren dat de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (Wet VPS) van toepassing is en dat partijen gehouden zijn tot verevening van de pensioenen (zowel in dienstverband als in eigen beheer, waaronder vallend de F.O.R.) die tijdens het huwelijk zijn opgebouwd.
De ieder door partijen tijdens het huwelijk in loondienst opgebouwde pensioenen vallen onder de Wet VPS. Het verzoek van de vrouw wordt in zoverre toegewezen.
De pensioenen opgebouwd in eigen beheer vallen niet onder de Wet VPS en het verzoek van de vrouw dienaangaande is ongegrond. Overigens is ook niet gebleken van door de man in eigen beheer opgebouwd pensioen. Wel heeft de man gesteld dat hij gebruik heeft gemaakt van de fiscale aftrekpost Fiscale Oudedagsreserve (F.O.R.), maar van een daadwerkelijke geldelijke voorziening is, volgens de man, geen sprake.
Het verzoek ten aanzien van het pensioen in eigen beheer (waaronder vallend de F.O.R.) wordt afgewezen. Om een andere wijze van verrekening van de pensioenen, die niet onder de Wet VPS vallen, is door de vrouw niet verzocht.
Overleggen bescheiden 3.12. De vrouw heeft met een beroep op het bepaalde in artikel 21 Rv verzocht te bepalen dat de man de door haar opgesomde gegevens, welke opsomming niet limitatief is, in het geding dient te brengen. Kennelijk bedoelt de vrouw de rechtbank te verzoeken gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid ex artikel 22 Rv om de man te bevelen bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Gelet op hetgeen in de onderhavige beschikking reeds is overwogen, worden geen gronden aanwezig geacht om dit verzoek toe te wijzen. Wellicht ten overvloede wordt overwogen dat, indien en voor zover de vrouw bedoeld heeft haar verzoek te baseren op artikel 843a Rv, het verzoek daarvoor onvoldoende specifiek is gedaan (een opsomming van uitwerkingen van de akte huwelijkse voorwaarden, jaarstukken en belastingaangiften en -aanslagen is daartoe niet toereikend) en bovendien onvoldoende is toegelicht.
Proceskosten 3.13. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen (ex-echtelieden) compenseren.
4.1. verklaart voor recht dat tussen partijen tijdens het huwelijk geen verrekening conform de akte huwelijkse voorwaarden heeft plaatsgevonden;
4.2. verklaart voor recht dat de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding van toepassing is op de door partijen in loondienst opgebouwde pensioenen en dat partijen tot toepassing hiervan dienen over te gaan;
4.3. compenseert de proceskosten zodat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt;
4.4. wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.F.A.J.M. Haerkens-Wouters en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 14 november 2012.