RECHTBANK DORDRECHT Sector kanton Locatie Dordrecht kenmerk: 297343 CV EXPL 12-2485 vonnis van de kantonrechter te Dordrecht van 27 december 2012 in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intrum Justitia Nederland B.V., gevestigd te ‘s-Gravenhage, eiseres, gemachtigde mr. P.J.L.M. Guinée, tegen: [naam], wonende te [plaatsnaam], gedaagde, gemachtigde mr. W.A. Berghuis. Partijen worden hierna aangeduid als Intrum Justitia en [gedaagde]. Verloop van de procedure De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken: 1. de dagvaarding van 12 maart 2012; 2. de conclusie van antwoord; 3. de conclusie van repliek; 4. de conclusie van dupliek; 5. het tussenvonnis van 15 november 2012, waarin een comparitie van partijen is bepaald; 6. de aantekening van de griffier dat de comparitie van partijen is gehouden op 19 december 2012; 7. de tijdens de comparitie overgelegde stukken aan de zijde van Intrum Justitia, te weten een leesbaar afschrift van het contract mobiele telefoonaansluiting en een memo report van Vodafone; 8. de overgelegde producties. Omschrijving van het geschil 1. De feiten 1.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast. 1.2 Op 17 juni 2009 heeft [gedaagde] door tussenkomst van Traders B.V. met Vodafone Libertel B.V. (hierna: Vodafone) een overeenkomst gesloten voor de duur van 24 maanden ter zake van het gebruik door [gedaagde] van door Vodafone aangeboden (tele)communicatiediensten. Op de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. 1.3 De door [gedaagde] afgenomen diensten zijn door Vodafone maandelijks aan [gedaagde] gefactureerd. 1.4 Vodafone heeft op 5 juli 2009 de aansluiting dan wel de levering van haar diensten geblokkeerd, zodat [gedaagde] vanaf 5 juli 2009 geen gebruik meer kon maken van zijn mobiele telefoon. 1.5 Uit een Memo Report van Vodafone is – voor zover relevant – het volgende vermeld bij 6 juli 2009: “Er is een high user bar geplaatst omdat klant kosten heeft in juli van € 534,64. Uitgelegd dat deze hoge kosten te maken hebben met een content dienst. Meneer is echt heel erg boos vanwege de kosten, en heb het hem nog proberen uit te leggen. Klant begon te schreeuwen en schelden, en heb gezegd dat een gesprek helaas niet meer mogelijk was en heb de verbinding verbroken. Klant zou morgen terugbellen ivm h bar.” 1.6 Bij brief van 7 juli 2009 heeft [gedaagde] aan Traders B.V. – voor zover relevant – geschreven: “Naar aanleiding van een telefoongesprek op Maandag 6 Juli 2009 met een van Uw medewerkers wil ik U gaarne het volgende mededelen. (…) Na een van Uw medewerkers te hebben gebeld via de telefoon van mijn baas, werd mij tot mijn ontsteltenis medegedeeld dat mijn telefoon van nog geen 18 dagen oud was geblokkeerd, en als reden werd opgegeven dat ik ruim in de € 550,00 schuld had die ik zou hebben gemaakt in deze korte tijd, of waarmee dan ook. (…) Hopende dat dit voldoende is om ook intern op deze voor mij zeer onsmakelijke zaak in te gaan en uit te willen zoeken wat hier aan de hand is, en derhalve mij van Uw bevindingen op de hoogte wil stellen, zal ik in afwachting enig bericht Uwerzijds nog geen verdere stappen ondernemen, omdat ik persoonlijk wil begrijpen dat dit geheel op een misverstand berust.” 1.7 Het telefoontoestel van [gedaagde] heeft op 4 juli 2009 vanaf 08:05:59 uur tot 4 juli 2009 23:38:57 uur een zeer groot aantal sms-berichten verzonden naar nummer 2323. Op 4 juli 2009 heeft het telefoontoestel van [gedaagde] eveneens vanaf 08:06:01 uur tot 23:23:18 uur een zeer groot aantal sms-berichten dan wel overige content ontvangen van Mobillion.nl dan wel Mobillion B.V. Op deze sms-dienst is de Gedragscode SMS-Dienstverlening van 2008 (hierna sms-gedragscode) van toepassing. 1.8 Vodafone heeft [gedaagde] facturen gezonden voor de betaling van de door haar geleverde diensten, waarbij de laatste factuur uitgefactureerde abonnementskosten bevat. Op grond van wanbetaling heeft Vodafone conform haar algemene voorwaarden, nadat [gedaagde] na aanmaning niet aan zijn betalingsverplichtingen voldeed, de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden per 4 oktober 2009. 1.9 Vodafone heeft haar vordering verkocht aan Intrum Justitia. [gedaagde] is daarvan schriftelijk op de hoogte gesteld. 2. De vordering 2.1 Intrum Justitia vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.184,39, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 953,68 vanaf 30 januari 2012 tot de dag der algehele voldoening, een en ander een bedrag van € 25.000,00 niet te boven gaand, alsmede dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten. 2.2 Naast een bedrag van € 953,68 ter zake van onbetaald gebleven facturen, vordert Intrum Justitia een bedrag van € 80,71 aan wettelijke rente tot en met 30 januari 2012 en een bedrag van € 150,00 aan buitengerechtelijke kosten. Intrum Justitia beperkt de eindfactuur tot 75 % van de resterende abonnementstermijnen, waarbij de BTW over de eindfactuur niet aan [gedaagde] in rekening is gebracht dan wel door Intrum Justitia is gecrediteerd. 2.3 Intrum Justitia heeft haar vordering nader onderbouwd. Op de inhoud wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan. 3. Het verweer [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de inhoud wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan. Beoordeling van het geschil 4. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde] erkend dat hij op 17 juni 2009 met Vodafone een overeenkomst is aangegaan met een looptijd van 24 maanden. Gelet op deze gerechtelijke erkentenis wordt het aanvankelijk gevoerde verweer van [gedaagde] dat hij geen overeenkomst met Vodafone op 17 juni 2009 is aangegaan verworpen. 5. Op grond van artikel 6:145 BW kan [gedaagde] alle verweermiddelen tegen de schuldvordering zelf die hij vóór de overgang van de vordering tegen Vodafone had kunnen aanvoeren aan Intrum Justitia tegenwerpen. Als meest verstrekkend verweer heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat sprake is van oplichting dan wel bedrog dan wel dwaling op grond waarvan de overeenkomst vernietigd dient te worden. Op grond van artikel 3:51 lid 3 BW kan een beroep in rechte op een vernietigingsgrond te allen tijde worden gedaan ter afwering van een op de rechtshandeling steunende vordering of andere rechtsmaatregel. De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] aldus dat sprake zou zijn geweest van een door de verkoper van Traders B.V. afgeleverde ‘geprepareerde’ telefoon. Intrum Justitia heeft dit betwist. Tijdens de comparitie heeft de gemachtigde van [gedaagde] vermeld hier geen bewijs van te kunnen leveren, zodat dit niet kan worden vastgesteld. De kantonrechter gaat dan ook voorbij aan deze stelling. Voorts heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat uit meerdere berichten op internet blijkt dat Traders B.V. en de sms aanbieder Mobillion eerder zijn genoemd in verband met oplichtingspraktijken. Deze stelling is op zichzelf gezien onvoldoende om oplichting, bedrog of dwaling te kunnen aannemen. Het verweer van [gedaagde] wordt dan ook op dit punt als onvoldoende onderbouwd verworpen. 6. Tussen partijen staat vast dat de sms-gedragscode van 2008 van toepassing is. Bij deze sms-gedragscode is Vodafone als deelnemende partij in de zin van Operator en Service Provider vermeld. In artikel 13 lid 1 sub a, f en g is het volgende bepaald: “Artikel 13. Klachtenafhandeling 1. Uitgangspunten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.