← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2013:2444

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Militaire kamer Parketnummer: 05/800723-10 Beslissing van de militaire kamer in bovengenoemde rechtbank op de vordering na voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 2 juli 2013 met betrekking tot de veroordeelde: naam: [veroordeelde] geboren op: [geboortedatum] te [geboorteplaats] adres: [adres 1] plaats: [woonplaats] 1De procedure Ter terechtzitting van 5 augustus 2013 zijn gehoord: de veroordeelde, de raadsman van veroordeelde, mr. R.P. Adema, advocaat te Apeldoorn, namens de Reclassering Nederland, de heer [medewerker], de officier van justitie. 2De feiten De militaire kamer heeft kennisgenomen van de navolgende stukken: - Het vonnis van de militaire kamer van 30 januari 2012 waarbij veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 497 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden: *veroordeelde meldt zich binnen vijf dagen na onherroepelijk worden van dit vonnis bij Reclassering Nederland, Adviesunit Arnhem-Nijmegen en daarna zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht; * veroordeelde stelt zich gedurende de proeftijd voor de duur van maximaal 2 (twee) jaren of zoveel korter als reclassering in overleg met de leiding van de inrichting wenselijk acht, onder klinische behandeling van de Forensisch Psychiatrische Kliniek te Assen en de daaraan gelieerde inrichtingen waar een proefplaatsing kan plaatsvinden, zoals FPA Heilo, dan wel, indien plaatsing in FPK Assen niet mogelijk wordt geacht, een andere kliniek als aan te wijzen door de afdeling indicatiestelling Forensische zorg van het NIFP; * veroordeelde gedraagt zich gedurende de proeftijd naar de hiermee verband houdende (nadere) aanwijzingen van de reclassering, voor zover en voor zolang dat door de reclassering noodzakelijk wordt geacht. - Een advies verdere vervolging van de Reclassering Nederland, Regio Noord Nederland, opgemaakt door [medewerker], gedateerd 11 maart 2013. In dit rapport wordt gesteld dat reclassering Nederland, inhoudelijk gezien, geen nuttige bijdrage meer kan leveren aan het door haar uit te voeren toezicht. De oorzaak hiervoor is gelegen in het opstelling van veroordeelde die door een rigide opvatting, gebeten op zijn eigen gelijk, niet meer openstaat voor een verdere behandeling. 3Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering. Deze behelst de tenuitvoerlegging van het bij vonnis van 30 januari 2012 door de militaire kamer van de Rechtbank Arnhem opgelegde voorwaardelijke strafdeel van 497 dagen. 4Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen. Veroordeelde heeft zich gehouden aan de opgelegde bijzondere voorwaarden. Dat hij boos is geworden en dat de behandeling niet naar behoren is verlopen, staat daar los van. Het probleem is tweeledig; enerzijds kan veroordeelde zich nog steeds niet vinden in het vonnis van 30 januari 2012 en anderzijds kan er vanuit de hulpverlening kennelijk nog geen vinger op de zere plek worden gelegd. Er is thans nog steeds geen heldere diagnose, het blijft bij ‘aanwijzingen’. Dat laat onverlet dat veroordeelde zich altijd gemeld heeft en zich gehouden heeft aan de aanwijzingen van de reclassering. Een gevangenisstraf van langere duur heeft desastreuze gevolgen voor veroordeelde. Hij is dan alles kwijt, ook zijn huis. Primair verzoekt de raadsman om afwijzing van de vordering. De raadsman verzoekt voorts om de bijzondere voorwaarden te wijzigen in die zin dat de militaire kamer aan veroordeelde slechts reclasseringstoezicht oplegt waarbij de aanwijzingen gericht moeten zijn op praktische ondersteuning. De kans op recidive wordt, door de dreiging van de gevangenisstraf, ondervangen en de maatschappij heeft voldoende bescherming. 5De motivering van de beslissing De militaire kamer is, gelet op de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, van oordeel dat weliswaar is gebleken dat veroordeelde zich voor een deel heeft gehouden aan de aanwijzingen die door reclassering zijn gegeven. maar ook dat hij – kennelijk uit onvrede met de veroordeling – zich verzet tegen behandeling en reclasseringsbemoeienis en dat hij daarbij medewerkers heeft bedreigd en zo boos is geworden dat mensen bang voor hem zijn geworden. Met zijn halsstarrige, dreigende en agressieve houding heeft hij de behandeling gefrustreerd, terwijl verder toezicht - ook al zou dat meer op afstand zijn - door reclassering noodzakelijk wordt geacht. Uit voornoemde rapportage blijkt naar het oordeel van de militaire kamer dat het aan veroordeelde is te wijten is dat dit verdere reclasseringscontact niet mogelijk is gebleken. De militaire kamer is daarom van oordeel dat de vordering van de officier van justitie kan worden toegewezen, met dien verstande dat,- gelet op de door de raadsman aangevoerde persoonlijke belangen van veroordeelde - nu niet de gehele voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer zal worden gelegd. Voorts is de militaire kamer van oordeel dat een voortzetting van het reclasseringstoezicht, zij in een sobere vorm en meer gericht op praktische zaken, geboden is., waarbij het resterende deel van de voorwaardelijke straf dient om verdachte er van te doordringen dat volledige medewerking met reclassering geboden is. De militaire kamer zal de vordering dan ook toewijzen, in die zin dat zij een gedeelte, te weten 4 (vier) maanden gevangenisstraf ten uitvoer zal leggen. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen. De militaire kamer is voorts van oordeel en acht het, om het herhalingsgevaar zo goed mogelijk in te dammen, opportuun dat de proeftijd dient te worden verlengd met één

(1)jaar en dat de bij vonnis van de militaire kamer opgelegde bijzondere voorwaarden dient te worden gewijzigd. De voorwaarde van klinische behandeling komt daarbij te vervallen. Dit houdt in dat de oorspronkelijke vordering tenuitvoerlegging gedeeltelijk wordt toegewezen en de proeftijd met één jaar wordt verlengd. Tevens zal de bij vonnis van de militaire kamer van 30 januari 2012 opgelegde bijzondere voorwaarde worden gewijzigd zoals hierna nader aangegeven. De militaire kamer heeft bij de beslissing in aanmerking genomen artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht. 6De beslissing Wijst de vordering ten dele toe. Gelast de tenuitvoerlegging van 4 (vier) maanden gevangenisstraf. Wijst de vordering voor het overige af. Verlengt de duur van de bij vonnis van de militaire kamer d.d. 30 januari 2012 opgelegde proeftijd met één jaar. Wijzigt de bij beslissing d.d. 30 januari 2012 opgelegde bijzondere voorwaarden met dien verstande dat de op voornoemde datum opgelegde bijzondere voorwaarden komen te vervallen en dat vanaf heden als bijzondere voorwaarde geldt: - veroordeelde meldt zich binnen zeven dagen na de uitspraak van deze beslissing bij Stichting Reclassering Noord-Nederland, [adres 2]) en blijft zich daarna zo frequent melden als de reclassering gedurende de proeftijd nodig acht. Hierbij zal veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen zoals gegeven door de reclassering voornoemd voor zover en zolang dat door de reclassering noodzakelijk wordt geacht. Aldus beslist door: mr. T.P.E.E. van Groeningen, als voorzitter, mr. J.M. Hamaker, rechter en kapitein ter zee van administratie mr. F.N.J. Jansen, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. H.L. Miedema, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 augustus 2013

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.