RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Team bestuursrecht zaaknummer: AWB 12/1721 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen mr. C.A. Spekschoor, advocaat te Lochem, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Stichting IF Events, voorheen gevestigd te Zutphen, eiser, en de burgemeester van de gemeente Apeldoorn en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, (tezamen aan te duiden als) verweerder. Procesverloop Bij besluit van 3 mei 2012 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder de op 27 april 2012 aan Stichting IF Events (hierna: IF Events) verleende evenementenvergunning voor het houden van een bevrijdingsfestival in Apeldoorn op 5 mei 2012, ingetrokken. Bij besluit van 12 oktober 2012 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door IF Events gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. IF Events heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 18 februari 2013 heeft de voormalige gemachtigde van IF Events aan de rechtbank meegedeeld dat IF Events op 7 februari 2013 failliet is verklaard. Bij brief van 22 mei 2013 heeft de rechtbank de voormalige curator mr. E. Gürcan conform artikel 8:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 27, derde lid, van de Faillissementswet, in de gelegenheid gesteld om de procedure van IF Events over te nemen. Bij brief van 11 juni 2013 heeft mr. Gürcan verklaard de onderhavige procedure over te nemen. Op 20 augustus 2013 is eiser mr. Gürcan opgevolgd als curator in het faillissement. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2013. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam], die ter zitting is verschenen vergezeld door [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M. van Wegen en M. Groot Nibbelink, beiden werkzaam bij de gemeente Apeldoorn. Overwegingen 1.Bij brief van 3 december 2012 heeft de voormalige gemachtigde van IF Events een kopie overgelegd van het beroepschrift voorzien van een ontvangststempel van de rechtbank Zutphen van 23 november 2012. Het beroep is derhalve tijdig ingesteld. 2.Het is voldoende aannemelijk dat IF Events schade heeft geleden door de intrekking van de vergunning, zodat eiser belang heeft bij de beoordeling van het onderhavige beroep. 3.Op 20 februari 2012 heeft IF Events een evenementenvergunning aangevraagd voor het houden van het ‘The Legends Bevrijdingsfestival 2012’ (verder: het evenement) in het Mheenpark te Apeldoorn op 5 mei 2012. Bij besluit van 27 april 2012 heeft verweerder een vergunning verleend voor dit evenement (verder: de vergunning). Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden. Eén van de voorschriften houdt in dat het veiligheidsplan onderdeel uitmaakt van de vergunning. Dit betreft het Veiligheidsplan “The Legends”, opgesteld in opdracht van IF Events door W.H.A. Arendsen, versie 27-04-2012 (verder: het veiligheidsplan). 4.Op 2 mei 2012 heeft verweerder mondeling aan IF Events meegedeeld dat hij voornemens is de verleende evenementenvergunning in te trekken omdat het door IF Events ingeschakelde beveiligingsbedrijf AVDD niet langer zorg zal dragen voor de beveiliging van het evenement. In reactie hierop heeft IF Events aangegeven een ander beveiligingsbedrijf te willen inschakelen. 5.Bij het primaire besluit van 3 mei 2012 heeft verweerder de aan IF Events verleende evenementenvergunning ingetrokken op grond van het bepaalde in artikel 1.6, onder b en c, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2006 van de gemeente Apeldoorn (hierna: de APV). Volgens verweerder kan IF Events door het terugtrekken van het beveiligingsbedrijf AVDD de aan de vergunning verbonden voorschriften niet nakomen. Voorts zijn hierdoor de omstandigheden zodanig veranderd dat het niet langer verantwoord is om de vergunning in stand te laten en is het waarborgen van de veiligheid van personen en de openbare orde van groter belang dan het belang van IF Events bij het in stand laten van de vergunning, aldus verweerder. 6.Tegen dit besluit heeft IF Events bezwaar gemaakt. Op 28 augustus 2012 heeft een hoorzitting plaatsgevonden ten overstaan van de onafhankelijke bezwarencommissie (hierna: de commissie). De commissie heeft verweerder op 1 oktober 2012 geadviseerd het door IF Events gemaakte bezwaar ongegrond te verklaren. In het bestreden besluit heeft verweerder zich, onder verwijzing naar het advies van de commissie, op het standpunt gesteld dat de intrekking van de evenementenvergunning in stand kan blijven. 7.Eiser heeft betoogd dat beveiligingsbedrijf AVDD niet in de vergunningvoorschriften wordt genoemd en de intrekking van de vergunning derhalve niet kan worden gebaseerd op het bepaalde in artikel 1.6, onder c, van de APV. Volgens eiser kan de intrekking van de vergunning evenmin worden gebaseerd op artikel 1.6, onder b, van de APV, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de intrekking wordt “gevorderd” door de aldaar genoemde belangen. Voorts heeft eiser – samengevat – aangevoerd dat [naam] Security Team de beveiliging van het evenement wilde doen en dat er nog voldoende tijd was om dit te regelen. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond aldus dat volgens eiser verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de vergunning in te trekken. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat het besluit tot intrekking van de vergunning onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. 8.Ingevolge artikel 2.2.2, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. Ingevolge het tweede lid kan de vergunning worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; d. de zedelijkheid of gezondheid; e. het woon- en leefklimaat. Ingevolge artikel 1.6 van de APV, voor zover thans van belang, kan de vergunning worden ingetrokken: b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist; c. indien de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen. Indien is voldaan aan de voorwaarden voor het gebruik maken van de bevoegdheid tot intrekking als genoemd in artikel 1.6, onder b en/of c, van de APV, zal beoordeeld moeten worden of de gebruikmaking van die bevoegdheid als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt. De gebruikmaking van de bevoegdheid dient door de rechtbank terughoudend te worden getoetst. Voorwaarde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.