← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2013:6450

vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: 248618 / HA ZA 13-545 Vonnis van 30 oktober 2013 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BROEKHUIS HARDERWIJK B.V. gevestigd te Harderwijk eiseres advocaat: mr. J. Verhoeven te Alphen aan den Rijn tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HAZELAAR/HMTV MILIEUTECHNIEK B.V. gevestigd te Coevorden en kantoorhoudende te Ede gedaagde procesadvocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem behandelend advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels te Arnhem Partijen zullen hierna Broekhuis en Hazelaar worden genoemd. 1De procedure 1.1 Deze zaak is door Broekhuis eerder aangebracht onder nummer 216787 / HA ZA 11-899, waarna Hazelaar een bevoegdheidsincident heeft opgeworpen. In dat incident heeft Broekhuis niet geantwoord, waarop de rechtbank zich bij vonnis van 12 oktober 2011 onbevoegd heeft verklaard van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. 1.2 Van deze beslissing is Broekhuis in appel gegaan bij het gerechtshof Arnhem. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 19 februari 2013 de vordering in het incident afgewezen en de zaak terugverwezen naar de rechtbank Arnhem (lees: de rechtbank Oost-Nederland), teneinde te beslissen op de hoofdzaak. 1.3 Bij exploot van 29 juli 2013 heeft Broekhuis Hazelaar opgeroepen voort te procederen bij de rechtbank Gelderland en bij akte van 7 augustus 2013 haar eis gewijzigd. 1.4 Bij akte uitlaten wijziging van eis van 4 september 2013 heeft Hazelaar zich tegen die eiswijziging verzet. 1.5 Daarop is vonnis bepaald. 2De beoordeling van het verzet tegen de eiswijziging 2.1 Bij inleidende dagvaarding heeft Broekhuis gesteld opdracht te hebben gegeven aan Hazelaar tot het verrichten van een in-situ bodemsanering, welke sanering geen rendement heeft gehad, als gevolg van welke tekortkoming van Hazelaar zij ontbinding van de overeenkomst (van aanneming van werk) heeft gevorderd, met terugbetaling van hetgeen zij Hazelaar in het kader van de sanering heeft voldaan (€ 119.310,94) en aanvullende schadevergoeding, op te maken bij staat. 2.2 In haar akte houdende wijziging van eis stelt zij zich nog steeds op het standpunt dat Hazelaar jegens haar tekort is geschoten, maar wenst zij niet langer ontbinding te vorderen maar alleen schadevergoeding, welke zij stelt op het bedrag dat zij aan Hazelaar heeft betaald, derhalve € 119.310,

  1. 2.3 Bij akte uitlaten wijziging van eis heeft Hazelaar, vooruitlopend op haar verweer, aangevoerd dat niet Broekhuis haar opdrachtgever is geweest maar Broekhuis Holding B.V., waaruit zij afleidt dat Broekhuis daarom de vordering tot ontbinding kennelijk heeft laten vallen en er dus nu alleen sprake is van een vordering tot schadevergoeding van een derde, waardoor “ook bijvoorbeeld wettelijke gronden voor aansprakelijkheid in beeld kunnen zijn en het inhoudelijk debat dus beduidend uitgebreider en complexer wordt”. Als gevolg daarvan verzet volgens haar een goede procesorde zich hier tegen de wijziging van eis. 2.4 Hoewel het bezwaar van Hazelaar, gelet op de inhoud van de dagvaarding, niet onbegrijpelijk is, is het bepaald speculatief te noemen, waar het allerlei veronderstellingen met betrekking tot de feiten (en het recht) in zich houdt, ten aanzien waarvan de stelplicht in de sfeer van Broekhuis ligt doch waarover Broekhuis zich nog niet heeft uitgelaten en ook niet hoefde uit te laten. Aldus gezien kan er thans niet van worden uitgegaan dat zich - in de woorden van Hazelaar - het spiegelbeeld voordoet van het geval van HR 22 oktober 2004, NJ 2006, 202 (en HR 2 april 1993, NJ 1993, 573). 2.5 Het verzet tegen de eiswijziging is dus ongegrond, ook nu niet op voorhand sprake lijkt te zijn van onredelijke bemoeilijking van de verdediging dan wel onredelijke vertraging van het geding (HR 12 oktober 1990, NJ 1001, 186), dat nu in feite eerst op het punt staat te beginnen. 2.6 De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een conclusie van antwoord door Hazelaar. 3De beslissing De rechtbank verklaart het verzet tegen de eiswijziging ongegrond, verwijst de zaak naar de rol van woensdag 11 december 2013 voor het nemen van een conclusie van antwoord door Hazelaar. Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober
  2. In rechte kan worden opgetreden door een gevolmachtigde die een rechtsvordering instelt in naam van een met name aangeduide volmachtgever om wiens belangen het in het betrokken geding (mede) gaat, maar een eisende partij die niet reeds bij dagvaarding heeft gesteld (mede) op te treden als gevolmachtigde van een met name genoemde volmachtgever, kan niet hangende de procedure die hoedanigheid alsnog aannemen door op de voet van art. 134 (oud) Rv (thans: art. 130 Rv) haar eis te veranderen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.