← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2013:BZ8231

beschikking RECHTBANK GELDERLAND Wrakingskamer zaaknummer: 13-28 Beschikking van 17 april 2013 in de zaak van [verzoeker] verzoeker tot wraking, tegen mr. [de rechter], in zijn hoedanigheid van rechter

  1. De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het schriftelijke wrakingsverzoek van 10 februari 2013 - het schriftelijke verweer van mr. [de rechter] van 25 februari
  2. Bij de mondelinge behandeling zijn verzoeker en [betrokkene] verschenen. Mr. [de rechter] heeft laten weten niet te zullen verschijnen.
  3. Het wrakingsverzoek 2.1 Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. [de rechter] als rechter in de zaak met nummer 849335 AZ VERZ 12-7071 tussen mr. E.A.P. Boerkamp enerzijds en verzoeker, [betrokkene], stichting Futurest en stichting Zoya anderzijds. 2.2 Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, onder meer het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De onpartijdigheid en onafhankelijkheid van mr. [de rechter] zijn in het geding, althans de schijn van onpartijdigheid van mr. [de rechter] is gewekt, doordat mr. [de rechter] drie gerekwestreerden niet op hun woonadres in [woonplaats] heeft doen oproepen en voorts doordat hij in de oproepingsbrief die op 23 januari 2013 namens hem is verzonden, de gang van zaken onjuist heeft weergegeven. 2.3 Mr. [de rechter] heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna zover nodig besproken.
  4. De beoordeling 3.1 Volgens artikel 37 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet het wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die er aanleiding toe geven, aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt er mede toe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst, zodat de procedure door de indiening van het wrakingsverzoek – of dit nu gegrond is of niet – zo weinig mogelijk vertraagd wordt. Uit het door verzoeker gestelde blijkt dat de aangevoerde feiten en omstandigheden voor de wraking hem op 23 januari 2013 bekend zijn geworden. Verzoeker heeft pas op 10 februari 2013 een wrakingsverzoek op grond van die feiten en omstandigheden ingediend. Dat is te laat, zodat verzoeker niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn verzoek. Aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek komt de rechtbank daarom niet toe.
  5. De beslissing De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking. Deze beschikking is gegeven door de mrs. J.D.A. den Tonkelaar, C. van Linschoten en G.A. van der Straaten in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.C.C. van den Bosch en in openbaar uitgesproken op 17 april
  6. de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.