beschikking RECHTBANK GELDERLAND Locatie Arnhem Wrakingskamer zaaknummer: ARN AWB 12/6486 WOB AT 3 Beschikking van 13 mei 2013 in de zaak van [verzoeker] wonende te [woonplaats], verzoeker tot wraking, tegen mr. M. Groverman, in zijn hoedanigheid van rechter in de zaak met nummer ARN AWB 12/6486 WOB AT
- De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het schriftelijke wrakingsverzoek van 28 maart 2013; - het schriftelijke verweer van mr. M. Groverman van 5 april 2013; - de schriftelijke “motivering op het wrakingsverzoekschrift” van 1 mei
- Bij de mondelinge behandeling is niemand verschenen. Zowel verzoeker als mr. Groverman hebben laten weten niet te zullen verschijnen.
- Het wrakingsverzoek 2.
- Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. M. Groverman (hierna: de rechter) als rechter in de zaak met nummer ARN AWB 12/6486 WOB AT
- 2.2 Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Verzoeker stelt dat de rechter vermoedelijk niet onpartijdig is, nu de rechter met betrekking tot een ander geschil met hetzelfde bestuursorgaan, te weten de gemeente Rheden, veertien essentiële juridische grondslagen onbesproken heeft gelaten. Dit verdraagt zich niet met de jurisprudentie. Voorts is de rechter in het verleden Ambtenaar van Staat bij de Raad van State geweest, waardoor sprake kan zijn van vooringenomenheid, mede doordat de zaak door de Raad van State is terugverwezen. 2.3 De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd. Wat betreft de zaak waarbij veertien juridische grondslagen onbesproken zouden zijn gelaten, stelt de rechter zich op het standpunt dat hij niet weet over welke zaak verzoeker het heeft. In het digitale archief met uitspraken van de rechtbank heeft de rechter niet een eerder door hem behandelde zaak, waarbij de gemeente Rheden als bestuursorgaan betrokken was, kunnen terug vinden. Voorts heeft de rechter het dossier met zaaknummer 12/6486 nimmer gezien. De zaak was geagendeerd voor de zitting van 5 april 2013, maar het is hem niet bekend waar de zaak over gaat.
- De beoordeling 3.1 Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996,484). Uit de artikelen 8:15 en 8:16 Algemene wet bestuursrecht en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is, objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank het volgende. 3.2 De stelling van verzoeker dat de rechter in een ander geschil met hetzelfde bestuursorgaan, te weten de gemeente Rheden, veertien juridische grondslagen onbesproken heeft gelaten heeft onvoldoende feitelijke grondslag. Verzoeker heeft niet aangegeven op welke specifieke zaak hij doelt. Een door de wrakingskamer ingesteld onderzoek in de digitale archieven op basis van de door verzoeker verstrekte gegevens heeft geen resultaat opgeleverd. De klachten van verzoeker bevatten slechts stellingen en veronderstellingen, maar geen concrete feiten en omstandigheden waaruit de rechtbank vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden. 3.3 Voorts overweegt de rechtbank dat uit de enkele omstandigheid dat de rechter in het verleden bij de Raad van State werkzaam is geweest, niet zonder meer volgt dat sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. Uit het op www.rechtspraak.nl te raadplegen register van nevenfuncties is gebleken dat de rechter sinds 1 juni 2001 als rechter werkzaam is. Reeds gelet op het tijdsverloop moet worden aangenomen dat het feit dat de rechter voor juni 2001 werkzaam is geweest bij de Raad van State niet kan afdoen aan zijn onpartijdigheid. Daarbij verdient nog opmerking dat de Raad van State, afdeling rechtspraak, een rechtsprekend college is, als zodanig dus onpartijdig is en bovendien in de zaak van verzoeker geen partij of belanghebbende is. Nu verzoeker geen bijkomende omstandigheden heeft gesteld waaruit deze vrees voor partijdigheid zou blijken, is dit onvoldoende om afbreuk te doen aan de onpartijdigheid van de rechter. 3.4 Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank het verzoek tot wraking afwijzen.
- De beslissing De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af. Deze beschikking is gegeven door de mrs. C. van Linschoten, J.C.E. Ackermans-Wijn en N.K. van den Dungen-Dijkstra, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Baaziz en in openbaar uitgesproken op 13 mei
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.