← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2014:1443

vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team familierecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/254508 / HA ZA 13-773 Vonnis in incident van 5 maart 2014 in de zaak van [naam partij] , wonende te [woonplaats], eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat mr. S.G. Volbeda te Arnhem, tegen [naam partij] , wonende te [woonplaats], gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat mr. C.J. Looijen te Zetten. Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding; de akte domiciliekeuze; de incidentele conclusie tot verwijzing naar de rekestenafdeling; de incidentele conclusie van antwoord. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2De beoordeling in het incident 2.
  3. De vrouw vordert in het incident dat de rechtbank de zaak verwijst naar de rekestenafdeling, nu het gaat om een omgangsregeling en de vaststelling van de inhoud daarvan. De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 2.
  4. De man heeft in de hoofdzaak gevorderd, kort gezegd en voor zover thans van belang, om de vrouw te veroordelen tot nakoming en uitvoering van een bij beschikking van 21 januari 2010 door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling, onder verbeurte van een dwangsom. Naar het oordeel van de rechtbank kan de vordering van de man niet slechts opgevat worden als een vordering tot nakoming van een eerder gegeven beschikking, omdat deze een onderwerp betreft dat ziet op een regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken, zoals geregeld in titel 15 van boek 1 Burgerlijk Wetboek. De vordering kan niet los hiervan worden beoordeeld. Op grond van het bepaalde in de derde titel van boek 1 en de zesde titel van boek 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) dient een verzoek ten aanzien van een regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken te worden ingeleid met een verzoekschrift. Aangezien bij de beslissing de belangen van de minderjarige kinderen van partijen voorop staan, is de kinderrechter, gelet op diens specifieke deskundigheid, de meest aangewezen rechter om van de zaak kennis te nemen en daarover te beslissen. 2.
  5. Op grond hiervan zal de zaak conform het bepaalde in artikel 69 Rv. worden verwezen naar de kinderrechter van deze rechtbank. Dat de man aan zijn vordering een dwangsom heeft verbonden, staat hieraan niet in de weg, nu een dwangsom slechts een bijkomend karakter heeft en iedere feitelijke rechter, zowel in de dagvaardings- als in de verzoekschriftenprocedure, in beginsel de bevoegdheid heeft om een dwangsom op te leggen. 2.
  6. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist. 3De beslissing De rechtbank in het incident 3.
  7. verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar het Team Jeugdrecht van deze rechtbank, locatie Arnhem, en bepaalt dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure; 3.
  8. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan, in de hoofdzaak 3.
  9. houdt iedere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. dr. J.C.E. Ackermans-Wijn en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2014.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.