vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/255695 / HA ZA 13-817 Vonnis in incident van 19 februari 2014 in de zaak van [eiser] , wonende te [plaats], eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat mr. I.R.M. Goedings te Ede, tegen [gedaagde] , wonende te [plaats], gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening de conclusie van antwoord in het incident. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2De feiten in het incident 2.1. Bij de beoordeling van het incident gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. 2.2. In de periode 2008-2012 heeft [gedaagde] [eiser] als advocaat bijgestaan in een geschil tussen [eiser] en [naam] (hierna: [naam]). [eiser] is op 24 september 2008 door [naam] gedagvaard in kort geding voor de voorzieningenrechter in de toenmalige rechtbank Arnhem. Daarnaast heeft [naam] bij dagvaarding van 28 januari 2009 een bodemprocedure tegen [eiser] aanhangig gemaakt, eveneens bij de rechtbank Arnhem. 2.3. Bij vonnis van 7 januari 2009 heeft de voorzieningenrechter, kort gezegd, de vorderingen van [naam] in kort geding afgewezen. Bij eindvonnis van 20 april 2011 heeft de rechtbank Arnhem de vorderingen van [naam] in de bodemprocedure eveneens afgewezen. 2.4. [naam] is van laatstgenoemd vonnis in hoger beroep gegaan. [eiser] heeft zich in de appelprocedure laten bijstaan door mr. I.R.M. Goedings, in plaats van door [gedaagde]. 2.5. Bij arrest van 8 januari 2013 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Arnhem vernietigd en, kort gezegd, de vorderingen van [naam] alsnog toegewezen. 2.6. [gedaagde] heeft de werkzaamheden die hij ten behoeve van de procedure in eerste aanleg voor [eiser] heeft verricht aan [eiser] in rekening gebracht. [eiser] heeft de facturen betaald. 2.7. Bij brief van 20 maart 2013 heeft mr. Goedings namens [eiser] aan [gedaagde] meegedeeld dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in zijn verplichtingen jegens [eiser] door – kort gezegd – in de procedure tegen [naam] “een wezenlijk verweer” niet te onderkennen, en dat [gedaagde] de schade moet vergoeden die [eiser] als gevolg daarvan heeft geleden en nog zal lijden. 3Het geschil in de hoofdzaak 3.1. [eiser] vordert in de hoofdzaak, samengevat: te verklaren voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de tussen hem en [eiser] gesloten overeenkomst tot het verlenen van rechtsbijstand en dat [gedaagde] uit dien hoofde schadeplichtig is geworden jegens [eiser]; veroordeling van [gedaagde] tot het vergoeden van de als gevolg daarvan door [eiser] geleden schade, op te maken bij staat; veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.2. [eiser] legt aan zijn vordering, kort samengevat, ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenis uit de overeenkomst tot het verlenen van rechtsbijstand, doordat hij in de procedure in eerste aanleg en in het kort geding tussen [eiser] en [naam] bepaalde – in de dagvaarding nader omschreven – kansrijke verweren niet heeft gesignaleerd en niet heeft gevoerd. Indien [gedaagde] deze verweren namens [eiser] al in de kortgedingprocedure of in de procedure in eerste aanleg wél zou hebben gevoerd, zou direct zijn gebleken dat de vordering van [naam] tegen [eiser] onhoudbaar was en zou het nooit tot een bodemprocedure of in ieder geval niet tot de voor [eiser] nadelig uitgepakte appelprocedure zijn gekomen. [eiser] stelt dat hij door deze tekortkoming van [gedaagde] schade heeft geleden, bestaande uit de kosten van rechtsbijstand, de gerechtskosten en de ten laste van hem door het hof uitgesproken veroordeling. Hij vordert vergoeding van die schade door [gedaagde]. 3.3. [gedaagde] heeft in de hoofdzaak nog niet van antwoord geconcludeerd. 4Het geschil in het incident 4.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding [gedaagde] zal veroordelen tot betaling aan hem van € 30.000,00, “in mindering strekkend op de hoofdsom”, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident. 4.2. [gedaagde] voert verweer. Hij stelt zich kort gezegd op het standpunt dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.