RECHTBANK GELDERLAND Team bestuursrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer: AWB 13/7635 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van inzake [eiser] , eiser, wonende te Doornspijk, tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. 1Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 17 oktober
- 2Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 oktober
- Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 7 maart
- Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich niet doen vertegenwoordigen. 3Overwegingen Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken, welke termijn ingevolge artikel 6:8 van de Awb aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De beslissing op bezwaar wordt ingevolge artikel 7:12, tweede lid, van de Awb, bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht. In artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb is bepaald dat een beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen en bij verzending per post, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de hiervoor genoemde termijn ingediend beroepschrift, niet-ontvankelijkverklaring daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Het bestreden besluit is verzonden op 17 oktober
- Gelet hierop diende het beroepschrift uiterlijk op 28 november 2013 te zijn ingediend. Het beroepschrift is gedateerd op 29 november 2013 en ter griffie van de rechtbank op die datum (digitaal) ingekomen. Eiser heeft dus de voor het instellen van het beroep gestelde termijn niet in acht genomen. Eiser heeft als verontschuldiging voor de overschrijding van de beroepstermijn aangevoerd dat hij niet eerder een beroepschrift kon indienen, omdat hij eerst de uitslag van de MRI-scan van zijn knie heeft afgewacht. De rechtbank komt op grond van hetgeen door eiser is aangevoerd niet tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. De termijn waarbinnen eiser beroep had dienen in te stellen, staat met zoveel woorden in het besluit vermeld. Eiser had desgewenst beroep kunnen in stellen op nader aan te voeren gronden, eventueel in afwachting van nadere medische informatie. Doordat af te wachten heeft eiser het risico genomen dat de beroepstermijn is overschreden. Dat dient voor rekening van eiser te komen. Het beroep moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing. 4Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, rechter, in tegenwoordigheid van H.J. Papilaja - Muskita, griffier. De griffier, De rechter, Uitgesproken in het openbaar op . Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Verzonden op: