vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/246435 / HA ZA 13-462 Vonnis van 9 april 2014 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ACADEMIE VOOR MEDEZEGGENSCHAP BV, gevestigd te Udenhout, eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, advocaat mr. J.E.A.J.C. van de Laak te Tilburg, tegen [gedaagde] , wonende te [plaats], gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat dr. mr. S.F.H. Jellinghaus te Tilburg. Partijen zullen hierna AvM en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 4 december 2013, de conclusie van antwoord in reconventie, het proces-verbaal van comparitie van 21 februari 2014, 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. AvM verzorgt opleidingen, trainingen en advies op het gebied van medezeggenschap. 2.2. [gedaagde] heeft in het verleden als trainer-adviseur op het gebied van medezeggenschap werkzaamheden verricht voor AvM, eerst (vanaf 1 januari 2006) op basis van arbeidsovereenkomsten en later (vanaf 9 februari 2010) op basis van een overeenkomst van opdracht. 2.3. Partijen hebben in eerste instantie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006. In deze arbeidsovereenkomst is een relatiebeding opgenomen. 2.4. [gedaagde] is per 1 januari 2007 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij AvM. Ook in de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is een relatiebeding opgenomen. 2.5. Op 9 februari 2010 hebben partijen vervolgens een overeenkomst van opdracht gesloten. Hierin is, voor zover van belang, het volgende bepaald: “(…) Artikel 2 Werkzaamheden (…) De werkzaamheden die opdrachtnemer voor opdrachtgever verricht bestaan uit het trainen, coachen, begeleiden, adviseren en ondersteunen van organisaties en medezeggenschapsorganen op het terrein van medezeggenschap. Onder deze werkzaamheden wordt ook begrepen: - (…); - (…); - (…); - (…); - het namens de opdrachtgever onderhouden/verzorgen van de relatie met de in bijlage 2 “relatiebeheer” opgenomen klanten; - het opstellen van (meerjaren)opleidingsplannen op verzoek van in bijlage 2: “relatiebeheer” opgenomen klanten. 3. (…) (…) De klanten waarover de opdrachtnemer het relatiebeheer voert, worden vermeld in bijlage 2: “relatiebeheer”. (…) Artikel 7 Relatie- en andere bedingen “Het is opdrachtnemer na beëindiging van deze overeenkomst niet toegestaan, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, contacten te onderhouden met of direct dan wel indirect diensten te verlenen aan klanten van AvM, waarvoor opdrachtnemer eerder in opdracht van of in het kader van een opdracht van de opdrachtgever werkzaamheden heeft verricht. Opdrachtnemer heeft deze schriftelijke toestemming zijdens opdrachtgever in ieder geval nodig totdat twee jaren zijn verstreken na beëindiging van de laatste opdracht door opdrachtnemer. Opdrachtnemer zal - behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing - verzoeken en contacten t.a.v. offertes, vervolgopdrachten en evaluaties in het kader van of voortvloeiende uit een door opdrachtnemer aanvaarde opdracht en vallende onder de diensten van de AvM, gedurende de looptijd en tot twee jaar na beëindiging van deze overeenkomst, naar opdrachtgever doorverwijzen. (…) (…) Bij overtreding van de voorgaande leden verbeurt opdrachtnemer een dadelijk en ineens opeisbare boete, zonder nader ingebrekestelling, van € 5.000,- per overtreding en onverminderd het recht van opdrachtgever tot schadevergoeding. (…) Artikel 9 Geschillen “(…) (…) Ten aanzien van kwesties waarin deze overeenkomst van opdracht niet voorziet, waarbij partijen niet tot een voor beide partijen bevredigende oplossing komen, wordt een door beide partijen aangewezen onafhankelijk bemiddelaar benoemd die een (bindend) advies kan geven over de inhoud dan wel de uitvoering van de voornoemde kwestie. (…)” 2.6. Aan de overeenkomst van opdracht is een door beide partijen ondertekende bijlage gehecht, getiteld “bijlage 2 Relatiebeheer”. In artikel 1 van deze bijlage is opgenomen dat opdrachtnemer ten behoeve van opdrachtgever het relatiebeheer zal verzorgen van de medezeggenschapsorganen van 37 daar genoemde organisaties en hun opvolgers. In artikel 2 van de bijlage is opgenomen dat het relatiebeding als omschreven in artikel 7 van de overeenkomst van opdracht niet geldt voor de medezeggenschapsorganen van 10 daar genoemde organisaties. 2.7. Bij brief van 30 december 2011 heeft [gedaagde] aangegeven de overeenkomst van opdracht met AvM te beëindigen per 29 februari 2012. 2.8. AvM heeft bij brief van 1 februari 2012 aangegeven akkoord te gaan de beëindiging van de samenwerking. In haar brief, met als onderwerp “ontbinding overeenkomst tot samenwerking [gedaagde] en AvM”, wijst AvM [gedaagde] - onder meer -op het in de overeenkomst van opdracht opgenomen relatiebeding en de daaraan verbonden boeteclausule. 2.9. [gedaagde] drijft sinds 1 januari 2010 onder de handelsnamen “Waag de Stap” en “De Pijl Medezeggenschap” een eenmanszaak met als activiteiten “Bedrijfsopleiding en -training -coaching, training en adviesbureau voor management en medezeggenschap -loopbaanbegeleiding”. 2.10. AvM heeft twee rapporten van Hoffmann Bedrijfsrecherche in het geding gebracht. In het rapport van 5 april 2013 (nr. 21209037 II) wordt onder andere melding gemaakt van telefonisch contact met (medewerkers van) Hypotheek Visie Centrale en de gemeente Voerendaal. (De medewerkers van) deze organisaties hebben blijkens het rapport aangeven gebruik te hebben gemaakt van de diensten van (de eigen onderneming van) [gedaagde]. 2.11. Bij de stukken bevindt zich een drietal aan AvM gerichte facturen van Hoffmann Bedrijfsrecherche d.d. 24 december 2012. Het totaalbedrag van de facturen is € 3.933,00 (inclusief BTW). 2.12. Bij brief van 11 april 2013 heeft (de advocaat van) AvM zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] het relatiebeding heeft overtreden en dat hij als gevolg daarvan gehouden is om boetes te betalen en schade te vergoeden. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld openheid van zaken te geven en hij is, voor het geval hij die openheid niet wenst te geven, gesommeerd om binnen 14 dagen een bedrag van € 30.000,00 te voldoen vanwege overtreding van het relatiebeding. 3Het geschil in conventie 3.1. AvM heeft bij dagvaarding - samengevat - gevorderd dat de rechtbank [gedaagde] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt: tot betaling aan haar van een bedrag van € 30.000,00 aan verbeurde boetes wegens overtreding van het relatiebeding, vermeerderd met een boete van € 5.000,00 per overtreding waarvan in deze procedure komt vast te staan dat [gedaagde] deze heeft begaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het begaan van de overtreding, althans vanaf 25 april 2013, althans vanaf het verzuim tot aan het moment van algehele voldoening; tot betaling aan haar van de schade die zij heeft geleden door de overtreding van het relatiebeding, waarvan de hoogte in deze procedure blijkt, althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 april 2013, althans vanaf het verzuim, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan het moment van algehele voldoening; tot betaling aan haar van een bedrag van € 3.933,00, zijnde de door AvM gemaakte (deskundigen)kosten ter vaststelling van de overtredingen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2012, althans vanaf de dag der indiening van de dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening; tot betaling aan haar van de buitengerechtelijke incassokosten, te berekenen conform het besluit wettelijke normering incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, vemeererd met de wettelijke rente over de proces- en nakosten als [gedaagde] deze niet binnen 14 dage na dagtekening van het vonnis heeft betaald. 3.2. AvM heeft in haar akte van 30 oktober 2013 - onder verwijzing naar door [gedaagde] op grond van het vonnis in het incident aan haar toegestuurde bescheiden - gesteld dat [gedaagde] het relatiebeding 21 keer heeft overtreden, zodat de boete is opgelopen tot (21 x € 5.000,00) € 105.000,00. Voorts heeft zij gesteld dat de schade voor AvM € 54.425,00 bedraagt en de winst die [gedaagde] heeft gemaakt door overtreding van het relatiebeding € 55.951,00 exclusief BTW. AvM verzoekt de rechtbank haar schade, overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:104 BW, te begroten op de winst van [gedaagde]. 3.3. AvM grondt haar vordering op nakoming van de overeenkomst van opdracht. Zij stelt dat [gedaagde] het tussen partijen overeengekomen relatiebeding (21 keer) heeft overtreden en vordert de als gevolg daarvan verbeurde boetes en de door haar geleden schade, vermeerderd met rente en kosten. 3.4. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.6. [gedaagde] vordert dat de rechtbank AvM bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot voldoening aan hem van een bedrag van € 41.266,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2012, althans de dag van verzuim, althans vanaf 20 november 2013 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van AvM in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 15e dag na het vonnis wanneer AvM niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis betaalt. 3.7. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat AvM toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht door hem - anders dan is overeengekomen - niet het (volledige) relatiebeheer over de in de relatiebeheerlijst (bijlage 2 bij de overeenkomst van opdracht) genoemde klanten te gunnen. Hij stelt dat hij hierdoor schade heeft geleden en vordert deze schade, vermeerderd met rente en kosten van AvM. 3.8. AvM voert gemotiveerd verweer. 3.9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie (Niet-)ontvankelijkheid AvM 4.1. Volgens [gedaagde] dient AvM niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vorderingen omdat partijen in artikel 9 van de overeenkomst van opdracht zijn overeengekomen zich over geschillen verband houdende met de overeenkomst van opdracht (eerst) te wenden tot een onafhankelijk bemiddelaar voor een (bindend) advies. Vóór die tijd staat een gang naar de (burgerlijke) rechter voor AvM niet open, aldus [gedaagde]. 4.2. AvM betwist dat zij op grond van de geschillenregeling in de overeenkomst van opdracht gehouden is zich in het onderhavige geval (eerst) tot een onafhankelijk bemiddelaar te wenden. De geschillenregeling is volgens AvM uitsluitend van toepassing indien er - anders dan nu het geval is - tussen partijen een geschil ontstaat waarvoor in de overeenkomst van opdracht géén voorziening/oplossing is opgenomen. 4.3. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 7 van de overeenkomst van opdracht is een relatiebeding opgenomen. Partijen hebben thans een geschil over de toepasselijkheid en de reikwijdte van dit relatiebeding en over de gevolgen van eventuele overtreding daarvan. Nu AvM aan haar vorderingen een burgerlijk recht ten grondslag legt, is de burgerlijke rechter in beginsel bevoegd van dit geschil kennis te nemen. De in artikel 9 van de overeenkomst van opdracht opgenomen geschillenregeling maakt dit niet anders. In artikel 9 lid 2 van de overeenkomst van opdracht zijn partijen, blijkens de tekst van dit artikel, immers overeengekomen een onafhankelijk bemiddelaar te benoemen ‘ten aanzien van kwesties waarin de overeenkomst van opdracht niet voorziet’. Nu het geschil tussen partijen voortvloeit uit het in de overeenkomst van opdracht opgenomen relatiebeding, is sprake van een kwestie waarin de overeenkomst van opdracht wel voorziet, zodat partijen naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden zijn (eerst) een onafhankelijk bemiddelaar te benoemen. Niet gesteld of gebleken is dat AvM anderszins niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, zij kan derhalve in haar vorderingen worden ontvangen. Buitengerechtelijke ontbinding overeenkomst 4.4. [gedaagde] heeft voorts betoogd dat hij door AvM niet (meer) gehouden kan worden aan het relatiebeding, omdat hij de overeenkomst van opdracht bij brief van 30 december 2011 (buitengerechtelijk) heeft ontbonden vanwege wanprestatie aan de zijde van AvM. Dat AvM ook is uitgegaan van een ontbinding van de overeenkomst van opdracht, blijkt volgens [gedaagde] uit de brief van 1 februari 2012 waarin AvM expliciet als onderwerp vermeldt: ‘ontbinding van de overeenkomst tot samenwerking (…)’ (r.o. 2.8). Omdat artikel 6:271 BW bepaalt dat een ontbinding van een overeenkomst partijen bevrijdt van de daardoor getroffen verbintenissen, kunnen vorderingen op basis van het relatiebeding niet langer doel treffen, zo betoogt [gedaagde]. 4.5. AvM betwist dat [gedaagde] de overeenkomst van opdracht buitengerechtelijk heeft ontbonden, of heeft kunnen ontbinden, vanwege een toerekenbare tekortkoming in de nakoming aan haar zijde. Zij stelt dat de brief van [gedaagde] van 30 december 2011 dient te worden gekwalificeerd als een opzeggingsbrief. En voert hiertoe aan dat [gedaagde] spreekt over “beëindiging” van de overeenkomst zonder een grondslag voor ontbinding te noemen en bij de beëindiging van de overeenkomst de opzegtermijn van 2 maanden in acht neemt. Ook wanneer aangenomen zou moeten worden dat sprake is van ontbinding van de overeenkomst, geldt volgens AvM het tussen partijen overeengekomen relatiebeding onverkort. Dit beding is naar haar aard juist bedoeld om na beëindiging van de overeenkomst te blijven gelden. 4.6. De rechtbank overweegt als volgt. [gedaagde] heeft de overeenkomst van opdracht, zo blijkt uit zijn brief van 30 december 2011 (r.o. 2.7), op enig moment willen beëindigen. Dat [gedaagde] de overeenkomst (buitengerechtelijk) heeft willen ontbinden, volgt echter niet uit deze brief nu daarin een grond voor ontbinding ontbreekt. Uit de brief lijkt - gelet op het feit dat [gedaagde] de overeengekomen opzegtermijn in acht neemt - juist te volgen dat [gedaagde] de overeenkomst heeft willen opzeggen. De rechtbank is van oordeel dat de rechtshandeling van [gedaagde] gelet op het voorgaande dient te worden gekwalificeerd als een opzegging van de overeenkomst van opdracht. Dat AvM in haar antwoordbrief spreekt over ‘ontbinding’, rechtvaardigt geen andere kwalificatie van de rechtshandeling van [gedaagde]. [gedaagde] kan door AvM ook na de opzegging in beginsel worden gehouden aan het overeengekomen relatiebeding. Dit was overigens ook het geval geweest wanneer wel sprake zou zijn geweest van ontbinding van de overeenkomst. Uit een overeenkomst of wetsbepaling kan immers volgen dat bepaalde specifieke verbintenissen (die naar hun aard voort dienen te duren na de beëindiging van de overeenkomst) niet eindigen door ontbinding van de overeenkomst. Nu partijen door het overeenkomen van een relatiebeding juist beoogd hebben de situatie na beëindiging van de overeenkomst van opdracht te regelen en niet blijkt dat overeengekomen is dat het relatiebeding toepassing mist in geval van ontbinding van de overeenkomst, had AvM, naar het oordeel van de rechtbank, ook in dat geval een beroep kunnen doen op het overeengekomen relatiebeding. Het relatiebeding 4.7. In artikel 7 van de overeenkomst van opdracht is een relatiebeding opgenomen als weergegeven onder r.o. 2.5. AvM stelt dat [gedaagde] dit relatiebeding 21 keer heeft overtreden door binnen twee jaar na de beëindiging van de overeenkomst van opdracht diensten te verlenen aan (voormalig) klanten van AvM. 4.8. AvM heeft in haar akte van 30 oktober 2013 aangegeven dat het gaat om de volgende overtredingen: Roer en Overmaas 1x Regio Noord-Veluwe 1x Peel en Maas Vallei 3x Gemeente St. Anthonis 4x GGD Gelre IJssel 6x GGD Noord-Oost Gelderland 1x Saltijn Plus Architect 3x Hypotheek Visie Centrale 1x Gemeente Voerendaal 1x ------------------ 21x 4.9. AvM stelt dat [gedaagde] gelet op het bepaalde in artikel 7 lid 5 van de overeenkomst van opdracht een boete van € 5.000,00 per overtreding verbeurt en vordert, los van de door haar gevorderde schadevergoeding, een bedrag van (21x € 5.000,00 =) € 105.000,00. 4.10. [gedaagde] erkent het relatiebeding een enkele keer te hebben overtreden, van 21 overtredingen is volgens hem echter geen sprake. [gedaagde] werpt op dat AvM uitgaat van een onjuiste lezing van het relatiebeding en voert aan dat hij het relatiebeding, voor zover het gaat om de vragen wanneer de periode van twee jaar aanvangt, wat als klant van AvM moet worden gezien en wanneer de boete van € 5.000,00 is verbeurd, anders heeft begrepen en ook heeft mogen begrijpen. 4.11. Partijen verschillen, zo blijkt uit het voorgaande, van mening over de vraag welke betekenis moet worden toegekend aan enkele passages uit artikel 7 van de overeenkomst van opdracht. Dit betreft (steeds) een kwestie van uitleg. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635; Haviltex). In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen van het contract, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang (HR 20 februari 2004, NJ 2005/493). “Twee jaar” 4.12. De vraag die partijen in de eerste plaats verdeeld houdt, is de vraag wanneer de in het relatiebeding opgenomen termijn van twee jaar aanvangt. AvM stelt - onder verwijzing naar de tekst van het relatiebeding - dat het voor [gedaagde] op grond van dit beding verboden was om binnen twee jaar na beëindiging van zijn overeenkomst van opdracht, derhalve binnen twee jaar na 29 februari 2012, - kort gezegd - diensten te verlenen aan haar klanten. Zij voert daarbij enerzijds aan dat het gebruikelijk is om voor alle relaties een zelfde termijn te hanteren en wijst er anderzijds op dat de tekst van het in de overeenkomst van opdracht opgenomen relatiebeding gelijk is aan de tekst van het eerder in de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen partijen overeengekomen relatiebeding. In deze arbeidsovereenkomst was opgenomen dat werknemer in ieder geval schriftelijke toestemming van de werkgever nodig zou hebben totdat twee jaren zouden zijn verstreken “na beëindiging van de dienstbetrekking”. Uit het feit dat de laatste zinsnede in de overeenkomst van opdracht is gewijzigd in “na de laatste opdracht”, blijkt dat bedoeld is twee jaar na beëindiging van de met [gedaagde] gesloten overeenkomst van opdracht, zo betoogt AvM. 4.13. [gedaagde] werpt op dat hij altijd heeft begrepen dat het hem (slechts) verboden was om binnen twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht met een specifieke opdrachtgever/klant van AvM diensten te verlenen aan deze opdrachtgever. Het relatiebeding eindigt volgens [gedaagde] voor iedere opdrachtgever dan ook op een andere datum. Dat het hem in zijn algemeenheid verboden was om tot twee jaar na 29 februari 2012 diensten te verlenen aan klanten van AvM heeft hij nooit begrepen en ook niet hoeven begrijpen, zo stelt hij. 4.14. De rechtbank overweegt als volgt. Ter comparitie is gebleken dat tussen partijen bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht niet is gesproken over (de reikwijdte van) het daarin opgenomen relatiebeding. Voor de beantwoording van de vraag welke betekenis partijen in het onderhavige geval aan artikel 7 van de overeenkomst van opdracht mogen toekennen, is de taalkundige uitleg van dat artikel derhalve van groot belang. 4.15. In artikel 7 lid 1 van de overeenkomst van opdracht is het volgende bepaald: “Het is opdrachtnemer na beëindiging van deze overeenkomst niet toegestaan, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, contacten te onderhouden met of direct dan wel indirect diensten te verlenen aan klanten van AvM, waarvoor opdrachtnemer eerder in opdracht van of in het kader van een opdracht van de opdrachtgever werkzaamheden heeft verricht. Opdrachtnemer heeft deze schriftelijke toestemming zijdens opdrachtgever in ieder geval nodig totdat twee jaren zijn verstreken na beëindiging van de laatste opdracht door opdrachtnemer.” In artikel 7 lid 2 van de overeenkomst van opdracht staat vervolgens: “Opdrachtnemer zal - behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing - verzoeken en contacten t.a.v. offertes, vervolgopdrachten en evaluaties in het kader van of voortvloeiende uit een door opdrachtnemer aanvaarde opdracht en vallende onder de diensten van de AvM, gedurende de looptijd en tot twee jaar na beëindiging van deze overeenkomst, naar opdrachtgever doorverwijzen.” 4.16. Partijen twisten over de vraag of de passage ‘totdat twee jaren zijn verstreken na beëindiging van de laatste opdracht door opdrachtnemer’ in artikel 7 lid 1 uitgelegd moet worden als twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht met de betreffende opdrachtgever/klant, dan wel als twee jaar na de beëindiging van de overeenkomst van opdracht tussen AvM en [gedaagde]. De passage laat tekstueel gezien mogelijk ruimte voor beide lezingen. In artikel 7 lid 2 van de overeenkomst van opdracht staat, in aanvulling op het in lid 1 bepaalde, evenwel dat opdrachtnemer tot twee jaar na beëindiging van ‘deze overeenkomst’ - kort gezegd - klanten dient door te verwijzen naar AvM. ‘Deze overeenkomst’ verwijst daarbij taalkundig gezien naar de tussen AvM en [gedaagde] gesloten overeenkomst van opdracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] uit lezing van de leden 1 en 2 van artikel 7 van de overeenkomst van opdracht, in onderlinge samenhang bezien, redelijkerwijs moeten begrijpen dat het hem verboden was om tot twee jaar na beëindiging van de overeenkomst van opdracht, derhalve tot twee jaar na 29 februari 2012, diensten te verlenen aan klanten van AvM. Daar komt nog bij dat AvM onbetwist heeft gesteld dat de tekst van het in de overeenkomst van opdracht opgenomen relatiebeding gelijk is aan de tekst van het tussen partijen eerder in het kader van de arbeidsovereenkomst overeengekomen relatiebeding en het in het algemeen gebruikelijk is dat opdrachtgever en opdrachtnemer één einddatum voor alle klanten overeenkomen. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] gelet op al het voorgaande redelijkerwijs heeft kunnen en moeten begrijpen dat het hem verboden was om tot 29 februari 2014 diensten te verlenen aan (voormalig) klanten van AvM en zal daarom bij de verdere beoordeling uitgaan van deze uitleg. “Klant van AvM” 4.17. De vraag die partijen vervolgens verdeeld houdt is wat als klant van AvM in de zin van artikel 7 lid 1 van de overeenkomst van opdracht moet worden gezien. Voor de verdere beoordeling van het geschil is daarbij in de eerste plaats van belang of een Bijzondere Ondernemingsraad (BOR) van een aantal gemeentes en de afzonderlijke ondernemingsraden van deze gemeentes voor wat betreft de uitleg van het relatiebeding met elkaar te vereenzelvigen zijn. Meer specifiek speelt de vraag of [gedaagde] nadat hij vanuit AvM diensten heeft verleend aan de ondernemingsraad van een specifieke gemeente op grond van het relatiebeding al dan niet (vervolgens) werkzaamheden mag verrichten voor de BOR van een conglomeraat van (fusie)gemeentes waarbij ook deze gemeente is aangesloten. [gedaagde] stelt dat dit het geval is, omdat het hem op grond van de tekst van het relatiebeding slechts verboden is om ‘diensten te verlenen aan klanten van AvM waarvoor hij eerder in opdracht van of in het kader van een opdracht van de opdrachtgever werkzaamheden heeft verricht’. Het klantbegrip dient volgens [gedaagde], gelet op de letterlijke tekst van het relatiebeding, beperkt uitgelegd te worden. Alleen de juridische entiteiten die zijn opgenomen in de relatiebeheerlijst (r.o. 2.6) vallen hier onder. AvM staat een ruimere uitleg van het klantbegrip voor. Volgens AvM vallen onder het relatiebeding alle medezeggenschapsorganen van de rechtspersonen waarvan individuen dan wel afdelingen trainingen hebben gevolgd bij [gedaagde]. Achtergrond van het relatiebeding is volgens AvM dat [gedaagde] geen klanten bij haar weghaalt. [gedaagde] had de bijzondere ondernemingsraden nooit kunnen bedienen, als hij niet via AvM diensten had verleend aan ondernemingsraden en op grond daarvan contact had gehad met de ondernemingsraadleden die nu plaats nemen in deze bijzondere ondernemingsraden. 4.18. Ook hier gaat het om een kwestie van uitleg waarbij hetgeen is overwogen in r.o. 4.11 heeft te gelden. Vooropgesteld wordt dat, nu tussen partijen niet is gesproken over de reikwijdte van het klantbegrip, aan de taalkundige bewoordingen van het relatiebeding groot gewicht toekomt. Volgens de tekst van het relatiebeding is het [gedaagde] niet toegestaan om ‘diensten te verlenen aan klanten van AvM, waarvoor hij eerder in opdracht van of in het kader van een opdracht van de opdrachtgever werkzaamheden heeft verricht’. Op grond van een strikte taalkundige uitleg van het beding gaat het dus enkel, zoals [gedaagde] ook betoogt, om de specifieke entiteiten waaraan hij vanuit AvM diensten heeft verleend. Met AvM is de rechtbank evenwel van oordeel dat een relatiebeding bedoeld is om de overname van klanten door de opdrachtnemer tegen te gaan, zodat onder omstandigheden - bijvoorbeeld na een naamswijziging of fusie van een klant - ook sprake kan zijn van een klant waarvoor eerder diensten zijn verricht, als wijzigingen zijn opgetreden binnen de oorspronkelijke entiteit. [gedaagde] heeft echter onbetwist betoogd dat de afzonderlijke ondernemingsraden van de gemeentes waarvoor hij werkzaamheden heeft verricht vanuit AvM (de rechtbank begrijp tot het moment dat de fusie is voltooid) zijn blijven bestaan, zodat er naast de bestaande klant van AvM een klant bij is gekomen, die [gedaagde] nu bedient. Van het weghalen van klanten bij AvM is aldus geen sprake geweest. De rechtbank is van oordeel dat tegen deze achtergrond en gelet op het feit dat voor [gedaagde] sprake is van bezwarend beding waarvan de tekst kennelijk (het tegendeel is gesteld nog gebleken) uit de koker van AvM komt, geen sprake kan zijn van een extensieve uitleg van het klantbegrip ten voordele van AvM. Het moet voor een opdrachtnemer immers volstrekt duidelijk zijn waartoe hij zich verbindt. [gedaagde] heeft gelet op het voorgaande redelijkerwijs mogen begrijpen dat het hem toegestaan was diensten te verlenen aan een BOR van fusiegemeentes wanneer hij eerder vanuit AvM diensten had verleend aan de ondernemingsra(a)d(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.