RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Promis II Parketnummer : 05/740149-13 Datum zitting : 24 juni 2014 Datum uitspraak : 8 juli 2014 TEGENSPRAAK Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen naam : [verdachte] geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats] adres : [adres 1] plaats : [woonplaats] raadsman : mr. E. Bülbül, advocaat te Arnhem. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. Primair hij op of omstreeks 13 november 2013 te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] voornoemd met een mes in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt: Subsidiair hij op of omstreeks 13 november 2013 te Arnhem, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (steekwond in de buik), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een mes in de buik te steken; Meer Subsidiair hij op of omstreeks 13 november 2013 te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] voornoemd met een mes in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij op of omstreeks 04 juni 2013 te Arnhem, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), met kracht tegen het lichaam heeft geduwd waardoor zij op/tegen de bank ten val is gekomen en/of een of meermalen bij de keel heeft gegrepen en/of de keel met kracht heeft dicht geknepen en/of een of meermalen met kracht het hoofd van die [slachtoffer 2] tegen de muur heeft geduwd/gedrukt en/of die [slachtoffer 2] in de wang/kaak heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; 2Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is op 24 juni 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. E. Bülbül, advocaat te Arnhem. Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen[slachtoffer 1], bijgestaan door [medewerker] van slachtofferhulp. De officier van justitie, mr. D.E. Schaap, heeft gerekwireerd. Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. 3. De beslissing inzake het bewijs Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 13 november 2013 bevonden het slachtoffer [slachtoffer 1] en verdachte zich in de woning van verdachte aan de [adres 1] te Arnhem. Aldaar is een worsteling tussen verdachte en [slachtoffer 1] ontstaan. Vervolgens heeft verdachte uit de keuken van zijn woning een mes gepakt. [slachtoffer 1] heeft letsel bekomen, veroorzaakt door steken met een mes.Het letsel bestond uit een schaafwond aan de rechterzijde van de hals en een steekwond in de linker bovenbuik met een lengte van 2 cm en met een diepte groter dan de lengte van de huidonderbreking. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag. Het standpunt van de verdediging Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder feit 1 nu het opzet van verdachte niet was gericht op het doden van [slachtoffer 1] noch op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1]. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het letsel van aangever is veroorzaakt door opzettelijk handelen van verdachte. Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard: “(…) [verdachte] had mij toen uitgenodigd. We hebben toen veel gepraat en muziek geluisterd. Gewoon gezellig. We hebben toen ook samen gedronken. Hoeveel we toen gedronken hebben weet ik niet meer, wel behoorlijk veel. (…) We dronken wel stevig, we zijn beide alcoholisten namelijk. (…) Het volgende dat ik mij kan herinneren is dat ik op de grond lag en er bloed uit mij kwam. Ik kan niet schatten hoe laat dat is geweest. Ik lag op de grond en de politie en de ambulance kwam binnen. Ik zag dat ik een snee in mijn zij had. Ik zag dat deze in mijn linkerzij, net onder de ribbenkast zat. Ik zag dat deze snee zo’n 2,5cm breed was. Ik moest van de politie mijn hand erop houden totdat de ambulancebroeder er was.” Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij ten tijde van het tenlastegelegde onder invloed was en dat hij 3 pillen Bromazepam had ingenomen. Over de gebeurtenissen in de nacht van 12 op 13 november 2013 heeft verdachte tegenover de politie op 13 november 2013 onder andere verklaard: “Kort daarna kregen wij een worsteling. (….) Waaruit die worsteling voortkwam weet ik ook niet. (…) [slachtoffer 1] werd ook wild. Ik werd toen bang van hem. (…) Het was meer een krachtmeting.(…) [slachtoffer 1] deed tijdens de worsteling ook weer zo raar met zijn armen. (…) Ik voelde het is een sterke jongen, dit weet ik niet maar vul ik zelf in, dat ik toen het mes ging pakken. (…) Een keukenmes, van mij. (…) Een zwart handvat, ongeveer 20 cm inclusief lemmet. Dit is een puntig mes. Hij loopt echt in een punt. (…) het lag altijd in de keukenla. Dit mes lag in de linker keukenla. (…) Ik had het mes in mijn hand. Ik weet niet meer of [slachtoffer 1] op mij af kwam of ik naar hem toe. (…) V: Toen u het mes voor uw hield, hoeveel afstand was er toen tussen u en [slachtoffer 1]? A: Ik denk één meter of anderhalve meter, Hij zag mij natuurlijk ook het mes pakken. Ik dreef hem naar achteren volgens mij. (…)”. Op 14 november 2013 heeft verdachte hieromtrent verklaard: “Toen vond de worsteling plaats tussen de twee banken. (…) Toen werd ik bang. Toen ben ik vliegensvlug naar de keukenla gegaan.(…) Daar heb ik het mes uit gehaald (…) Hij is niet achter mij aan gelopen toen ik het mes ging pakken. Hij is volgens mij op de plek waar de worsteling begon blijven staan. Althans, dat vermoed ik. (..) Ik liep weer terug naar [slachtoffer 1]. Ik zag dat [slachtoffer 1] terugdeinsde (…) Dat is het nu juist, kwam hij op mij af of niet. Ik had het mes met gestrekte arm voor mij. (…)” Voorts heeft verdachte bij de rechter-commissaris op 15 november 2013 over deze gebeurtenissen verklaard: “ [slachtoffer 1] had een flesje voor zich staan met wodka. Ik heb dat leeggedronken helemaal en toen ontstond de worsteling. [slachtoffer 1] werd er namelijk boos en agressief over. Ik ben naar de keuken gegaan en heb een mes uit de keukenla gepakt. Ik was bang (…)” Ter terechtzitting heeft verdachte eveneens verklaard dat er een worsteling tussen hem en [slachtoffer 1] ontstond en hij in paniek naar de keukenla is gegaan en daar een mes heeft gepakt om [slachtoffer 1] op afstand te houden. Tevens heeft verdachte verklaard; “ We stonden tussen de bankstellen en ik wilde hem op afstand houden en heb een mes gepakt uit keuken. Ik was bang. Ik heb dit namelijk in het verleden eerder meegemaakt. Ik had mijn rechterarm gestrekt en hield zelf met mijn linkerarm mijn rechteronderarm vast. (…) [slachtoffer 1] stond in de hoek waar het wasrek stond. (…) Hem wegdrijven was dan ook moeilijk, maar dat was wel mijn bedoeling. De afstand tussen ons was één tot anderhalve meter, herinner ik mij. (…)“. Bij zijn verklaring op 13 november 2013 heeft verdachte over het steken verklaard: “(…) Ik voelde ook dat het niet zo diep was. Ik heb nog nooit iemand gestoken. (…) De punt ging er niet diep in. (…) Het eerste dat ik toen deed is een theedoek pakken om op de wond te drukken en 112 gebeld.” In de verklaring van verdachte op 14 november 2013 heeft hij hierover verklaard: “(…) Ik zag toen dat de punt van het mes er bij [slachtoffer 1] inging. Ik trok het mes toen gelijk terug.(…) En toen stak ik hem met mijn mes in de borst onder of tussen de ribben.” De raadsman heeft betoogd dat de verklaring die verdachte op 14 november 2013 heeft afgelegd, onbetrouwbaar is, nu verdachte aantoonbaar onjuist heeft verklaard dat hij zag dat “[slachtoffer 1] zijn trui omhoog deed” en dat toen de punt van het mes er bij [slachtoffer 1] inging. Er is immers bij het sporenonderzoek van het t-shirt van verdachte gebleken dat [slachtoffer 1] door zijn t-shirt heen is gestoken. Dit verweer treft echter geen doel nu de onjuistheid van een deel van een verklaring er niet zonder meer toe leidt dat de volledige verklaring moet worden uitgesloten van de bewijsmiddelen. Zeker niet nu de voornoemde verklaring van verdachte wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen zoals eerdere en latere verklaringen van verdachte en de letselverklaring. Op grond van voornoemde verklaringen stelt de rechtbank vast dat verdachte bij of naar aanleiding van de worsteling met [slachtoffer 1] op eigen initiatief een keukenmes uit de keukenla heeft gepakt, vervolgens naar [slachtoffer 1] is toegelopen terwijl hij dit mes met gestrekte arm in de richting van [slachtoffer 1] vasthield, waarbij hij [slachtoffer 1] naar achteren dreef. Daarnaast kan uit de verklaringen van verdachte en de tekeningen die hij van deze situatie heeft gemaakt, worden opgemaakt dat [slachtoffer 1] naar achter werd gedreven tot hij niet verder kon omdat er achter hem een muur was, althans een wasrek stond. Verder overweegt de rechtbank dat gelet op de verklaringen van verdachte omtrent het steken, verdachte zich bewust was van het steken en van de plaats waar [slachtoffer 1] met het mes werd gestoken. Nu verdachte [slachtoffer 1] naar achter heeft gedreven door met gestrekte arm met een mes naar hem toe te lopen, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte [slachtoffer 1] heeft gestoken met dit mes. De mogelijkheid dat [slachtoffer 1] wellicht naar voren is gestapt en zodoende in het mes is gelopen, doet hieraan niet af nu [slachtoffer 1] door verdachte in een hoek werd gedreven. Hierbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat [slachtoffer 2], een vriendin en buurvrouw van verdachte, tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat verdachte over het voorval tegen haar heeft verteld; “het was hij of ik”. Gelet op deze feiten en omstandigheden is het handelen van verdachte, het steken in de buik, naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht op het toebrengen van letsel in de buik van aangever. Daaruit leidt de rechtbank zijn opzet af op (tenminste) het toebrengen van letsel. Vervolgens moet de rechtbank in deze zaak beslissen of de handeling van verdachte een poging tot doodslag, hetzij het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dan wel poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel oplevert. Uit de medische informatie blijkt dat [slachtoffer 1] door het steekincident een verwonding heeft in de linker bovenbuik, twee centimeter onder de ribbenboog. Het betreft een huidonderbreking van circa twee centimeter lang en een breedte die varieert van circa twee millimeter in de beide hoeken tot in het midden van circa zeven millimeter. Er heeft een spoedoperatie plaatsgevonden ter vaststelling van inwendig buikletsel , hetgeen niet het geval was. Daarna heeft er opname op de verpleegafdeling plaatsgevonden voor herstel na de buikoperatie en antibioticatherapie. In de letselverklaring staat: “ (…)Het had goed mogelijk kunnen zijn dat de darmen, de milt een deel van de lever, de alvleesklier of de linker nier met bijbehorende bloedvatvoorziening door de steekverwonding geraakt waren. Inwendig buikletsel aan de bloedvaten leidt tot veel inwendig bloedverlies in de buikholte en tot een levensbedreigende situatie.(…) Inwendig borstletsel zou kunnen zijn het aanprikken van de linker long met bijbehorende bloedvatvoorziening. Er zou een levensbedreigende bloeding in de linkerborstholte kunnen ontstaan. Het aanprikken van een long leidt tot een klaplong. (…) Er was derhalve potentieel levensbedreigend gevaar voor beschadiging van vitale lichaamsdelen op/nabij de plaats van de steekverwoning.” Het blijvend letsel bij [slachtoffer 1] zal bestaan uit een litteken ten gevolge van de steekverwonding en een litteken ten gevolge van de buikoperatie. De rechtbank overweegt dat uit geen van de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte [slachtoffer 1] met het mes heeft gestoken met het opzet hem van het leven te beroven. Niettemin kan (voorwaardelijk) opzet op de dood bewezen worden geacht als uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] door de steekwond zou komen te overlijden. Of dit bewezen kan worden geacht, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer betekenis toekomt aan de aard van de handeling en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Nu vaststaat dat verdachte [slachtoffer 1] éénmaal met een puntig mes van 20 cm (inclusief handvat) heeft gestoken in de bovenbuik waardoor een steekverwonding van meer dan 2 cm diep is ontstaan, kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans was dat vitale lichaamsdelen zouden worden getroffen. Mede gelet op de letselverklaring waaruit blijkt dat sprake was van potentieel levensbedreigend gevaar, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijke opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1]. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 4 juni 2013 had verdachte in zijn woning te Arnhem ruzie met [slachtoffer 2] (hierna te noemen: [slachtoffer 2]) en heeft hij haar geduwd en gebeten. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde mishandeling. Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft naar voren gebracht dat deze zaak voor zowel verdachte als mevrouw [slachtoffer 2] al lang niet meer speelde en dat zij, gelet op het tijdsverloop na de aangifte van [slachtoffer 2], ervan waren uitgegaan dat de zaak was geseponeerd. [slachtoffer 2] heeft dan ook aangegeven dat zij haar aangifte wil intrekken, aldus de raadsman. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat nu is komen vast te staan dat verdachte [slachtoffer 2] krachtig heeft geduwd waardoor zij ten val is gekomen en haar bij de kaak en/of het hoofd heeft vastgepakt en tegen de deur heeft geduwd ,alsmede haar heeft gebeten in wang of kaak waardoor bij haar meerdere blauwe plekken op arm, been, rug en nek zijn ontstaan, wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld. Hoewel aangeefster [slachtoffer 2] blijkens haar brief van 18 juni jl. is teruggekomen van haar aangifte, hecht de rechtbank meer geloof aan haar bij de politie afgelegde verklaring nu deze gedetailleerd is en ondersteuning vindt in het geconstateerde letsel. Conclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat: 1. Primair hij op of omstreeks 13 november 2013 te Arnhem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] voornoemd met een mes in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij op 04 juni 2013 te Arnhem, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), met kracht tegen het lichaam heeft geduwd waardoor zij tegen de bank ten val is gekomen en het hoofd van die [slachtoffer 2] tegen de muur heeft geduwd en die [slachtoffer 2] in de wang/kaak heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1, primair: Poging tot doodslag Ten aanzien van feit 2: Mishandeling De feiten zijn strafbaar. 5De strafbaarheid van verdachte Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar. 6De motivering van de sanctie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.