vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/251474 / HA ZA 13-661 Vonnis van 23 juli 2014 in de zaak van [eiser] , wonende te [plaats], eiser, advocaat mr. F.E.C. Koopman en mr. R.E. Koopman te ’s-Hertogenbosch, tegen 1. de maatschap naar burgerlijk recht DE MUL ZEGGER ADVOCATEN NIJMEGEN/MALDEN, gevestigd te Nijmegen, 2. [gedaagde sub 2], wonende te [plaats], gedaagden, advocaat mr. R.D. Lubach te Amsterdam. Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd, gedaagden gezamenlijk DMZ c.s. en afzonderlijk DMZ en [gedaagde sub 2]. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 8 januari 2014 de door de advocaat van DMZ c.s. toegezonden productie 5, ingekomen op 4 maart 2014 de door de advocaat van [eiser] toegezonden producties 21 en 22, ingekomen op 6 maart 2014 - het proces-verbaal van comparitie van 18 maart 2014, waarbij door de advocaten van zowel [eiser] als van DMZ c.s. spreekaantekeningen zijn overgelegd. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Tussen [eiser] en DMZ bestaat vanaf medio 1989 een overeenkomst van opdracht, waarbij met name [gedaagde sub 2] [eiser] jarenlang juridische bijstand heeft verleend en diverse procedures van uiteenlopende aard namens [eiser] heeft gevoerd. 2.2. De (inmiddels overleden) vader van [eiser] had grond met opstallen in eigendom in de omgeving van winkelcentrum Molenhoek in de gemeente [plaats]. Op dit perceel bevond zich de door [eiser] vanaf 1983 samen met zijn vader geëxploiteerde slagerij en twee geschakelde woningen. [eiser] heeft bij akte van 13 augustus 1991 de economische eigendom van het perceel verkregen en na het overlijden van zijn vader bij akte van scheiding en deling van 16 december 1992 de juridische eigendom. 2.3. In maart 1987 heeft [eiser] een bouwaanvraag ingediend bij de toenmalige gemeente [plaats] voor het bebouwen van het perceel. Deze bouwaanvraag is afgewezen, omdat deze niet zou voldoen aan het vigerende bestemmingsplan Molenhoek-Oost 4e herziening. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het beroep van [eiser] tegen deze afwijzing op 10 januari 1990 ongegrond verklaard. 2.4. Bij besluit van de Kroon van 12 oktober 1990 is het bestemmingsplan Molenhoek Oost 6e herziening in werking getreden. De Kroon heeft daarbij goedkeuring onthouden aan het in de herziening opgenomen gebruiksverbod onder art. 12 lid C onder II. 2.5. In oktober 1994 heeft [eiser] opnieuw een bouwvergunning aangevraagd, nu voor een uitbreiding van de bebouwing met 680 m² bedrijfsvloeroppervlakte voor detailhandel. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (hierna: GS) hebben bij besluit van 9 oktober 1995 geweigerd een verklaring van geen bezwaar voor deze vergunning te verlenen omdat het vloeroppervlakte voor detailhandel, in strijd met het provinciale beleid, meer dan 250 m² bedroeg. Dit besluit is in bezwaar in stand gebleven. 2.6. Op 4 november 1996 heeft [eiser] verzocht om met toepassing van de zogenaamde toverformule de gehele bedrijfsvloeroppervlakte te mogen gebruiken voor detailhandel. De gemeente heeft dit verzoek bij besluit van 21 november 1996 afgewezen. Bij brief van 27 maart 1998 heeft [eiser] hier nogmaals om verzocht, waarna dit verzoek bij besluit van 15 juni 1998 door de gemeente is afgewezen. 2.7. Op of omstreeks 21 januari 2001 is het nieuwe bestemmingsplan Molenhoek-Sparrenburg in werking getreden. GS hebben bij besluit van 19 december 2000 goedkeuring onthouden aan de bepaling in het bestemmingsplan inhoudende dat voor op de plankaart nader aangeduide locaties (waaronder het perceel van [eiser]) de maximale verkoopvloeroppervlakte van 250 m2 niet mag worden overschreden, zulks in verband met – kort gezegd- een daaraan klevend formeel gebrek dat, zoals GS heeft overwogen, door de gemeente op basis van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kon worden hersteld. Het gebrek bestond eruit dat de legenda bij de plankaart niet overeenstemt met de aanduiding in de planvoorschriften. 2.8. De gemeente heeft het bestemmingsplan niet overeenkomstig artikel 30 WRO aangepast. 2.9. Bij brief van 19 mei 2003 heeft [gedaagde sub 2] namens [eiser] aan het college van burgemeester en wethouders (hierna: B&W) het volgende, voor zover hier van belang, geschreven: “(…) Cliënt is al sinds medio jaren ’80 in overleg met de gemeente over de bestemming en de ruimtelijke indeling van het perceel gelegen aan [adres], waar cliënt voorheen een ambachtelijke slagerij annex slachterij heeft gerund. De heer [eiser] had daar, afgezien van de slagerij/slachterij, de beschikking over 928 m2 bedrijfsoppervlak. De wens van cliënt om over te gaan op een modernere bedrijfsvoering ter plaatse, te weten detailhandel, heeft geleid tot herhaaldelijk overleg met de gemeente en diverse procedures. Daarbij is de gemeente meerdere malen aansprakelijk gesteld door cliënt, voor de eerste maal bij brief d.d. 16 september 1987. In 1997 is nieuwbouw van het pand aan [adres] opgeleverd. De activiteiten die ter plaatse waren toegestaan, te weten horeca-activiteiten (catering), ambachtelijke consumentverzorgende activiteiten (slagerswerkzaamheden) en detailhandel (verkoop van vlees) konden door cliënt om medische redenen niet langer worden uitgeoefend. Cliënt heeft toen de mogelijkheden van opvolging onderzocht maar dit is niet succesvol gebleken. Als gevolg daarvan staat 500 m2 bedrijfsoppervlak reeds 6 jaar leeg en dit heeft, ook financieel gezien, voor de heer [eiser] zeer nadelige gevolgen. Recentelijk heeft zich eindelijk een potentiële huurder gemeld (…). Inmiddels heeft er overleg plaatsgevonden op 15 mei jl. tussen cliënt, ondergetekende en de heer [naam 1], werkzaam bij economic affairs van uw gemeente. Tijdens dit gesprek zijn onder andere de mogelijkheden besproken tot medewerking van de gemeente aan adequate invulling van de bedrijfsruimte van de heer [eiser]. Namens cliënt verzoek ik uw College thans toestemming te verlenen primair voor ingebruikname van de bedrijfsruimte van cliënt voor het exploiteren van een fitnesscentrum als een tijdelijke oplossing en voor de lange termijn uw medewerking te verlenen aan het vinden van een structurele oplossing door het toestaan van gehele of gedeeltelijke invulling van vorenbedoelde 500 m2 door detailhandel. Een en ander vooruitlopend op de herijking van het bestemmingsplan ter plaatse, in het licht van de planologische uitbreidingsmogelijkheden van diverse betrokken ondernemers.” 2.10. De gemeente heeft hierop bij brief van 18 juni 2003 het volgende, voor zover hier van belang, geantwoord: “(…) Het pand (…) heeft volgens het bestemmingsplan ‘Molenhoek-Sparrenburg’ de bestemming ‘Gemengde doeleinden’. Het gebruik als fitnesscentrum past zonder meer binnen die bestemming. Voor een dergelijk gebruik is geen toestemming van de gemeente nodig. Het stedenbouwkundig beleid is en blijft erop gericht de bedrijfsvloeroppervlakte van detailhandelsvestigingen te beperken tot maximaal 250 m2. Ik kan dus thans niet voldoen aan het verzoek van uw cliënt om voor de lange termijn medewerking te verlenen aan een structurele oplossing van het exploitatieprobleem door het toestaan van gehele of gedeeltelijke invulling van 500 m2 bedrijfsoppervlak voor detailhandel.” 2.11. [eiser] heeft vervolgens tot 2013 490 m2 van zijn opstallen verhuurd aan een exploitant die hierin een fitnesscentrum heeft gevestigd. 2.12. [eiser] heeft B&W op 24 januari 2006 verzocht om vergoeding van planschade als bedoeld in artikel 49 WRO. Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) heeft B&W geadviseerd om dit verzoek af te wijzen, omdat het bestemmingsplan “Molenhoek-Sparrenburg” voor [eiser] niet tot een nadeligere positie heeft geleid waaruit voor vergoeding vatbare schade in de vorm van waardevermindering is voortgevloeid. SAOZ heeft daartoe onder meer overwogen dat het gehele bouwvlak ter grootte van circa 900 m2 volgens haar ingericht mag worden voor detailhandel. B&W heeft daarop het verzoek tot planschadevergoeding afgewezen. 2.13. [eiser] heeft op 2 april 2006 opnieuw een bouwvergunning aangevraagd, nu bij de gemeente ’s-Hertogenbosch, waarin de gemeente Rosmalen per 1 januari 1996 is opgegaan. Deze bouwvergunning betrof het verbouwen van de winkel en de woning in een winkel met acht bovenwoningen en vier gestapelde woningen. Dit bouwplan bevatte een bedrijfsvloeroppervlakte van 730 m2 waarvan 250 m2 bestemd was voor detailhandel. B&W heeft bij besluit van 13 mei 2006 de bouwvergunning verleend conform aanvraag waarbij tevens een vrijstelling is verleend van het vigerende bestemmingsplan. 2.14. Bij dagvaarding van 15 oktober 2008 heeft [eiser] een verklaring voor recht gevorderd dat de gemeente een onrechtmatige daad jegens hem heeft gepleegd door hem mee te delen dat het gebruik van zijn percelen voor detailhandelsvestiging gemaximeerd was tot 250 m2. Daarnaast heeft [eiser] een verklaring voor recht gevorderd dat de gemeente jegens hem een onrechtmatige daad heeft gepleegd door toezeggingen ter zake de bebouwing en inrichting van zijn percelen niet gestand te doen. Voorts heeft [eiser] een verklaring voor recht gevorderd dat zijn percelen ter grootte van 928 m2 rechtens mochten en mogen worden gebruikt voor detailhandel doeleinden. Tot slot heeft [eiser] een schadevergoeding gevorderd, nader op te maken bij staat. De gemeente heeft de vorderingen van [eiser] weersproken. 2.15. De rechtbank heeft bij vonnis van 12 augustus 2009 de vorderingen van [eiser] afgewezen. Zij heeft daartoe onder meer overwogen dat het beroep van de gemeente op verjaring inzake de vordering op grond van gedane toezeggingen slaagt. De vordering inzake onrechtmatige mededelingen sinds juni 2003 heeft de rechtbank afgewezen omdat de brief van de gemeente (zie onder 2.10.) waarop [eiser] zich in dit verband beroept naar het oordeel van de rechtbank geen, althans geen eenduidige, mededeling bevat dat het gebruik van de percelen van [eiser] voor vestiging van detailhandel was beperkt tot 250 m2 en ook geen mededeling dat gebruik voor detailhandel op grond van het geldende bestemmingsplan niet zou zijn toegestaan. De rechtbank heeft de vordering met betrekking tot het toegestane gebruik voor detailhandel doeleinden afgewezen wegens ontbreken van belang. 2.16. [eiser] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof heeft in zijn arrest van 22 maart 2011 de vorderingen van [eiser], behoudens de vordering die betrekking heeft op door [eiser] gestelde toezeggingen, alsnog toegewezen. Daartoe heeft het hof in rov. 4.5 het volgende overwogen: “Voor zover de grief bedoelt te stellen dat de rechtbank alle vorderingen van appellante op grond van verjaring heeft afgewezen faalt zij, omdat het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.1, 4.2 en 4.3 blijkens de kop daarvan slechts betrekking heeft op de vorderingen inzake de door de gemeente beweerdelijk gedane toezeggingen tot april 1996. (…) In dit geval was het voor [eiser] in ieder geval op 2 april 1996, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, zo niet al eerder, duidelijk dat de Gemeente de voor [eiser] bestaande mogelijkheden beperkter oordeelde dan [eiser] zelf en de door [eiser] gestelde toezegging niet gestand zou doen, zodat [eiser] op dat moment wist dat er sprake was of kon zijn van schade in verband met het beperkte gebruik dat hij van zijn perceel kon maken, terwijl hij ook op de hoogte was van de daarvoor aansprakelijke persoon, namelijk de Gemeente die (in de visie van [eiser]) haar toezeggingen niet nakwam. Op het moment dat [eiser] de Gemeente aansprakelijk stelde – bij de brief van 9 juli 2007- was de verjaringstermijn dus reeds verstreken. [eiser] kan dan ook niet in de hier bedoelde vorderingen worden ontvangen, zoals de rechtbank terecht heeft beslist.” Hierna heeft het hof de vorderingen voor zover zij betrekking hebben op schade voortvloeiende uit deze gestelde toezeggingen afgewezen. Onder rov. 4.7 oordeelt het hof als volgt: “De brief van de Gemeente van 18 juni 2003 dient te worden geïnterpreteerd in het licht van de brief d.d. 19 mei 2003 van de advocaat van [eiser], [gedaagde sub 2], waarop zij immers een antwoord is. (…)Tegen die achtergrond kan de brief van [gedaagde sub 2] namens [eiser] naar het oordeel van het hof niet anders worden verstaan dan als een verzoek om duidelijkheid over diens situatie, zowel voor de korte termijn als voor de langere termijn. Het oordeel van de rechtbank dat [eiser] niet, althans onvoldoende duidelijk, heeft gevraagd naar de huidige gebruiksmogelijkheden wordt door het hof niet gedeeld. Uit de brief van [gedaagde sub 2] blijkt voldoende dat [eiser] er nog steeds (zoals al vanaf 1996 het geval was) op gericht was zijn perceel te doen gebruiken voor detailhandel, en dat de verhuur als fitnesscentrum slechts een tijdelijke voorziening was om in ieder geval enige inkomsten te verwerven uit het pand zolang gebruik voor detailhandel volgens de gemeente onmogelijk was, en dat hij daarover duidelijkheid wenst van de Gemeente. De mededeling in de brief van de Gemeente dat het stedenbouwkundige beleid erop is en blijft gericht de bedrijfsvloeroppervlakte van detailhandelsvestigingen te beperken tot maximaal 250 m², en dat thans niet kan worden voldaan aan het verzoek om voor de langere termijn medewerking te verlenen aan een structurele oplossing door het toestaan van gehele invulling van 500 m² voor detailhandel, kan naar het oordeel van het hof in het licht van de brief van [gedaagde sub 2] dan ook in redelijkheid niet anders worden verstaan dan als een mededeling dat het door [eiser] gewenste gebruik toen, en in ieder geval ook op de langere termijn, volgens de Gemeente niet mogelijk was. Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank de brief van de gemeente te beperkt heeft geïnterpreteerd. En onder rov. 4.13.: “(…) Vast staat echter dat dit beleid er niet toe heeft geleid dat dit gebrek in het bestemmingsplan Molenhoek-Sparrenburg- hoewel GS daar uitdrukkelijk op had gewezen- door de Gemeente adequaat is gerepareerd, terwijl de Gemeente evenmin wat dit betreft een ander bestemmingsplan heeft vastgesteld. Het bestemmingsplan zoals dat op dit moment gold bevatte daardoor geen belemmeringen voor het door [eiser] gewenste gebruik, en het enkele feit dat de Gemeente mogelijk op grond van haar beleid in de toekomst die situatie wilde veranderen betekent niet dat zij in haar brief van 18 juni 2003 niet aan [eiser] had moeten meedelen dat op dat moment geen beletselen bestonden (waaraan zij dan wel desgewenst had kunnen toevoegen dat de gemeente een ander beleid voorstond voor de toekomst). En onder 4.15.: “(…) De informatie in de brief van de Gemeente was onjuist, terwijl ook van de Gemeente mocht worden verlangd dat zij er op had gewezen dat op dat moment het vigerende bestemmingsplan niet in de weg stond aan het door [eiser] gewenste gebruik van het perceel [adres] voor detailhandel (…). “ 2.17. De gemeente heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Namens [eiser] heeft [naam 2] als cassatieadvocaat opgetreden. 2.18. In de brief van 13 juli 2011 van [gedaagde sub 2] aan [naam 2] staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “(…) U kunt de heer [eiser] in deze kwestie aanmerken als opdrachtgever echter, u kunt te allen tijde- telefonisch- contact met mij opnemen voor overleg. (...)”. 2.19. AG Spier heeft in zijn conclusie van 9 maart 2012 in het cassatieberoep onder rov 1.9.1 overwogen: “Op of omstreeks 21 januari 2001 is het bestemmingsplan Molenhoek-Sparrenburg in werking getreden. De onroerende zaken van [eiser] vallen in dat plan onder de "gemengde doeleinden" die onder andere zijn bestemd voor detailhandeldoeleinden. Gedeputeerde Staten hebben bij beslissing van 19 december 2000 goedkeuring onthouden aan de bepaling in het bestemmingsplan dat voor op de plankaart nader aangeduide locaties de maximale verkoopvloeroppervlakte niet mag worden overschreden. Deze beslissing is in § 2 (Beoordeling van het bestemmingsplan) als volgt gemotiveerd: "In artikel 4 "Gemengde doeleinden" wordt onder 4.3.1 ten aanzien van detailhandel bepaald dat voor de op de plankaart nader aangeduide locaties de aangeduide maximale verkoop vloeroppervlakte niet mag worden overschreden. Evenwel moet worden geconstateerd dat op basis van hetgeen in de legenda staat vermeld, een dergelijke aanduiding ontbreekt. Op de legenda is een aanduiding 'maximum aantal m² bedrijfsvloeroppervlakte' opgenomen, doch geconstateerd wordt dat de voorschriften niet naar een dergelijke aanduiding verwijzen. Dit gesignaleerde gebrek dient ertoe te leiden dat zowel de hiervoor vermelde aanduiding op de legenda alsook de zin in artikel 4.3.1 Detailhandel "Voor de op de plankaart nader aangeduide locaties de aangeduide maximale verkoop vloeroppervlakte niet mag worden overschreden.", niet voor goedkeuring in aanmerking kan komen. In het kader van de op basis van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening herzieningsverplichting dient de gemeente te komen tot een eensluidende regeling." En verder onder 1.9.2: “” In het besluit is voorts met betrekking tot de bedenkingen van [eiser] (die de bestemming van zijn perceel zodanig gewijzigd wenste te zien dat de bedrijfsruimte volledig voor detailhandel mocht worden aangewend) opgemerkt: "nu reeds om ambtshalve overwegingen, zoals genoemd onder 2; goedkeuring wordt onthouden aan de door reclamant gewraakte beperkingen in de voorschriften, kan de bedenking buiten behandeling blijven." Dit laatste is ook bij brief van 19 december 2000 aan de raadsman van [eiser] meegedeeld.” En voorts: 4.9.1 Bij de beoordeling van de klachten moet worden bedacht dat, naar in cassatie niet wordt bestreden, volgens het Hof ten tijde van het verzoek van [eiser] op het hele perceel detailhandel mogelijk was zolang het vigerende bestemmingsplan niet wordt gewijzigd; zie rov. 4.12 en het dictum. Ik begrijp dat oordeel aldus dat deze ruime bestemming tamelijk evident was. 4.9.2 Voorts heeft het Hof, in cassatie evenmin (door [eiser]) bestreden, geoordeeld dat uit de opzet van het bestemmingsplan kan worden afgeleid dat de Gemeente de bedoeling had om detailhandelsactiviteiten te beperken tot een grondoppervlakte van 250 m2 (rov. 4.13). 4.10.1 Zou moeten worden aangenomen dat de brief van [gedaagde sub 2] moest worden begrepen zoals deze door het Hof is uitgelegd, dan vroeg hij naar de bekende weg; zie onder 4.9.1. Anders dan het Hof heeft aangenomen, heeft Z.E.G. dat m.i. in zijn visie niet gedaan. Dat kan met name worden afgeleid uit de slotpassage van zijn hiervoor onder 1.11 geciteerde brief luidend: "Een en ander vooruitlopend op de herijking van het bestemmingsplan ter plaatse, in het licht van de planologische uitbreidingsmogelijkheden van diverse betrokken ondernemers". 4.10.2 De zojuist geciteerde passage laat m.i. redelijkerwijs geen andere lezing toe dan dat [gedaagde sub 2] (en daarmee rechtens [verweerder]) van oordeel was dat het bestaande bestemmingsplan het niet toeliet dat het hele perceel zou worden gebruikt voor detailhandel. Dat zo zijnde, ligt niet in de rede dat hij toch nog naar die mogelijkheid zou hebben gevraagd.” 2.20. De Hoge Raad heeft bij arrest van 25 mei 2012 in rov 3.6 het volgende geconcludeerd: “(…) is geen andere conclusie mogelijk dan dat [eiser] aan de brief van 18 juni 2003 niet het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat het door hem gewenste meer ruime gebruik van het perceel voor detailhandel onder het geldende bestemmingsplan niet mogelijk was. Weliswaar zou in de brief van de gemeente van 18 juni 2003 kunnen worden gelezen dat daarin ervan wordt uitgegaan - evenals overigens in de brief van de advocaat van [eiser] van 19 mei 2003 - dat de beperking van maximaal 250 m² voor detailhandel nog altijd geldt, maar dat enkele feit is onvoldoende voor een ander oordeel, nu [eiser], kort gezegd, niet heeft gevraagd naar (de gelding van) die beperking en het antwoord van de gemeente daarop dan ook geen betrekking had. In het midden kan blijven of [eiser], die als gezegd werd bijgestaan door een advocaat, niet zelf onder ogen had moeten zien dat, gelet op het uitblijven van de hiervoor in 3.1 onder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.