← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2014:7695

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Promis II Parketnummer : 05/862734-13 Datum zitting : 28 november 2014 Datum uitspraak : 12 december 2014 TEGENSPRAAK Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen naam : [verdachte] geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats] adres : [adres] plaats : [woonplaats] raadsvrouw : mr. R. van de Beek, advocaat te Bennekom. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 01 november 2013 te Barneveld, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachte's hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft hij, verdachte, die (geestelijk gehandicapte) [slachtoffer], terwijl hij haar in zijn taxibus vervoerde, in haar kruis en/of aan haar vagina betast en/of zijn vinger(s) in haar vagina gebracht. 2Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is op 28 november 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. R. van de Beek, advocaat te Bennekom. De officier van justitie, mr. P.A. de Boer, heeft gerekwireerd. Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd. 3De beslissing inzake het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. De officier van justitie is van mening dat de door [slachtoffer] tijdens het studioverhoor afgelegde verklaring voldoende wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen en door de overgelegde gps-gegevens van de route van de taxibus. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit nu er naar haar mening onvoldoende bruikbaar bewijs is voor een bewezenverklaring. Er ligt alleen de verklaring van [slachtoffer]. Niet uit te sluiten is dat een eerdere traumatische ervaring van het slachtoffer op 1 november 2013 is herbeleefd. Voorts kunnen de verklaringen van de hulpverleners niet als ondersteunend bewijs worden beschouwd nu deze verklaringen niet uit eigen waarneming zijn gedaan. De beoordeling van de rechtbank De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of kan worden bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan. [slachtoffer] heeft onder meer verklaard dat de taxichauffeur, die haar op 1 november 2013 in Barneveld heeft vervoerd, met zijn hand onder haar broek in haar kruis zat en dat hij twee keer in haar onderbroek in haar kruis gegaan is. Uit het dossier blijkt dat verdachte de taxichauffeur was die op 1 november 2013 dienst had en die haar heeft vervoerd. Uit het dossier blijkt echter niet dat verdachte op dat moment werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg en dat [slachtoffer] aan zijn hulp en/of zorg was toevertrouwd. Gelet op de strafbaarstelling in art. 249, tweede lid aanhef en onder 3 Sr., heeft het verbod betrekking op ontucht in de relatie hulpverlener-patiënt/cliënt. Beoogd wordt een patiënt of cliënt te beschermen tegen, onder meer, misbruik van het psychisch overwicht dat de hulpverlener op hem heeft of de afhankelijke positie en het vertrouwen dat hij van hem heeft gewonnen. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] niet of nauwelijks kende en dat hij verschillende mensen met zijn bus vervoerde (zoals ouderen, mensen die slecht ter been zijn, gehandicapten), voorts biedt het dossier geen aanknopingspunt om te kunnen vaststellen dat sprake was van een relatie als die tussen hulpverlener en patiënt, of een vergelijkbare afhankelijkheidsrelatie. Nu dit wel als zodanig is tenlastegelegd is geen wettig bewijs voorhanden met betrekking tot deze bestanddelen en zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde feit. 4De beslissing De rechtbank, rechtdoende: Spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit Aldus gewezen door: mr. M.C. Gerritsen, als voorzitter, mr. A.M. van Gorp en mr. E. de Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Wessels-Harmsen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2014.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.