← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2014:7939

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Meervoudige kamer Parketnummer: [jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]06/950637-12 Uitspraak d.d.: 8 december 2014 Tegenspraak VONNIS in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboortedatum], wonende te [adres 1]. Raadsman: mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 december

  1. De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
  2. hij in of omstreeks 04 februari 2010 tot en met 21 november te 2012 te Zutphen, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 586, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; art 3 ahf/ond B Opiumwet art 3 ahf/ond C Opiumwet art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 11 lid 2 Opiumwet
  3. hij in of omstreeks 4 februari 2010 tot en met 21 november 2012 te Zutphen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand (aan de [adres 2]) heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander NV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking; art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht Taal- en/of schrijffouten Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Ter terechtzitting heeft hij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht. Standpunt van de verdachte / de verdediging De raadsman heeft betoogd dat de periode veel korter is geweest dan is ten laste gelegd. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank acht de feiten bewezen. De bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte en het relaas van verbalisanten. De bewezenverklaring van feit 2 is gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte, de aangifte door [aangever] namens Liander en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte]. De rechtbank overweegt dat niet kan worden bewezen dat verdachte in de gehele ten laste gelegde periode betrokken is geweest bij de hennepkwekerij. Verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij eind 2011/begin 2012 is begonnen met het opbouwen van de hennepkwekerij. De rechtbank acht deze verklaring aannemelijk en zal daarom uitgaan van de periode van 1 januari 2012 tot en met 21 november
  4. Verdachte heeft verder verklaard dat hij ongeveer 300 planten heeft geleverd voor de opbouw van de hennepkwekerij beneden, naar de rechtbank begrijpt op de eerste etage, en dat hij niet betrokken is geweest bij de hennepkwekerij boven, naar de rechtbank begrijpt op de zolderetage. De rechtbank acht ook deze verklaring aannemelijk en zal daarom uitgaan van ongeveer 300 planten. Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
  5. hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 21 november te 2012 te Zutphen, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt (in een pand aan de [adres 2]) een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
  6. hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 21 november 2012 te Zutphen tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pand (aan de [adres 2]) heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Liander NV, waarbij verdachte en/of zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking. Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven: Feit 1: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod; Feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Oplegging van straf en/of maatregel De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 100 uur te vervangen door 50 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering gesteld is geweest en een gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De raadsman heeft betoogd dat de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf fors is en grote gevolgen kan hebben voor verdachte. Hij heeft in dit verband naar voren gebracht dat verdachte werk heeft met uitzicht op een vaste baan. Daarvoor heeft hij een Verklaring Omtrent het Gedrag nodig. Die zal hij niet krijgen als er een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn justitiële documentatie staat. De raadsman heeft verder naar voren gebracht dat verdachte geen relevante documentatie heeft en na zijn aanhouding niet is gerecidiveerd. Hij heeft slechts een beperkte rol gehad in het geheel en er niets anders aan over gehouden dan schulden. De raadsman heeft gevraagd bij de strafoplegging rekening te houden met het tijdsverloop en met het feit dat verdachte openheid van zaken heeft gegeven. De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft samen met anderen een hennepkwekerij in een woning aan de [adres 2] te Zutphen in werking gehad. Daarbij is illegaal stroom afgetapt van het elektriciteitsnet. Hoewel de rol van verdachte beperkt is gebleven tot het opbouwen en inrichten van de hennepkwekerij, heeft hij doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd. Hiermee heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale (soft)drugscircuit. Algemeen bekend is dat dergelijke activiteiten plegen te leiden tot nadelige maatschappelijke gevolgen en sociale overlast. De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ook heeft de rechtbank de door verdachte en zijn raadsman genoemde persoonlijke omstandigheden in aanmerking genomen. De rechtbank heeft verder gelet op de Oriëntatiepunten van het LOVS, waarbij de rechtbank, anders dan de officier van justitie, is uitgegaan van 100 tot 500 hennepplanten. Alles in aanmerking nemend acht de rechtbank een werkstraf van 120 uur passend en geboden. Om verdachte ervan te weerhouden opnieuw een soortgelijk delict te plegen zal een deel hiervan in voorwaardelijke vorm aan verdachte worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een (voorwaardelijke) gevangenisstraf. Toepasselijke wettelijke voorschriften Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 57, 91, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht; 3 en 11 van de Opiumwet. Beslissing De rechtbank:  verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als: Feit 1:Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod;Feit 2:Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;  verklaart verdachte strafbaar;  veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten: een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;  bepaalt, dat een gedeelte van de werkstraf, groot 60 (zestig) uur niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;  beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht. Aldus gewezen door mr. Ouweneel, voorzitter, mr. Welbergen en mr. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 december
  7. Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer
  8. RELZD5, Politie Eenheid Oost, district Noordoost Gelderland, gesloten en ondertekend op 28 mei
  9. Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 december 2014 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, p. 3 0836 - 3 0838, 3 0842 en Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 3 1021 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 december 2014 Proces-verbaal van aangifte door[aangever], p. 3 0901 - 3 0902 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte], p. 3 1011

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.