RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Promis II Parketnummer : 05/800145-14 Data zittingen : 23 mei 2014 (regie) en 3 november 2014 Datum uitspraak : 17 november 2014 TEGENSPRAAK Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen naam : [verdachte] geboren op : [geboortedatum] adres : [adres 1] plaats : [woonplaats] raadsman : mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 15 november 2013 tot en met 09 december 2013 te Maurik, gemeente Buren en/of Tiel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een kluis (met inhoud) en/of ander(
- e)goed(eren), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(
- s)ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld(
- e)goed(eren) wist(en), althans redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof (zaaksdossier 34). 2Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is laatstelijk op 3 november 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht. Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd en zijn ter terechtzitting verschenen: [benadeelde] [benadeelde], wettelijk vertegenwoordiger van [naam reisbureau] Reisbureau. De officier van justitie, mr. H.G. Kuipers, heeft gerekwireerd. Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. 3De beslissing inzake het bewijs Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij een kluis heeft verworven of voorhanden heeft gehad, die afkomstig was van een inbraak aan de [adres 2]. Tijdens de doorzoeking van de bergruimte die behoort bij de woning van verdachte, is de kluis daar aangetroffen. Op de kluis lag een plastic draagtas waarop een vingerafdruk van verdachte is aangetroffen. Verdachte heeft echter ontkend dat hij enige wetenschap had van de aanwezigheid van de kluis in zijn bergruimte.Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de tapgesprekken onvoldoende blijkt van betrokkenheid van verdachte bij het opslaan van de kluis in de bergruimte. Weliswaar heeft medeverdachte [medeverdachte 1], zijnde de broer van verdachte, met anderen besproken of in de schuur van zijn broer een kluis geopend kan worden, maar uit geen van de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat dit ook met verdachte zelf is besproken. Verder blijkt uit het afgeluisterde telefoongesprek met sessienummer 1129 enkel dat verdachte op enig moment op verzoek van [medeverdachte 2] vanuit zijn woning naar beneden is gelopen. Het doel van dat verzoek komt echter niet ter sprake. Wat betreft de op de plastic tas aangetroffen vingerafdruk geldt voorts dat niet uitgesloten kan worden dat deze tas, met daarop een vingerafdruk van verdachte, al in de bergruimte lag en door degene die de kluis daar heeft neergezet op de kluis is gelegd. Het vorenstaande maakt dat de rechtbank niet de overtuiging heeft dat verdachte enige wetenschap heeft gehad of zelfs maar moest vermoeden dat de kluis in zijn bergruimte stond. Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken. De benadeelde partijen [benadeelde] en [naam reisbureau] Reisbureau hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding. De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu geen straf of maatregel voor enig bewezen verklaard feit wordt opgelegd. 8De beslissing De rechtbank, rechtdoende: Spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam reisbureau] Reisbureau Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering Aldus gewezen door: mr. K.A.M. van Hoof (voorzitter), mr. P.C. Quak en mr. F.J.H. Hovens, rechters, in tegenwoordigheid van E. Terlouw-Boeijink en mr. D. G. Wessels-Harmsen, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 november 2014.