RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Promis II Parketnummer : 05/820916-13 Datum zitting : 08 mei 2014 Datum uitspraak : 22 mei 2014 TEGENSPRAAK Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen naam : [verdachte] , geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats] , adres : [adres] plaats : [woonplaats] raadsman : mr. A. Klaassen, advocaat te Bunschoten. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is na een door de rechtbank toegestane vordering wijziging tenlastelegging ten laste gelegd dat: de besloten vennootschap [bedrijf] op of omstreeks 1 juni 2011 te Echteld, gemeente Overbetuwe, als werkgeefster, als bedoeld in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met voornoemde wet en/of de daarop berustende bepalingen, aangezien zij toen aldaar in haar onderneming, op een arbeidsplaats, te weten een loods op het bedrijfsterrein aan de [adres] , door een werknemer ( [naam 1] ) arbeid heeft laten verrichten, bestaande in het verrichten van reparatiewerkzaamheden aan een defect ventiel van de (nood)daalvoorziening van een schaarhoogwerker, terwijl niet was voldaan aan de voorschriften gesteld in artikel 7.5 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers werden voormelde reparatiewerkzaamheden aan die schaarhoogwerker, zijnde een arbeidsmiddel, uitgevoerd terwijl dat arbeidsmiddel niet was uitgeschakeld en/of drukloos gemaakt, terwijl, voor zover het uitschakelen of drukloos niet mogelijk was, er ook geen andere doeltreffende maatregelen genomen waren om die werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren, (zoals het aanbrengen van een borging tussen de scharen of tussen de chassisbalken en de werkbak van die schaarhoogwerker, ter voorkoming van het ongewild in beweging komen/blijven van bewegende delen van de machine en het voorkomen van knelgevaar voor personen daarbij), terwijl daardoor, naar zij ( [bedrijf] ) wist of redelijkerwijs had moeten weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer van haar werknemers ontstond of te verwachten was, hij, verdachte, heeft tot dat feit opdracht gegeven, althans feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging; (vindplaatsen: dossier Arbeidsinspectie SZW zaaknummer 411100916 deel A, pagina 1-16; bijlage 2. verklaring [verdachte] blz. 3-21; bijlage 3. verklaring getuige [naam 2] blz. 22-26; bijlage 4. verklaring getuige-deskundige TUV Nederland blz. 27-32; bijlage 5. verklaring getuige-deskundige Rexroth Rijssen blz. 33-36; bijlage 6. pv-bevindingen d.d. 01-06-2011 blz. 37-38;) art 51 Wetboek van Strafrecht art 32 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet artikel 2, eerste lid, Wet op de Economische Delicten (WED) artikel 1 onder 1 WED 2Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is op 08 mei 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. A. Klaassen, advocaat te Bunschoten. De officier van justitie, mr. A. Reah, heeft gerekwireerd. Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. 3. De beslissing inzake het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) is sinds 1999 gevestigd in een loods op het bedrijfsterrein aan de [adres] te [plaats] . [bedrijf] had op 1 juni 2011 11 werknemers in loondienst. De hoofdactiviteit van [bedrijf] bestaat uit het repareren, ontwikkelen en bouwen van machines (waaronder schaarhoogwerkers) ten behoeve van de boomkwekerij. Verdachte is bestuurder van [bedrijf] en alleen en zelfstandig bevoegd. [naam 1] was niet in loondienst van [bedrijf] , maar verrichtte wel werkzaamheden in het bedrijf van [bedrijf] . Op 1 juni 2011 verrichtte [naam 1] in de loods van [bedrijf] werkzaamheden aan een defect ventiel van de nooddaalvoorziening van een in aanbouw zijnde schaarhoogwerker die getest moest worden. [naam 1] had de opdracht gekregen van de chef van de werkplaats, [naam 3] , om naar het ventiel te kijken en het probleem op te lossen, omdat de werkbak (het hefplateau) van de schaarhoogwerker bleef zakken, terwijl dit niet de bedoeling was. Het nooddaalventiel, waar een bedieningsknop op zit, dient ertoe om, wanneer geen gebruik gemaakt kan worden van de bedieningsconsole in de werkbak, de werkbak te kunnen laten zakken, door aan de knop te trekken. Wanneer de knop losgelaten wordt, is het de bedoeling dat de daalbeweging van de werkbak stopt. Het nooddaalventiel bevindt zich boven het onderstel (chassis) van de schaarhoogwerker, op de hefcilinder. [naam 1] heeft het ventiel uit elkaar gehaald, weer in elkaar gezet en heeft toen, om het nooddaalventiel te testen, aan de bedieningsknop getrokken door zijn arm tussen de scharen door te steken, waarbij hij zich met zijn hoofd tussen het onderstel en de werkbak bevond. De hoogte van de werkbak bevond zich toen op 40 centimeter van het chassis. Omdat het nooddaalventiel niet goed functioneerde, is de werkbak tijdens het testen blijven zakken en is [naam 1] met zijn hoofd bekneld geraakt tussen het onderstel en de werkbak. Als gevolg daarvan heeft [naam 1] uitgebreid hersenletsel opgelopen waaraan hij is komen te overlijden. Tijdens het testen van het nooddaalventiel stond de motor van de schaarhoogwerker uit. De hoogwerker was niet drukloos gemaakt. [naam 1] had geen borging aangebracht tussen de scharen of de chassisbalken en de werkbak van de schaarhoogwerker. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. Het was [bedrijf] bekend dat het nooddaalventiel het niet deed en dat de scharen geborgd moeten worden tegen ongewild zakken van de werkbak als deze geheven is. Bij werkzaamheden aan een in aanbouw zijnde hoogwerker is knelgevaar een bekend en reëel risico. Hoewel [bedrijf] op de hoogte was van de mogelijke gevaren en risico’s heeft men verzuimd een correcte Risico-inventarisatie en Evaluatie (hierna: RI&E) op te stellen, inclusief een schriftelijk plan van aanpak. Er werd niet voldoende toezicht gehouden en er werden geen trainingen of cursussen gegeven aan de werknemers op het gebied van veiligheid. Volgens getuige [naam 2] werden machines alleen bij grotere klussen geborgd en werd de reparatie aan het nooddaalventiel gezien als een kleine klus. Door na te laten de veiligheidsregels actief te stellen en na te (doen) leven is een zeer onveilige werksituatie ontstaan. Het niet-handelen, het toestaan dat er niet conform de veiligheidseisen (het niet-borgen) werd gewerkt, paste kennelijk in de normale bedrijfsvoering van [bedrijf] . Hiermee heeft [bedrijf] de arbeidsomstandighedenregelgeving overtreden. Verdachte heeft feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedraging. Hij is bestuurder van [bedrijf] , is mede-toezichthouder, direct betrokken bij de uitvoering van het werk door de werknemers en weet dat het veiligheidsbeleid van [bedrijf] ver beneden wettelijk vereist peil was en dat bij het verrichten van reparatiewerkzaamheden aan een defect ventiel dat zich in de knelzone bevindt, er gevaar is en geborgd moet worden om dat gevaar af te wenden. Verdachte was bevoegd en gehouden om maatregelen te nemen om te voorkomen dat [bedrijf] de verboden gedraging zou verrichten. Daarmee heeft hij ook minstgenomen voorwaardelijk opzet gehad op de door [bedrijf] verrichte verboden gedraging. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde. Daartoe heeft hij, kort gezegd, betoogd dat niet bewezen kan worden dat sprake is van een werkgever en werknemer in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandigheidenwet (hierna: Arbowet), dat niet kan worden gesproken van overtreding van het bepaalde in artikel 7.5 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) en evenmin dat [bedrijf] wist of moest weten dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer medewerkers was te verwachten. De raadsman heeft betoogd dat niet bewezen kan worden dat van feitelijk leidinggeven door verdachte sprake was. Het verweer zal hierna per onderdeel verder uitgewerkt en beoordeeld worden. Beoordeling door de rechtbank Werkgever- werknemer De raadsman heeft betoogd dat geen sprake was van een gezagsverhouding tussen [bedrijf] en [naam 1] . [naam 1] was een zelfstandige in de zin van artikel 1 lid 3 onder k van de Arbowet en [bedrijf] was opdrachtgever in de zin van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank overweegt het volgende. Vast staat dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf] en [naam 1] als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder a, sub 1 van de Arbowet, noch dat sprake was van de situatie als bedoeld in dit artikel onder lid 1 onder a, sub 2. Dat wil echter niet zeggen dat er geen sprake kan zijn geweest van een werkgever-werknemer relatie in de zin van de Arbowet. Een gezagsverhouding als bedoeld in artikel 1, lid 2 onder a, sub 1 van de Arbowet wordt immers ook aanwezig geacht wanneer de werkgever het recht heeft toezicht uit te oefenen, leiding te geven en door aanwijzingen of instructies een nadere taakomschrijving te geven en de werknemer verplicht is één en ander te aanvaarden, ongeacht of dat recht ook geëffectueerd wordt dan wel die plicht wordt nagekomen. Voor de vraag of daar sprake van is, is ook de feitelijke situatie van belang. Het gegeven dat iemand als zzp’er ergens is komen werken en dat hij in het bezit is van een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) hoeft derhalve niet doorslaggevend te zijn. De rechtbank acht op grond van het navolgende bewezen dat tussen [bedrijf] en [naam 1] sprake was van een gezagsverhouding als hiervoor bedoeld. Verdachte, bestuurder en vertegenwoordiger van [bedrijf] , heeft verklaard dat [naam 1] 1,5 jaar in het bedrijf van verdachte gewerkt heeft. [naam 1] is daar, als zzp’er, door verdachte aangenomen om een combitrac te bouwen. [naam 1] is toen blijven hangen. Als het druk was, sprong [naam 1] bij bij andere werkzaamheden. Verdachte of [naam 3] (chef werkplaats) gaven [naam 1] de opdrachten tot het uit te voeren werk. Op de vraag wie toezicht hield op de werkzaamheden van het slachtoffer en hoe (vaak) dit gebeurde, heeft verdachte geantwoord dat hij regelmatig (’s ochtends en ’s middags) door het bedrijf loopt en dat [naam 3] de hele dag over de werkplaats loopt vanuit zijn functie. [naam 1] had geen specifieke klus aangenomen. Hij hielp mee. Op de vraag wie opdrachten/werk wijzigde als dat nodig was, heeft verdachte geantwoord dat hij of [naam 3] aangaven als er iets anders moest gebeuren. [naam 1] werd voor zijn werkzaamheden betaald per uur. Volgens verdachte is er in het begin een uurprijs afgesproken en is dat nooit gewijzigd. [naam 1] werd elke maand betaald op grond van een door hem aan [bedrijf] gestuurde factuur. Op de vraag wie de werktijden bepaalde heeft verdachte verklaard dat ze officieel werken van 8-17 uur en dat [naam 1] vaak al om 7 uur begon en om 16 uur vertrok. [naam 1] ging dan nog naar anderen, vaak in zijn eigen tijd. Ze hadden afgesproken dat [naam 1] werkte van maandag tot donderdag. Daar vond wel overleg over plaats en zowel verdachte als [naam 1] waren daar makkelijk in. Meestal was [naam 1] van maandag tot donderdag ergens tussen 7 en 16 uur in het bedrijf aanwezig. Op de vraag wie bepaalde hoe en wanneer het werk gedaan moest worden, heeft verdachte geantwoord dat dit door hem en [naam 3] bepaald werd. Als er werk was wat meer urgentie had, dan sprong [naam 1] erin. Als dat niet zo was, werkte hij aan de combitrac. [naam 1] fungeerde als ‘vliegende keep’. De opdracht tot bijspringen werd gegeven door verdachte of [naam 3] . De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [bedrijf] het gezag voerde over de werkzaamheden die [naam 1] uitvoerde náást het werken aan de combitractor waarvoor hij in eerste instantie was aangenomen als zzp’er. De reparatiewerkzaamheden aan het nooddaalventiel vonden plaats in het kader van deze werkzaamheden. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat [bedrijf] en [naam 1] ten tijde van het ongeval aan te merken waren als werkgever en werknemer in de zin van artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a sub 1 en b van de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel 7.5 lid 2 van het Arbobesluit Werkzaamheden/arbeidsmiddel De raadsman heeft betoogd dat de werkzaamheden die [naam 1] uitvoerde, geen onderhouds-, reparatie of reinigingswerkzaamheden betroffen als bedoeld in artikel 7.5 lid 2 van het Arbobesluit. De werkzaamheden aan een nog niet voltooide machine, waarvan hier sprake was, zijn productie- c.q. testwerkzaamheden op welk type werkzaamheden dit artikel niet ziet. Bovendien is volgens de raadsman geen sprake van een arbeidsmiddel in de zin van artikel 1 lid 3 sub h van de Arbeidsomstandighedenwet. Bij een arbeidsmiddel moet het gaan om een middel dat bij het verrichten van arbeid wordt gebruikt en daarvan was bij de schaarhoogwerker geen sprake. Die was immers in aanbouw en zou pas na levering aan de klant als arbeidsmiddel voor het productieproces van die klant worden gebruikt. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 1 lid 3 aanhef en onder h van de Arbeidsomstandighedenwet geeft de volgende definitie van het begrip arbeidsmiddel: “alle op de arbeidsplaats gebruikte machines, installaties, apparaten en gereedschappen”. Artikel 7.5 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit luidt als volgt: “Onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden aan een arbeidsmiddel worden slechts uitgevoerd indien het arbeidsmiddel is uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos is gemaakt. Indien dit niet mogelijk is worden doeltreffende maatregelen genomen om die werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren.” Lid 3 van dit artikel luidt: “Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op productie- en afstelwerkzaamheden met of aan een arbeidsmiddel.” De Arbeidsomstandighedenwet en de daarop gebaseerde verdere regelgeving bevat regels voor werkgevers en werknemers om de gezondheid, veiligheid en het welzijn van werknemers te bevorderen om zo ongevallen en ziekten, veroorzaakt door het werk, te voorkomen. De stelling van de raadsman zou betekenen dat die wet niet nageleefd hoeft te worden door bedrijven die zich bezig houden met de productie van machines. Dit zou in strijd zijn met de achterliggende gedachte van de arbeidsomstandighedenwetgeving. Naar het oordeel van de rechtbank dient het begrip ‘gebruikte’ machines als hiervoor bedoeld, daarom ruim uitgelegd te worden. De rechtbank vindt hiervoor steun in hetgeen bepaald is in artikel 7.5 lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dat gelezen moet worden in samenhang met artikel 7.5 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Daarin staat onder meer genoemd dat lid 2 van overeenkomstige toepassing is op (onder meer) “productiewerkzaamheden aan een arbeidsmiddel”. Zoals hiervoor bij de feiten is weergegeven, betrof de machine waarmee het fatale ongeval is gebeurd een hoogwerker in aanbouw. Daarvan werkte het nooddaalventiel niet goed. [naam 1] had de opdracht gekregen om hier naar te kijken en dit probleem op te lossen. Daartoe heeft hij het ventiel uit elkaar gehaald en weer in elkaar gezet. Vervolgens heeft hij willen testen óf het probleem ook daadwerkelijk verholpen was. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze werkzaamheden van [naam 1] aan te merken als productiewerkzaamheden aan een arbeidsmiddel zoals bedoeld in artikel 7.5 lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Gelezen in samenhang met het bepaalde in lid 2 van dat artikel golden ook voor deze werkzaamheden van [naam 1] de daarin genoemde veiligheidsvoorschriften. Uitgeschakeld en spanningsloos De raadsman heeft betoogd dat uit de verklaring van getuige [naam 2] volgt dat de bewuste hoogwerker uitgeschakeld en spanningsloos was, waardoor voldaan is aan de eisen van artikel 7.5 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Daarin staat immers dat het arbeidsmiddel (na uitschakeling) drukloos óf spanningsloos gemaakt moet worden. Derhalve kan niet aan bewezenverklaring worden toegekomen. De rechtbank overweegt het volgende. Weliswaar heeft [naam 2] verklaard dat op het moment van de door [naam 1] verrichte handelingen de machine uitstond en een nooddaalventiel alleen bediend kan worden als er geen spanning meer is, maar verdachte heeft verklaard dat de hoogwerker ten tijde van de handelingen niet drukloos was, omdat deze geheven stond. De uitleg die de raadsman aan artikel 7.5 lid 2 van het Arbobesluit geeft, zou betekenen dat onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden (of productiewerkzaamheden) aan een uitgeschakeld en spanningsloos gemaakt arbeidsmiddel (in aanbouw) uitgevoerd mogen worden als hier nog wel druk op staat en dat er dan geen maatregelen genomen hoeven te worden om die werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren. Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijke uitleg in strijd met de eerder al genoemde beschermingsgedachte van de arbeidsomstandighedenwetgeving. Ook wanneer dergelijke werkzaamheden worden verricht aan een nog onder druk staande machine kunnen er immers grote risico’s op ongevallen bestaan. Het drukloos maken van de schaarhoogwerker was in het kader van de reparatiewerkzaamheden die [naam 1] verrichtte op de door [naam 1] gekozen wijze niet mogelijk. De rechtbank heeft hiervoor immers reeds overwogen dat het testen van het nooddaalventiel onderdeel uitmaakte van (het goed doen uitvoeren van) de reparatie waartoe [naam 1] de opdracht had gekregen. Dat testen was door de gekozen werkwijze alleen mogelijk terwijl de schaarhoogwerker geheven stond. De rechtbank acht dan ook, zoals tenlastegelegd, bewezen dat de productiewerkzaamheden aan de schaarhoogwerker uitgevoerd werden terwijl dat arbeidsmiddel in aanbouw niet was uitgeschakeld én drukloos gemaakt, terwijl het drukloos maken niet mogelijk was. Doeltreffende maatregelen De raadsman heeft betoogd dat [bedrijf] doeltreffende maatregelen heeft genomen om de werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren, immers: Er zijn in de directe omgeving van de nooddaalvoorziening afbeeldingen aangebracht die waarschuwden voor knellingsgevaar; Er is een rode borgpen aanwezig op de machine, ook ten tijde van het ongeval, om het ongewild zakken van de hoogwerker tegen te gaan. Deze borgpen kon gebruikt worden in de werkplaats van [bedrijf] en het was ook een vast gebruik binnen de onderneming om daarvan gebruik te maken; Het nooddaalventiel kan worden gerepareerd zonder dat de gevaarsituatie hoeft te worden betreden. Het ventiel kan immers ook aan de onderkant van het onderstel van de hoogwerker bereikt worden; Het is een vast gebruik binnen de onderneming van [bedrijf] dat medewerkers houtblokken (balken) of een steunpoot van metaal plaatsen ter borging bij onderhoudswerkzaamheden. Als [naam 1] zich aan de veiligheidsvoorschriften en gangbare werkwijze binnen de onderneming had gehouden, zou het ongeval zich niet hebben voorgedaan. De rechtbank overweegt het volgende. Met betrekking tot het aanbrengen in de directe omgeving van de nooddaalvoorziening van afbeeldingen die waarschuwen voor knelgevaar merkt de rechtbank op dat dat op zichzelf geen doeltreffende maatregel is om de daadwerkelijke verwezenlijking van knelgevaar te voorkomen. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat zich op de bewuste schaarhoogwerker een sticker bevond die aangaf dat het nooddaalventiel (ook) bereikt kon worden via de onderkant van het onderstel van de hoogwerker. Verdachte heeft dit echter op geen enkele manier onderbouwd. Ook uit het dossier blijkt niet van de aanwezigheid van een dergelijke sticker, noch van een ander stuk waaruit blijkt dat het ventiel ook op deze manier bereikt kon worden. In zoverre is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een doeltreffende maatregel ter afwending van het knelgevaar. Bij de beoordeling van de mogelijkheid van gebruik van de rode borgpen van de hoogwerker en de aanwezigheid binnen het bedrijf van houten balken of metalen steunen als borgmiddel – en het beweerde vaste gebruik binnen het bedrijf van [bedrijf] om met gebruikmaking van deze middelen te werken – stelt de rechtbank het volgende voorop. Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet is de werkgever verplicht ervoor te zorgen dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s, alsook over de maatregelen die erop gericht zijn die risico’s te voorkomen of te beperken. Tevens is de werkgever verplicht om ervoor te zorgen dat aan de werknemers doeltreffend en aan hun onderscheiden taken aangepast onderricht wordt verstrekt met betrekking tot de arbeidsomstandigheden. Als er op arbeidsmiddelen beveiligingsmiddelen zijn of kunnen worden aangebracht, moet de werkgever ervoor zorgen dat de werknemers op de hoogte zijn van hun doel en werking en de manier waarop zij die dienen te gebruiken. De werkgever dient tevens toe te zien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de hiervoor genoemde risico’s en dus op het gebruik. Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet is de werkgever ook verplicht in een risico-inventarisatie en –evaluatie (hierna: RI&E) schriftelijk vast te leggen welke risico’s de arbeid voor de werknemers met zich brengt. De RI&E bevat tevens een beschrijving van de gevaren en de risicobeperkende maatregelen. Van de RI&E dient een plan van aanpak deel uit te maken. Daarin moet aangegeven zijn welke maatregelen zullen worden genomen in verband met de bedoelde risico’s en de samenhang daartussen. Tevens wordt aangegeven binnen welke termijn deze maatregelen zullen worden genomen. Als de met de RI&E opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden daartoe aanleiding geven, dient de RI&E aangepast te worden. De werkgever moet ervoor zorgen dat iedere werknemer kennis kan nemen van de RI&E. De werkgever dient over de RI&E en het daarin opgenomen plan van aanpak ook overleg te voeren met (een vertegenwoordiging van) de werknemers. Met betrekking tot het vaste gebruik aangaande gebruikmaking van veiligheidsmiddelen binnen het bedrijf van [bedrijf] overweegt de rechtbank het volgende. Vast staat dat [naam 1] zich met zijn hoofd tussen het onderstel en de door hem 40 centimeter geheven werkbak heeft begeven om bij het te repareren ventiel te kunnen komen. Vast staat tevens dat hij geen gebruik heeft gemaakt van een borging, op welke wijze dan ook. Getuige [naam 2] heeft verklaard dat er normaal, bij grotere klussen als je onder de bak gaat werken, wel iets onder gezet wordt. Borgen is wel veiliger, maar hier ging het om een kleine ingreep en bij dit soort kleine ingrepen is het meestal gewoon ‘eventjes’. De rechtbank overweegt dat er, blijkbaar, op de werkvloer sprake was van een in de praktijk gegroeide manier van werken waarbij er bij kleine(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.