← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2014:928

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Promis II Parketnummer : 05/900826-12 Datum zitting : 31 januari 2014 Datum uitspraak : 14 februari 2014 TEGENSPRAAK Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen naam : [verdachte] geboren op : [geboortedatum] adres : [adres] plaats : [woonplaats] raadsvrouw : mr. J.H.D. van Onna, advocaat te Oss. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

  1. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 25 april 2012 te Varik, met [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het één of meermalen betasten en/of bevoelen van de schaamstreek van die [slachtoffer 1]. 2Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is op 31 januari 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. van Onna, advocaat te Oss. Namens de benadeelde partij [namens bp], is ter terechtzitting verschenen mevr. mr. S.F. Nijhuis. De officier van justitie, mr. S.Z. Wiarda, heeft gerekwireerd en heeft geëist dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht. Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. 3De beslissing inzake het bewijs Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. De officier baseert een bewezenverklaring op de verklaring van [slachtoffer 1] en haar broertje [naam broertje], welke verklaringen worden ondersteund door het aangetroffen DNA materiaal, afkomstig van verdachte bij de sluiting aan de buiten- en binnenzijde van de broek van [slachtoffer 1]. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat haar cliënt dient te worden vrijgesproken aangezien het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. De verklaringen van [slachtoffer 1] kunnen niet als bewijsmiddel worden gebruikt aangezien deze onbetrouwbaar zijn. Dit is enerzijds het gevolg van de (onjuiste) wijze van ondervraging door de verbalisanten waarbij [slachtoffer 1] woorden in de mond zijn gelegd en anderzijds door de aanwezigheid van en bijdrage door haar moeder tijdens het intakegesprek waarbij zij (moeder) herhaaldelijk inhoudelijk heeft gereageerd danwel informatie heeft verstrekt waardoor de verklaring van [slachtoffer 1] mogelijk beïnvloed is. Met betrekking tot het aangetroffen DNA materiaal merkt de raadsvrouw op, dat de kledingstukken waarop dit materiaal is aangetroffen niet door daartoe opgeleide mensen is veiliggesteld. Onduidelijk is of [slachtoffer 1] zelf haar kleren heeft uitgetrokken en of daarbij wel of geen handschoenen zijn gebruikt. De raadsvrouw stelt dat [slachtoffer 1], als zij zelf haar broek heeft losgemaakt, het DNA materiaal van haar cliënt op haar broek over heeft kunnen brengen. Daartoe betoogt de raadsvrouw dat er DNA materiaal van haar cliënt op [slachtoffer 1]’s handen heeft kunnen komen, omdat zij bij het vissen de vishengel en de hand van haar cliënt heeft vastgepakt en de bak met aas (die van haar cliënt was) heeft opengemaakt. Om die reden is de raadsvrouw van oordeel dat de DNA match niet als bewijs kan worden gebezigd. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De spijkerbroek van [slachtoffer 1] is bemonsterd op de mogelijke aanwezigheid van celmateriaal van verdachte. Uit de bemonsteringen van de broek ter hoogte van het kruis aan buiten- en binnenzijde is celmateriaal met een enkelvoudig DNA profiel verkregen dat afkomstig kan zijn van[slachtoffer 1]. Uit de bemonsteringen van de broek ter hoogte van de sluiting aan buiten- en binnenzijde is celmateriaal met een DNA mengprofiel verkregen. In de bemonstering ter hoogte van de sluiting aan de buitenzijde is celmateriaal aangetroffen dat afkomstig kan zijn van een afgeleid DNA-hoofdprofiel dat matcht met het DNA profiel van verdachte. In de bemonstering ter hoogte van de sluiting aan de binnenzijde is celmateriaal aangetroffen dat afkomstig kan zijn van DNA-nevenkenmerken die matchen met het DNA profiel van verdachte. In beide gevallen is de berekende matchkans kleiner dan één op één miljard. Bij het derde politieverhoor heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer 1] de vishengel met twee handen heeft vastgepakt. Dit wordt bevestigd door de minderjarige getuige [naam broertje] die verklaart dat [slachtoffer 1] het niet leuk vond dat ze de hengel van [verdachte] moest vasthouden. Uit het proces-verbaal blijkt dat de spijkerbroek door [slachtoffer 1] zelf is uitgetrokken en door haar moeder is overhandigd aan de recherche. De rechtbank overweegt dat het op grond van de bewijsmiddelen niet is uit te sluiten dat celmateriaal van verdachte op de door de verdediging gestelde manier aan de buiten- en binnenzijde van de broek van [slachtoffer 1] terecht is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het aantreffen van het celmateriaal op die broek dan ook niet dienen als steunbewijs voor de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring. Het dossier bevat ook overigens onvoldoende steunbewijs om tot wettig bewijs te komen. Conclusie De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en zal hem daarvan vrijspreken. 4De beoordeling ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zijnde ondergoed, een t-shirt, een vest en een spijkerbroek, toebehoren aan [namens bp] en aan haar zullen moeten worden teruggegeven.
  2. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [namens bp] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het ten laste gelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van €2472,
  3. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat zij het aan de verdachte ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen acht. 4De beslissing De rechtbank, rechtdoende: Spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit. Beveelt de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten ondergoed, een t-shirt, een vest en een spijkerbroek aan de rechthebbende, [namens bp]. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [namens bp]. Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. Aldus gewezen door: mr. B.F.M. Klappe (voorzitter), mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra en mr. R.M. Maanicus rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 februari 2014 om 09.00 uur. mr. B.F.M. Klappe is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.