RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/860210-14 en 05/820068-14 Datum zitting : 25 juni 2014, 10 september 2014, 12 november 2014 en 4 februari 2015 Datum uitspraak : 18 februari 2015 TEGENSPRAAK Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen naam : [verdachte] geboren op : [geboortedatum] adres : [adres] plaats : [woonplaats] raadsvrouw : mr. J. Steenbrink, advocaat te Arnhem. 1. De inhoud van de tenlastelegging Verdachte wordt verweten dat hij: in het voetbalstadion van NEC in Nijmegen op 22 januari 2014 (parketnummer 05/860210-14): een ontploffing teweeg heeft gebracht met levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door opzettelijk een explosief/vuurwerk aan te steken en in de gracht van het voetbalstadion te gooien; opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer 1] door opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg een explosief/vuurwerk in de gracht van het voetbalstadion te gooien, waarbij dat door verdachte ontstoken explosief/vuurwerk vlakbij die [slachtoffer 1] is geëxplodeerd/ontploft, althans dat hij op deze wijze heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, danwel dat hij [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade heeft mishandeld, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg; opzettelijk en met voorbedachten rade geprobeerd heeft zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer 2] door opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg een explosief/vuurwerk in de gracht van het voetbalstadion te gooien, waarbij dat door verdachte ontstoken explosief/vuurwerk vlakbij die [slachtoffer 1] is geëxplodeerd/ontploft, dan wel dat hij [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade heeft mishandeld; in Westervoort op 28 september 2013 (parketnummer 05/820068-14): - ( (meermalen) samen met anderen openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] door hem meermalen te slaan, stompen, schoppen en/of trappen. 2Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is laatstelijk op 04 februari 2015 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J. Steenbrink, advocaat te Arnhem. Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd en zijn ter terechtzitting verschenen: de heer [slachtoffer 1] (feit 2) de heer [slachtoffer 2] (feit 3) De officier van justitie, mr. A.C.J. Nettenbreijers, heeft de veroordeling van verdachte voor alle feiten in beide zaken geëist. Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd. 3. De beslissing inzake het bewijs Ten aanzien van de gebeurtenissen in het NEC voetbalstadion (feiten 1, 2 en 3) Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit, nu het opzet van verdachte ontbreekt. Er is geen bewijs dat verdachte zich bewust is geweest van een aanmerkelijke kans dat het vuurwerk dat hem aangereikt werd iets anders was dan een fakkel en hij heeft ook niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat iemand naar het vuurwerk toe zou rennen om het te doven. Hij heeft de gevolgen die zijn ingetreden, ook niet op de koop toegenomen. De beleving van de heer [slachtoffer 1] dat het vuurwerk bewust in zijn richting is gegooid, is niet objectief en mag dan ook niet maatgevend zijn om daaruit de intenties van verdachte af te leiden. Op grond van de verklaring van [slachtoffer 2] kan worden afgeleid dat hij pas op het vuurwerk af is gerend nadat hij het zag liggen in de gracht, en het dus al is gegooid. Bovendien had verdachte vanaf zijn positie op de tribune geen vrij zicht op de gehele gracht. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] ondersteunen de verklaring van verdachte op het punt dat hij dacht dat het vuurwerk een fakkel was, dat de gracht leeg was op het moment dat verdachte het vuurwerk gooide en dat het niet de bedoeling is geweest van verdachte om iemand daarmee te verwonden. Nu verdachte geen vuurwerkexpert is en hij niet eerder bij een voetbalwedstrijd aanwezig is geweest, heeft verdachte zich kunnen vergissen en het vuurwerk, dat later een cobra 6 bleek, aan kunnen zien voor een fakkel. Door deskundige [deskundige] is het tegendeel onvoldoende onderbouwd in het geval van de persoon van verdachte. Bovendien wijst de omstandigheid dat verdachte het vuurwerk rustig aansteekt en het pas weggooit als [getuige 2] hem zegt dat hij het weg moet gooien, er eerder op dat hij er niet van uitging dat er een ontploffing zou ontstaan. De verdediging wijst daarbij op een arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AR6569). Beoordeling door de rechtbank Opzet op de ontploffing Verdachte erkent dat hij op 22 januari 2014 vuurwerk in de vorm van een staaf heeft meegenomen het stadion in en dit vervolgens heeft aangestoken en in de gracht gegooid. Op grond van de verklaring van aangever [slachtoffer 2] gaat de rechtbank er van uit dat dit vuurwerk een ‘Cobra 6’ was en dat dit vuurwerk een ontploffing in de gracht van het stadion heeft veroorzaakt. Uit het rapport van het NFI volgt dat een Cobra 6 zeer krachtig knalvuurwerk is. Een Cobra 6 is geen consumentenvuurwerk en is dus illegaal vuurwerk bij gebruik door verdachte. Aan de rechtbank ligt de vraag voor of verdachte opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – had op het teweeg brengen van de ontploffing. Deskundige [deskundige], landelijk werkzaam als deskundige, heeft ter terechtzitting van 12 november 2014 verklaard over verschillen tussen een fakkel en een Cobra. Een fakkel houdt je in de hand en een Cobra gooi je weg, een fakkel heeft een handvat en een Cobra een lont, op een fakkel staat altijd het woord ‘Smoke’ en op een Super Cobra ‘Flashbanger’. En een Cobra heeft de kracht van een handgranaat. Voor personen tot 25 jaar, die de laatste tien jaar op school hebben gezeten, is verwisseling of verwarring tussen een fakkel en vuurwerk onmogelijk, aldus [deskundige]. Ook de jeugd die niet naar stadions gaat weet het verschil. [deskundige] zijn geen gebeurtenissen bekend waarbij vuurwerk, en dan meer specifiek Cobra’s, rondom stadions worden uitgedeeld. Cobra’s zijn te duur. Hoewel de kans verwaarloosbaar klein is dat de Cobra verdachte buiten het stadion door een onbekende is gegeven en verdachte het verschil tussen een fakkel en een Cobra niet zou hebben geweten, zal de rechtbank de mogelijkheid onder ogen te zien dat verdachte de uitzondering op de regel zou kunnen zijn en de verklaringen van verdachte daarover tot uitgangspunt nemen. Verdachte heeft verklaard dat hij op het moment van aansteken van het vuurwerk niet wist dat het om een Cobra 6 althans zeer krachtig knalvuurwerk ging. Hij meende dat het vuurwerk een fakkel was. Hij wist dat vuurwerk in het stadion niet was toegestaan. Aan de poort is hij gefouilleerd. Voor de veiligheid, denkt verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwerk buiten het stadion van onbekenden heeft gekregen en ongezien in zijn zak heeft gestoken. [getuige 1] en [getuige 2] waren daar op dat moment niet bij aanwezig. Wat daar ook van zij, door buiten het stadion van een onbekend persoon vuurwerk in de vorm van een “grote zwarte staaf” in ontvangst te nemen, dit vuurwerk mee het –bewaakte- stadion in te nemen en dit vuurwerk, met daaraan een lont, enige tijd later in het stadion aan te steken, zónder zich ervan te vergewissen wat voor vuurwerk het betreft, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans geaccepteerd dat het vuurwerk een (zware) ontploffing zou veroorzaken. De kans op een explosie is zonder meer aanmerkelijk omdat het van tweeën één is: vuurwerk heeft het effect van een fakkel c.q. rookbom óf geeft een explosie. Dat verdachte deze aanmerkelijke kans op een explosie bewust heeft geaccepteerd leidt de rechtbank ook af uit het feit dat verdachte op geen enkele wijze duidelijk heeft gemaakt op grond waarvan hij dacht of meende te kunnen denken dat het om een fakkel zou gaan en niet om zeer krachtig knalvuurwerk. Verdachte heeft zich er – zoveel staat hoe dan ook vast – niet van vergewist dat de “grote zwarte staaf” niet-explosief of ongevaarlijk was. Door de ontploffing was, gelet op de explosieve kracht van een Cobra 6, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten. Uit het explosievenonderzoek van het NFI volgt immers dat een Cobra 6 een zeer krachtige effectlading heeft. De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met (levens)gevaar voor personen. Opzet op het toebrengen van letsel, de feiten 2 en 3. Hiervoor is vastgesteld dat verdachte door het vuurwerk aan te steken zónder zich ervan te vergewissen om wat voor vuurwerk het ging, bewust de aanmerkelijke kans op een explosie op de koop heeft toegenomen. In het verlengde hiervan ligt vervolgens de vraag voor of verdachte met het weggooien van het vuurwerk in de gracht ook het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Omdat – zoals reeds overwogen – niet geheel valt uit te sluiten dat verdachte daadwerkelijk niet wist dat het vuurwerk een Cobra 6 althans zeer krachtig knalvuurwerk betrof, kan niet worden bewezen dat verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Wél is de rechtbank van oordeel dat verdachte hierop het voorwaardelijk opzet had. Door het aangestoken vuurwerk in de gracht te gooien heeft hij de aanmerkelijke kans op zwaar letsel bij andere personen willens en wetens aanvaard. Het kan namelijk niet anders dan dat verdachte moet hebben gezien dat zich op dat moment nog mensen in de gracht bevonden. De verklaring van verdachte dat hij op het moment van gooien niemand in de gracht stond, acht de rechtbank ongeloofwaardig, ook al wordt de verklaring bevestigd door verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Hun verklaringen worden weersproken door de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ter terechtzitting van 12 november 2014, het proces-verbaal sporenonderzoek en de eigen waarneming van de rechtbank van de camerabeelden van de tribune op het moment van de explosie, die zijn getoond op de zitting van 12 november 2014. Op de beelden is te zien dat er meerdere mensen via de gracht en de trap de tribune betreden kort voor en op het moment van de ontploffing. Verdachte was bovendien kort daarvoor zelf via de gracht en de trap de tribune opgelopen. Toen moet hij hebben gezien dat hier stewards aan het werk waren en ook andere personen rond liepen. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij zich juist op een plek in de gracht had gepositioneerd van waaruit hij de supporters op de tribune goed kon zien. Het was namelijk zijn taak om waar te nemen of er vuurwerk werd gegooid, en om dit zo snel mogelijk te doven met een emmer zand. Verdachte stond vanaf de gracht gezien op de voorste rij van de tribune. Vanaf zijn positie moet verdachte zicht hebben gehad op de positie in de gracht waar [slachtoffer 1] zich bevond. [slachtoffer 1] droeg op dat moment bovendien een fel gekleurde oranje jas. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte in ieder geval [slachtoffer 1] heeft zien staan in de gracht op het moment dat hij het vuurwerk gooide en dat hij desondanks het vuurwerk in zijn richting heeft gegooid. Verdachte heeft daarmee bewust geaccepteerd dat [slachtoffer 1] maar ook andere personen in de gracht – waaronder [slachtoffer 2] – door de explosie van het vuurwerk zwaar letsel zouden oplopen. Bij [slachtoffer 1] is zwaar lichamelijk letsel ontstaan in de vorm van een litteken in het gezicht, op zijn kin, gevoelloosheid van de huid rondom dat litteken, tweedegraads brandwonden aan zijn rechter hand en onderbeen en daarnaast blijvend gehoorverlies aan zijn linker oor. Dit is naar oordeel van de rechtbank zwaar lichamelijk letsel. Dat [slachtoffer 2] geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen is enkel gelegen in de omstandigheid dat [slachtoffer 2] iets verder van het vuurwerk af stond dan [slachtoffer 1]. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer 1] en aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2]. Voorbedachte raad De rechtbank is anders dan de officier van justitie van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. De korte tijdspanne tussen het moment waarop verdachte besloot het vuurwerk uit zijn zak te halen en aan te steken en het moment waarop hij het vuurwerk weggooide, is een contra-indicatie om aan te kunnen nemen dat verdachte zich heeft beraden op dit besluit. Daarbij is ook onvoldoende dat verdachte het vuurwerk heeft meegebracht het stadion in. Immers, verdachte had zich nog kunnen bedenken eenmaal in het stadion en had tot het besluit kunnen komen het niet af te steken, dan wel het op een andere plek tot ontploffing te brengen. De rechtbank spreekt verdachte van dit deel van de tenlastelegging (opgenomen onder zowel feit 2 als feit 3) dan ook vrij. Conclusie De rechtbank acht bewezen dat verdachte: 1. op 22 januari 2014 te Nijmegen, opzettelijk in een voetbalstadion (kort) voor aanvang van de wedstrijd NEC-FC Utrecht een ontploffing teweeg heeft gebracht door toen en daar opzettelijk zwaar en illegaal vuurwerk (een Cobra 6) heeft aangestoken en vervolgens dat aangestoken vuurwerk in de gracht (aangebracht als scheiding tussen het speelveld en de tribunes) van dat voetbalstadion heeft gegooid, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en één of meer andere (aldaar aanwezige) personen te duchten was. 2. hij op 22 januari 2014 te Nijmegen, in een voetbalstadion (kort) voor aanvang van de voetbalwedstrijd NEC-FC Utrecht, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] (steward in dienst van en/of werkzaam voor de betaald voetbalorganisatie NEC), opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (een litteken in het gezicht en gevoelloosheid van de huid rondom dat litteken en tweedegraads brandwonden aan de (rechter)hand en het (rechter)onderbeen en een gehoorverlies van het (linker)oor, heeft toegebracht, door opzettelijk zwaar en illegaal vuurwerk, te weten een Cobra 6, aan te steken en vervolgens dat vuurwerk in de gracht (aangebracht als scheiding tussen het speelveld en de tribunes) van dat voetbalstadion en in de directe omgeving van die [slachtoffer 1] te gooien, waarbij dat door hem, verdachte, ontstoken en gegooide vuurwerk in de directe omgeving van die [slachtoffer 1] is ontploft. 3. hij op 22 januari 2014 te Nijmegen, in een voetbalstadion (kort) voor aanvang van de voetbalwedstrijd NEC-FC Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] (steward in dienst van en/of werkzaam voor de betaald voetbalorganisatie NEC), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet opzettelijk zwaar en illegaal vuurwerk, te weten een te Cobra 6 heeft aangestoken en vervolgens dat vuurwerk in de gracht (aangebracht als scheiding tussen het speelveld en de tribunes) van dat voetbalstadion en in de directe omgeving van die [slachtoffer 2] heeft gegooid, waarbij dat door hem, verdachte, ontstoken en gegooide vuurwerk in de directe omgeving van die [slachtoffer 2] is ontploft, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Ten aanzien van de openlijke geweldpleging in Westervoort De verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat uit de verklaringen in het dossier onvoldoende naar voren komt dat verdachte een wezenlijk aandeel heeft gehad in de geweldpleging richting [slachtoffer 3]. De rechtbank acht op basis van de verklaring van [slachtoffer 3] op 30 september 2013, de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de verklaring van verdachte bij de politie op 30 oktober 2013 bewezen dat verdachte en de medeverdachten geweld hebben gepleegd tegen [slachtoffer 3]. Verdachte heeft een wezenlijke bijdrage gehad aan de geweldpleging door meermalen achter [slachtoffer 3] aan te lopen, terwijl deze [slachtoffer 3] probeerde weg te komen van verdachte en zijn medeverdachten, door [slachtoffer 3] meermalen te slaan en hem ook te schoppen. Het geweld vond plaats op straat, waar anderen getuige van zijn geweest. Conclusie De rechtbank acht bewezen dat verdachte: op of omstreeks 28 september 2013 te Westervoort met anderen, op de openbare weg, Zuidelijke Parallelweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3], welk geweld telkens bestond uit meermalen slaan en stompen tegen het gezicht/hoofd/lichaam en schoppen of trappen tegen het lichaam, al dan niet terwijl die [slachtoffer 3] op de grond lag en al dan niet nadat die [slachtoffer 3] achterna is gezeten. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: in de zaak met parketnummer 05/860210-14 Feit 1: opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is Feit 2 primair: zware mishandeling Feit 3 primair: poging tot zware mishandeling in de zaak met parketnummer 05/820068-14 het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen De feiten zijn strafbaar. 5De strafbaarheid van verdachte Beroep op noodweer ten aanzien van de openlijke geweldpleging in Westervoort Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft een beroep op noodweer gedaan. Voor zover verdachte [slachtoffer 3] achterna gestrompeld zou hebben, heeft hij dit gedaan om in de gaten te houden of zijn vriend niet werd aangevallen. De “afzwaaier” die hij richting [slachtoffer 3] gemaakt heeft, heeft hij gemaakt ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en stond in redelijke verhouding tot de aanranding. De verdediging verzoekt om die reden verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt dat verdachte geen gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt, omdat verdachte zelf de confrontatie met [slachtoffer 3] heeft opgezocht: verdachte is op meerdere momenten [slachtoffer 3] achterna gelopen en [slachtoffer 3] wordt meermalen door verdachte en de medeverdachten geslagen. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank overweegt het volgende. De vriend van verdachte, [medeverdachte 1], is degene die [slachtoffer 3] de eerste klap heeft gegeven. Vervolgens probeerde [slachtoffer 3] meermalen weg te lopen van verdachte en zijn vrienden, maar hij werd telkens achterna gezeten door hen. Ook verdachte heeft de ruzie met [slachtoffer 3] actief opgezocht en is achter [slachtoffer 3] aangelopen. Verdachte deed dit meermalen. Vervolgens heeft verdachte ook een aandeel in het geweld gehad, door [slachtoffer 3] meermalen met de vuist te slaan en hem te trappen. Gelet op deze omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van noodweersituatie, in de zin dat een wederrechtelijke aanranding van verdachte of een van zijn vrienden door [slachtoffer 3], waardoor verdachte genoodzaakt was zich hiertegen te verdedigen. Verdachte was wellicht boos door het (verbale) conflict dat kort daarvoor met [slachtoffer 3] was ontstaan. Echter, door in een dergelijke gemoedstoestand de confrontatie met [slachtoffer 3] aan te gaan, heeft verdachte zichzelf in de situatie gebracht die uiteindelijk tot het geweld heeft geleid. Dat verdachte uiteindelijk ook letsel bij de ruzie heeft opgelopen, doet aan het voorgaande niet af. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen. Ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar. 6De motivering van de sanctie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.