← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2015:1765

RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Zutphen Parketnummer : 05/820584-13 Datum uitspraak : 17 maart 2015 vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 maart 2015. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 19 november 2010, te Apeldoorn en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een (groot) geldbedrag, te weten 10.000 euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of gebruikt heeft gemaakt en/of van voornoemd(

  1. e)geldbedrag(
  2. en)de werkelijke aard en/of herkomst heeft verhuld, terwijl hij -verdachte- en/of zijn mededader(
  3. s)wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovenomschreven geldbedrag -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 19 november 2014 is op frauduleuze wijze een bedrag van € 11.000,- van de rekening van aangeefster [benadeelde] overgeschreven naar rekeningnummer [nr 1] (rekening van [naam]). Van dit rekeningnummer is een bedrag van € 10.000,- overgeschreven naar het rekeningnummer [nr 2] op naam van verdachte. Dezelfde dag is binnen korte tijd een bedrag van € 9.950,- in 5 pintransacties opgenomen van de rekening van verdachte. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen. De officier van justitie heeft gesteld dat witwassen niet vereist dat bewezen wordt uit welk misdrijf het geld afkomstig is. Verdachte heeft op verzoek van een man waarvan hij de naam niet wil noemen de pinlimiet van zijn bankpas verhoogd tot € 10.000,- en vervolgens zijn bankpas afgestaan aan die man. Verdachte heeft niet naar de naam gevraagd van degene die zijn rekening ging gebruiken voor het storten van geld en bovendien kreeg verdachte geld voor zijn diensten. Dit maakt dat verdachte had moeten vermoeden dat zijn rekening gebruikt zou worden voor geld dat van een misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft het bedrag dat op zijn rekening was gestort voorhanden gehad doordat dit bedrag (zij het kort) op zijn rekening heeft gestaan. Volgens geldende jurisprudentie had verdachte daarmee feitelijke zeggenschap over het goed (ECLI:NL:HR:2013: 2009). De officier van justitie heeft gesteld dat -gezien het aanzienlijke tijdsverloop in deze zaak- een onvoorwaardelijke straf niet langer passend is en hij heeft een voorwaardelijke werkstraf van 60 uur subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis geëist. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat het dossier ten aanzien van het tenlastegelegde voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de veroordeling van verdachte en zij overweegt daartoe het volgende. Verdachte heeft bekend dat hij in zee is gegaan met een man van wie hij de naam niet wil noemen. Deze man vroeg hem of hij geld wilde verdienen voor het ter beschikking stellen van zijn bankrekening. Verdachte heeft in opdracht van deze man zijn pinlimiet verhoogd tot € 10.000,- en vervolgens zijn pas afgegeven aan de man. Op de rekening van verdachte is een gestolen bedrag gestort dat vervolgens weer grotendeels is doorgesluisd naar een andere bankrekening. Verdachte heeft voor het ter beschikking stellen van zijn rekening geld gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte moeten vermoeden en heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn rekening gebruikt zou worden voor het witwassen van uit misdrijf afkomstig geld. Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: - het proces-verbaal van aangifte van aangeefster [benadeelde]; - het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot bankmutaties van [naam]; - de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie. 3Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij op 19 november 2010, te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een groot geldbedrag, te weten 10.000 euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen terwijl hij -verdachte- en zijn mededaders redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovenomschreven geldbedrag -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van schuldwitwassen 5De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 60 uur subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis met een proeftijd van 1 jaar. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van schuldwitwassen. Verdachte heeft een aanzienlijk geldbedrag, waarvan hij had behoren te weten dat het van misdrijf afkomstig was, verworven en voorhanden gehad. Witwassen van crimineel geld vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het in omloop zijn van dergelijke grote witgewassen geldbedragen heeft een sterk corrumperende werking en faciliteert veelal ander strafbaar handelen. De rechtbank acht alles afwegende een geldboete van € 1.500,- waarvan € 1.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. De rechtbank heeft hierbij in het nadeel van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte geld heeft verdiend met zijn handelingen en dat hij een uitgebreide documentatie heeft. In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat het een oud feit betreft. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47, 63 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht. 9De beslissing De rechtbank:  verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;  verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;  verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;  verklaart verdachte hiervoor strafbaar;  veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een geldboete van € 1.500,- (vijftienhonderd euro).  bepaalt, dat een gedeelte van de geldboete, groot € 1.000,- (duizend euro) niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;  stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde: 1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; 2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt. Dit vonnis is gegeven door mr. C.H.M. Pastoors (voorzitter), mr. A.A.M. Bögemann en mr. C.J.M. van Apeldoorn, rechters in tegenwoordigheid van mr. M. van Erp-Noordenbos, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 maart 2015 mr. C.H.M. Pastoors is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Kennemerland, district Kennemerland Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL1247201027352-17, gesloten op 17 juni 2011 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde], p.50 Bankafschrift, p. 79-80. Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde], p.48-50 Proces-verbaal van bevindingen, p.88 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 227 - 231

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.