RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer : 05/740059-14 Datum uitspraak : 23 maart 2015 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] (Taiwan), wonende te [adres], [woonplaats] raadsvrouw : mr. W.M.L. van Koningsveld, advocaat te Oss. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 maart 2015. 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is, na een door de rechtbank op 9 maart 2015 ter terechtzitting toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 24 maart 2014 te Arnhem (telkens) ontucht heeft gepleegd met (meerdere) aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige(n), te weten [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2], en/of [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3], en/of [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum 4], en/of [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum 5], en/of [slachtoffer 5], geboren op [geboortedatum 6], en/of [slachtoffer 6], geboren op [geboortedatum 7], en/of [slachtoffer 7], geboren op [geboortedatum 8]), immers heeft hij, verdachte, (telkens) als gymleraar (CIOS-stagiair) tijdens een door hem gegeven (gym)les, voornoemde perso(o)n(
(5)weken terug.” [slachtoffer 8] zou niet hebben gezegd dat hij in haar broek was gegaan. Toen ze het voordeed, ging ze volgens haar vader over haar kleding heen. [school 3] Op maandag 15 april 2013 heeft de directrice van de [school 3] de ouders van twee schoolkinderen, te weten [slachtoffer 11] en haar klasgenote [slachtoffer 10], gesproken en daarna - ieder afzonderlijk, maar in aanwezigheid van intern begeleider [naam 10] - de meisjes zelf. De directrice heeft verslagen gemaakt van de gesprekken. Aanleiding voor de gesprekken was een telefoongesprek de vrijdag ervoor met de moeder van [slachtoffer 11]. De moeder van [slachtoffer 11] zou een gesprek hebben opgevangen tussen haar dochter en [slachtoffer 10], een vriendin van [slachtoffer 11], over handelingen van een CIOS-student tijdens de gymles. De moeder van [slachtoffer 11] heeft opgemerkt dat de kinderen haar hebben verteld dat meester [verdachte] hen vaak tijdens de gym oppakt bij borsten en billen. Het zou spelen vanaf de kerst. [slachtoffer 10] [naam 19] heeft verklaard dat [slachtoffer 10] haar op 15 april 2013 heeft verteld dat meester [verdachte] haar oppakte bij borsten en billen. [naam 19] heeft daarover verklaard: “Ik heb haar gevraagd hoe meester [verdachte] haar dan vastpakt en toen vertelde ze dat hij haar vastpakt bij de heup en als ze aan de ringen gaan hij haar optilt bij haar borsten en bij haar bovenbeen, net onder de billen.” In het gespreksverslag van het gesprek tussen [slachtoffer 10], [naam 11] en [naam 10] over “meester [verdachte]” wordt opgemerkt: “[slachtoffer 10] wijst aan dat hij haar vastpakt bij de heup en bij de ringen optikt onder de borsten en bij het bovenbeen.” De moeder van [slachtoffer 10] heeft verklaard dat zij door de moeder van [slachtoffer 11] is gebeld, met de boodschap dat [slachtoffer 11] en [slachtoffer 10] haar iets te vertellen hadden. [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] kwamen toen bij haar thuis en [slachtoffer 10] vertelde dat de gymleraar aan haar had gezeten op plekken waarvan zij het niet leuk vond. De moeder van [slachtoffer 10] heeft daarop [slachtoffer 11] naar huis gestuurd en is in gesprek gegaan met [slachtoffer 10]. Hierover heeft zij verklaard: “Zij gaf aan dat ze met koprol en het helpen bij de toestellen met gym, hij haar niet om haar middel pakte maar constant bij haar borsten. Dat zou niet 1 keer zijn gebeurd maar meerdere keren.” [slachtoffer 10] heeft tegen haar moeder gezegd dat de leraar, als hij haar optilde, aan haar billen zat, terwijl de andere leraren dat niet deden, maar het ergst vond ze dat ze bij haar borsten was gepakt. Ze heeft haar moeder uitgelegd dat ze normaal door een leraar van achteren bij haar middel werd vastgepakt, maar dat deze leraar haar nu van achteren pakte en haar borsten aanraakte. [slachtoffer 11] [naam 19] heeft verklaard dat [slachtoffer 11] haar op 15 april 2013 heeft verteld dat meester [verdachte] aan haar kont heeft gezeten. In het verslag van het gesprek tussen [slachtoffer 11], [naam 11] en [naam 10] wordt opgemerkt: “In de gymles vraagt [verdachte] of [slachtoffer 11] naast hem komt zitten en dan gaat hij aan haar kont zitten.” De moeder van [slachtoffer 11] heeft verklaard dat [slachtoffer 11] op een vrijdagavond in april 2013 in het bijzijn van [slachtoffer 10] vertelde dat de gymleraar haar op een niet prettig manier vasthield. [slachtoffer 11] zou hebben gezegd dat de gymleraar haar vasthield bij de borsten en haar optilde bij haar kont. De moeder van [slachtoffer 11] heeft verklaard dat het om [verdachte] gaat, en dat [slachtoffer 11] haar heeft verteld dat het omstreeks de kerstvakantie daarvoor was begonnen. Het bleef bij vastpakken voor in het touw te gaan en klimrekken. [verdachte] ondersteunde haar dan. [school 2] Op 7 maart 2013 stuurt de vader van [slachtoffer 12] een email aan twee leerkrachten van de [school 2] om te melden dat zijn dochter die dag voor de derde keer thuis is gekomen met het verhaal dat bij de gymles een stagiaire meester “[verdachte]” aanwezig is die zich niet gedraagt zoals het hoort. De directeur van de [school 2] heeft verklaard dat de bedoelde stagiaire [verdachte] heet. [slachtoffer 12] De vader van [slachtoffer 12] heeft verklaard dat [slachtoffer 12] in maart 2013 drie incidenten heeft gemeld met betrekking tot [verdachte], een CIOS-stagiair. Daarover heeft hij verklaard: “[slachtoffer 12] moest van de gymleraar alleen naar het materialenhok om iets te pakken. Hij ging met haar mee en tilde haar op terwijl dit helemaal niet nodig was. Tijdens het optillen pakte hij haar met één hand in haar kruis en de andere hand onder haar billen.” En: “[slachtoffer 12] heeft verteld dat de gymleraar tegen haar gezegd had dat ze helemaal onder het stof zat en klopte haar achterwerk af waarbij hij haar billen uitvoerig betastte.” En ook: “[slachtoffer 12] zat op een bankje en de gymleraar kwam bij haar zitten en betastte haar billen.” Schakelbewijs Het betasten van de schaamstreek Uit voorgaande overwegingen volgt dat de rechtbank op zichzelf geen reden heeft om te twijfelen aan de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], in die zin dat zij inconsistent zouden zijn in hun verhaal over verdachte. De enkele stelling van de raadsvrouw van verdachte dat sprake kan zijn geweest van enige mate van beïnvloeding van deze verklaringen, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Temeer nu voor [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] geldt dat zij zich uit zichzelf bij een juf hebben gemeld direct na de gymles, en ook met de overige kinderen kort na de gymles op 24 maart 2014 afzonderlijk is gesproken. Voor beïnvloeding van of door de kinderen van verschillende scholen over en weer, te weten [slachtoffer 10], [slachtoffer 11] van de [school 3] en [slachtoffer 12] van de [school 2], bestaat geen aanwijzing. De stelling van de raadsvrouw van verdachte dat steeds sprake is van “één bron” c.q. het ontbreken van steunbewijs volgt de rechtbank niet. Allereerst worden de verklaringen van de kinderen over de omstandigheden waaronder de aanrakingen zouden hebben plaatsgevonden ondersteund door andere bronnen. Dat verdachte de kinderen gymles of “buitensport” gaf, dat hij dat op enig moment alleen met de kinderen is geweest, maar ook dat [slachtoffer 5] een wondje had, wordt zoals reeds hier voor aangegeven bevestigd door de verklaringen van verdachte zelf en getuigenverklaringen van docenten. Daarnaast is het zo dat de verklaringen van de kinderen over handelingen van verdachte ten aanzien van henzelf, elkaars verklaringen over en weer ook ondersteunen. Uit de verklaringen, ieder met eigen bijzonderheden, komt immers dezelfde “modus operandi” naar voren. Ten aanzien van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 5], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] valt uit de afzonderlijke verklaringen steeds af te leiden dat steeds sprake is van een voorval waarbij verdachte als gymdocent tijdens de les of “buitensport” één van de meisjes apart heeft van de rest (om haar een oefening voor te doen, haar staart goed te doen, een wondje te bekijken, te horen of ze nog last heeft van de bal die ze eerder in haar buik heeft gekregen etcetera), om vervolgens zijn vingers over haar kleding langs haar vagina te bewegen. De situatie en de handelswijze zijn steeds vrijwel identiek. Het gaat voorts steeds om leerlingen en steeds om meisjes. Juist de verschillen in de bijzonderheden - zoals de verschillende redenen van het apart nemen van het kind - maken de verklaringen van de meisjes authentiek en de overeenkomsten in handelswijze redengevend als bewijs. De opvatting dat tenminste één feit zelfstandig bewezen moet worden geacht om verklaringen over handelingen ten aanzien van een kind te kunnen gebruiken als bewijs voor een handeling ten aanzien van een ander kind, vindt geen steun in het recht (vgl HR 17 juni 1940, NJ 1940, 822). Ook in het onderhavige geval kan naar het oordeel van de rechtbank gebruik worden gemaakt van dergelijk schakelbewijs. De rechtbank acht aldus bewezen dat verdachte op 24 maart 2014 [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 5], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] in hun schaamstreek heeft aangeraakt. Verder is opvallend dat ook [slachtoffer 8] en [slachtoffer 12] beiden verklaren over de navolgende “modus operandi”. Er is sprake van een vergelijkbare situatie, te weten dat verdachte hen iets uit een stelling/materialenhok heeft laten halen, hen daarbij heeft opgetild en hun vagina heeft aangeraakt. Zij hebben dus eveneens verklaard over het tasten in de schaamstreek in een situatie waarin hij hen als het ware afscheid van de rest van de klas. Voor [slachtoffer 8] en [slachtoffer 12] geldt dus eveneens dat voor het bewijs niet slechts de verklaring van hun eigen vader kan worden gebruikt voor het bewijs, maar tevens de verklaringen die zijn afgelegd door de vader van de ander, alsmede de verklaringen ten aanzien van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 5], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6]. Van belang acht de rechtbank in dit kader voorts nog dat [slachtoffer 8] onderwijs volgt op [school 1] in Arnhem, terwijl [slachtoffer 12] onderwijs volgt op de [school 2] in Rheden. Van onderlinge beïnvloeding zal in zoverre dus geen sprake zijn. Het aanraken van de billen en/of borsten Uit de verklaringen van [slachtoffer 10], [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] volgt ook nog een andere “modus operandi”. Zij verklaren alle drie over het aanraken van hun billen door verdachte. Nu [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] naar de [school 3] gaan en [slachtoffer 12] naar de [school 2] acht de rechtbank dit bijzonder opvallend. Temeer nu de verklaringen van [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] onderling nog sterker overeen komen doordat zij verklaren over dat verdachte naast hen komt zitten en dan hun billen betast. Voorts geldt dat ook bij [school 1] meldingen zijn gedaan van het geven van een tik tegen de billen. Een docent van de combinatieklas 7-8 heeft verklaard dat daarvan door [naam 12] (waarbij wordt gesproken over “de gekleurde stagiaire”) en één van de ouders van [naam 13] (waarbij wordt gesproken van de “gymstagiaire”) melding is gedaan. De rechtbank acht, gelet op al deze verklaringen in onderlinge samenhang bezien, eveneens bewezen dat verdachte de billen van [slachtoffer 10], [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] heeft aangeraakt. Tevens acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 10] bij haar borsten heeft vastgepakt. In dat kader acht zij niet slechts de verklaring van [slachtoffer 10] van belang, zoals dat volgt uit het gespreksverslag en de verklaring van moeder en de directrice van de [school 3], maar ook de verklaring van de docent van de combinatielas 7-8 van [school 1]. Hij heeft verklaard dat de moeder van [naam 14] heeft gemeld dat “een stagiaire” haar na pauzesport aan haar borsten had aangeraakt. Ontuchtig karakter van de handelingen Verdachte heeft verklaard dat hij op het CIOS les heeft gehad in technieken voor het vastpakken van kinderen. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft geleerd hoe hij kinderen moet vastpakken om te voorkomen dat ze vallen en de stagiaires ze niet op de verkeerde plek vastpakken. Volgens verdachte was het slechts tijdens het turnen nodig om de kinderen op te tillen en was het nooit nodig om ze in de borst-, bil- of kruisstreek aan te raken. Verdachte heeft ook bevestigd dat hij er meermalen, en op verschillende scholen, op is aangesproken dat hij de kinderen op een onjuiste manier zouden hebben vastgepakt. [naam 3], opgeleid op het CIOS en beweging specialist op [school 1], heeft verklaard dat verdachte heel goed weet “waar hij wel en niet aan moet zitten” en heeft opgemerkt dat als verdachte gedaan heeft wat de kinderen hebben verklaard, dit niet per ongeluk kan zijn gebeurd. De rechtbank overweegt dat uit haar overwegingen ten aanzien van de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6], [slachtoffer 8], [slachtoffer 10], [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] volgt dat de rechtbank deze verklaringen geloofwaardiger acht dan de verklaring van verdachte dat hij de meisjes niet in hun schaam-, bil- en/of borststreek zou hebben aangeraakt. De omstandigheid dat al deze meisjes, en daarnaast nog andere – niet in de tenlastelegging opgenomen – meisjes hierover hebben verklaard, de omstandigheid dat het gaat om kinderen van drie verschillende scholen, en het feit dat het steeds om vergelijkbare situaties gaat, maken de ontkenning van verdachte naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig. Nu voorts uit de verklaring van verdachte en zijn begeleider op [school 1] volgt dat verdachte zich terdege bewust is van de plaatsen waarop hij de lichamen van de kinderen als gymdocent (functioneel) kan aanpakken, acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte de kinderen opzettelijk en met een kennelijk seksuele lading - en daarmee in strijd met de sociaal-ethische normen - heeft aangeraakt. Gedeeltelijke vrijspraak Feit 1: [slachtoffer 4] en [slachtoffer 7] Voor zover het ten laste gelegde onder feit 1 ziet op het betasten van de schaamstreek van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 7] spreekt de rechtbank verdachte vrij. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. [slachtoffer 4] heeft tijdens haar studioverhoor verklaard dat haar klas tijdens de gymles kon kiezen uit hockey, voetbal en baltikkertje. [slachtoffer 3] zou haar vervolgens in de kring hebben verteld dat de meester met zijn hand op het plassertje van [slachtoffer 3] was geweest, en daarna kregen ze “Amerika Koekoek”. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat ze na het omkleden met [slachtoffer 6] naar juf [naam 2] is gegaan, maar dat ze niet weet wat [slachtoffer 6] de juf heeft verteld. [slachtoffer 4] zou eerst met de juf gesproken hebben en weggestuurd zijn toen [slachtoffer 6] met de juf sprak. De rechtbank overweegt dat de verklaring van [slachtoffer 4] op verschillende punten verschilt van de verklaringen van anderen, bijvoorbeeld uit welke activiteiten de gymles bestond, wanneer de handelingen zouden hebben plaatsgevonden en wanneer daarover zou zijn gesproken met of door andere kinderen. Mede gelet op de verklaring van [naam 2], dat [slachtoffer 4] een levendige fantasie heeft en niet altijd eerlijk is is de rechtbank van oordeel dat - ook in samenhang met andere bewijsmiddelen - voor de ontucht met [slachtoffer 4] onvoldoende overtuigend bewijs is. De vader van [slachtoffer 7] heeft verklaard dat [slachtoffer 7] (op 24 maart 2014) thuis tegen haar moeder heeft gezegd dat er tijdens gym iets gebeurd zou zijn en zij er niet bij wilde horen. [slachtoffer 7] zou hebben gezegd dat de gymstagiaire achter haar was gaan staan en dat hij toen “zo” deed, waarbij zij wees in de richting van haar kruis. Toen de moeder van [slachtoffer 7] vroeg om voor te doen wat hij dan precies zou hebben gedaan, was [slachtoffer 7] achter haar moeder gaan staan en deed zij verder niets. De rechtbank overweegt dat uit de verklaring niet duidelijk volgt wat nu precies met verdachte zou zijn voorgevallen. Voornoemde verklaring acht de rechtbank een onvoldoende basis om, bezien in combinatie met verklaringen (van ouders) van klasgenoten van [slachtoffer 7], tot een wettig en overtuigende bewezenverklaring te komen ten aanzien van ontuchtige handelingen bij [slachtoffer 7]. Feit 2: [slachtoffer 9] De moeder van [slachtoffer 9] heeft verklaard dat [slachtoffer 9] heeft verteld dat zij door de stagiaire, [slachtoffer 9] noemde hem “de gymmeester”, tussen haar benen bij haar kruis zou zijn betast. Het zou zijn gebeurd met de gymles, op maandag of vrijdag. Volgens de moeder van [slachtoffer 9] heeft [slachtoffer 9] dit verteld een paar weken voordat haar moeder (op 25 maart 2014) een brief kreeg van de directrice van [school 1] in verband met grensoverschrijdend gedrag tijdens de gymles. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ontuchtig aanraken van [slachtoffer 9] in haar schaamstreek. Naar het oordeel van de rechtbank staat, nog daargelaten dat niet duidelijk wordt wanneer het door [slachtoffer 9] omschreven voorval precies zou hebben plaatsgevonden, niet onomstotelijk vast dat [slachtoffer 9] verdachte heeft bedoeld. Feit 3: Het toefluisteren van [slachtoffer 11] heeft verklaard dat “meester [verdachte]” haar tijdens de gym ook zou hebben gevraagd naar haar “gevoeligste plekje”. De rechtbank overweegt dat geen ondersteunend bewijs bestaat voor dit deel van de tenlastelegging. [slachtoffer 10] zou de meester weliswaar hebben zien fluisteren met [slachtoffer 11], maar heeft niet gehoord van hij tegen [slachtoffer 11] zou hebben gezegd. Nu verdachte heeft ontkend [slachtoffer 11] mondeling op deze wijze te hebben benaderd en geen van de overige basisschoolkinderen heeft verklaard over dergelijke seksueel getinte vragen door verdachte is de rechtbank van oordeel dat op dit punt niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging. Ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde De feiten Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat niet ter discussie staat, vastgesteld. [slachtoffer 13] (hierna: [slachtoffer 13]), geboren op [geboortedatum 14], heeft op 17 november 2013 een relatie gekregen met verdachte. Meermalen heeft verdachte zijn vinger en/of een vibrator in de vagina van [slachtoffer 13] gebracht. Het seksuele contact vond plaats bij haar thuis, in ’s-Hertogenbosch. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde onder feit 4. Naar zijn mening is het seksuele karakter daarin gelegen dat geen sprake was van vrijwilligheid en evenmin van een gering leeftijdsverschil tussen [slachtoffer 13] en verdachte. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw van verdachte heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde onder feit 4, nu het ontuchtige karakter van de seksuele handelingen - gelet op het geringe leeftijdsverschil, de omstandigheid dat [slachtoffer 13] met die handelingen heeft ingestemd (hoewel zij daarover uit schaamte toen haar relatie met verdachte op enig moment was bekoeld, anders verklaard heeft) en [slachtoffer 13] en verdachte een relatie hebben - ontbreekt. Beoordeling door de rechtbank In het kader van de beoordeling of de seksuele handelingen van verdachte met [slachtoffer 13] een ontuchtig karakter hebben, acht de rechtbank met name het leeftijdsverschil, de bestendigheid van de relatie en het feit in hoeverre sprake is geweest van dwang, van belang. De rechtbank is van oordeel dat ten tijde van het ten laste gelegde seksueel binnendringen, een relatief groot leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer 13] bestond. [slachtoffer 13] was 14-15 jaar en verdachte 19-20 jaar. Niettemin begrijpt de rechtbank uit de verklaring van [slachtoffer 13] wel dat [slachtoffer 13] een relatie met verdachte had en verdachte in die tijd regelmatig bij haar mocht blijven slapen. Verdachte heeft bovendien verklaard dat hij, vanwege het feit dat [slachtoffer 13] nog jong was en in haar cultuur de man de baas in huis is, aan de vriend van één van haar zussen toestemming heeft gevraagd om met [slachtoffer 13] om te gaan. Later werd ermee ingestemd dat verdachte en [slachtoffer 13] een relatie hadden en bleef verdachte bijna iedere dag eten en slapen. Hoewel er - ondanks het relatief grote leeftijdsverschil - kennelijk sprake was van een relatief bestendige relatie waar de gezinsleden van de minderjarige [slachtoffer 13] mee hebben ingestemd, merkt de rechtbank het seksueel binnendringen door verdachte bij [slachtoffer 13] aan als “ontuchtig handelen”. Doorslaggevend acht de rechtbank dat sprake is geweest van enige dwang. Op 19 mei 2014 heeft [slachtoffer 13] immers verklaard dat ze niet wilde dat verdachte “dingen” in haar vagina deed en niet wilde dat hij haar zou filmen. Zij heeft daarover verklaard dat ze tegen hem gezegd heeft dat ze het niet wilde, maar dat hij het dan toch deed. Geconfronteerd met de bij verdachte aangetroffen filmpjes, met daarop seksuele handelingen door verdachte bij [slachtoffer 13], heeft [slachtoffer 13] ook verklaard dat ze die handelingen eigenlijk niet wilde. Op 11 juni 2014 heeft [slachtoffer 13] opnieuw verklaard over het onvrijwillige karakter van bepaalde seksuele handelingen door verdachte. [slachtoffer 13] heeft onder meer verklaard: “[verdachte] raakte mij vaak aan. Hij raakte me vaak aan borsten aan, hij sloeg mij op mijn kont. Hij zat ook aan mijn vagina. Als ik zei dat ik dat niet wilde dan deed hij het toch. Ik liet dit merken door te zeggen ‘Ik wil het niet’ en soms werd ik ook heel erg boos. (…) [verdachte] heeft ook met voorwerpen in mijn vagina gestopt. Het was een blauw ding. Hij deed dit met een vibrator. [verdachte] had deze mee genomen. Ik weet niet hoe hij eraan kwam. Ik vond het niet fijn en ik wilde het gewoon niet. Ik weet niet waarom hij dan toch door bleef gaan. Ook al zei ik dat ik het niet wilde, bleef hij gewoon door gaan.” De verklaring van [slachtoffer 13] dat ze seksuele handelingen tegen haar zin moest ondergaan wordt bevestigd door - voornoemde, aan [slachtoffer 13] tijdens haar verhoor getoonde - bij verdachte inbeslaggenomen filmpjes. Daarop zijn seksuele handelingen te zien met een vrouw - die door verbalisanten is herkent als [slachtoffer 13] - en een stem die zegt dat ze het niet wil of “Nee, nee” of “[verdachte]…nee, nee”. De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 13], met een tussenpoos van enkele weken, steeds heeft verklaard dat zij niet wilde dat verdachte “dingen” in haar vagina deed. [slachtoffer 13] is aldus consistent waar het het onvrijwillige karakter van deze handelingen betreft. Dat zij nu, in de door de raadsvrouw van verdachte ter terechtzitting overgelegde brief stelt dat dit anders is, doet naar het oordeel van de rechtbank niet aan haar eerdere verklaringen af. 3. Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat: 1. hij op 24 maart 2014 te Arnhem ontucht heeft gepleegd met (meerdere) aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige(n), te weten [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2], en [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3], en [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum 4], en [slachtoffer 5], geboren op [geboortedatum 6], en [slachtoffer 6], geboren op [geboortedatum 7], en immers heeft hij, verdachte, telkens als gymleraar CIOS-stagiair tijdens een door hem gegeven gymles, voornoemde personen in/bij haar/hun schaamstreek betast; 2. hij op één tijdstip gelegen in de periode van de maand februari 2014 tot en met 23 maart 2014 te Arnhem ontucht heeft gepleegd met aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [slachtoffer 8], geboren op [geboortedatum 9], en [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum 4]), immers heeft hij, verdachte, als gymleraar CIOS-stagiair) tijdens een door hem gegeven gymles, voornoemde [slachtoffer 8] en [slachtoffer 3] in/bij haar schaamstreek betast; 3. hij op meerdere tijdstip(pen) gelegen in de periode van de maand december 2012 tot en met de maand april 2013 te Arnhem en/of Rheden (telkens) ontucht heeft gepleegd met meerdere aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige(n), te weten [slachtoffer 10], geboren op [geboortedatum 11], en [slachtoffer 11], geboren op [geboortedatum 12], en [slachtoffer 12], geboren op [geboortedatum 13], immers heeft hij, verdachte, telkens als gymleraar (CIOS-stagiair) tijdens een door hem gegeven gymles, voornoemde [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] bij haar/hun borststreek en/of schaamstreek en/of billen betast en/of vastgepakt; 4. hij op meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 17 november 2013 tot en met 27 april 2014 te 's-Hertogenbosch, (telkens) met [slachtoffer 13] geboren op [geboortedatum 14], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(
- en)heeft gepleegd, die mede bestond(
- en)uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 13], hebbende verdachte (telkens) zijn vinger(
- s)en/of een voorwerp (vibrator) in de vagina van die [slachtoffer 13] gebracht. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 4De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 telkens: Ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd. Ten aanzien van feit 4: Met iemand die de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd. 5De strafbaarheid van het feit De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten 1, 2, 3 en 4 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 10 jaar, en als bijzondere voorwaarden een beroepsverbod, reclasseringstoezicht en ambulante behandeling. De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn strafeis meegewogen dat verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn positie en rol als gymleraar in een voor de - vele, zeer jonge -slachtoffers vertrouwde schoolomgeving. Hij heeft erop gewezen dat seksuele delicten ook op lange termijn psychische grote gevolgen voor slachtoffers kunnen hebben, waarbij in de onderhavige zaak voor een aantal slachtoffers bovendien speelt dat zij aanvankelijk niet zijn geloofd. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring en dientengevolge tot strafoplegging komt, een geheel voorwaardelijke straf passend is, met als bijzondere voorwaarde een behandeling bij [naam 30]. Zij verwijst in dit kader naar het rapport van Pro Justitia betreffende het psychologisch onderzoek betreffende verdachte. De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht om toepassing van het adolescentenstrafrecht, vanwege het pedagogisch belang en het feit dat verdachte jong overkomt, een laag ervaringsniveau heeft en sprake is van een laag gemeten intelligentieniveau. Zij heeft voorts verzocht rekening te houden met de omstandigheden dat verdachte 21 jaar is, hij een zwaar jaar achter de rug heeft (hij is van school gestuurd en zijn ouders hebben, mede doordat media-aandacht bestaat voor de zaak, veel reacties gekregen) en niet verder wil in het onderwijs, hij ondanks de tegenslagen 30-35 uur per week werkt als orderpicker bij Mediq, hij nog steeds een relatie heeft met [slachtoffer 13], hij Basic Trust therapie volgt voor problemen verband houdend met zijn adoptie, hij op 23 maart 2015 een intakegesprek heeft bij [naam 30] en daar een traject gaat starten, bij zijn moeder borstkanker is geconstateerd en zij daarvoor de dag na de terechtzitting zal worden geopereerd, verdachte een blanco strafblad heeft en de aanhouding en inverzekeringstelling veel impact op hem hebben gehad. Beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op: - het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 27 januari 2015; - een reclasseringsadvies van RN Advies & Toezichtunit 3 Zuid, gedateerd 19 februari 2015; - een rapport over een psychologisch onderzoek betreffende verdachte, opgesteld door [psycholoog], gz-psycholoog en gerechtelijk deskundige NRGD, gedateerd 21 juli 2014. Verdachte heeft zich tijdens de stageperiode van zijn opleiding tot gymdocent schuldig gemaakt aan ontuchtig handelen met negen kinderen in de leeftijdscategorie van 8-10 jaar, op drie verschillende basisscholen. Daarnaast heeft verdachte (op dat moment 19-20 jaar) zich schuldig gemaakt aan ontuchtig handelen, mede bestaande uit het seksueel binnendringen, van zijn (destijds) 14-15 jarige vriendin. Het behoeft geen betoog dat voornoemd seksueel misbruik zeer nadelige gevolgen voor de betrokken minderjarigen kan hebben (in de zin van psychische en emotionele schade) en zij hierdoor ernstig kunnen worden geschaad in hun verdere ontwikkeling. Het betreffen ernstige feiten. Temeer nu voor de kinderen op de hiervoor bedoelde basisscholen geldt dat zij aan de zorg van verdachte waren toevertrouwd, zij zich bij hem veilig zouden moeten kunnen voelen en verdachte hen juist voor grensoverschrijdend gedrag had behoren te behoeden. De schriftelijke slachtofferverklaring betreffende de destijds 8-9 jarige [slachtoffer 3] illustreert welke impact het handelen van verdachte op haar heeft gehad (schaamte, schuldgevoel, niet slapen, huilen, concentratieproblemen, onzekerheid, opstandigheid), waarbij haar ouders de vrees uitspreken dat [slachtoffer 3] mogelijk opnieuw problemen zal ondervinden van het gebeuren als zij een relatie krijgt en/of seksuele gevoelens ontwikkelt. Het baart de rechtbank veel zorgen dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt en/of geen enkele blijk heeft gegeven van inzicht in het problematische van zijn handelen, ondanks het feit dat het gaat om verschillende beschuldigingen, over een langere periode, op drie verschillende scholen, en een relatief groot aantal kinderen. Daarmee lijkt hij het probleem te bagatelliseren, hetgeen temeer verontrustend is nu verdachte in opleiding was tot gymdocent en in dat kader is opgeleid hoe (zorgvuldig) hij fysiek met de kinderen om behoort te gaan. In dit kader weegt de rechtbank zwaar mee dat verdachte meermalen waarschuwingen heeft gehad dat er meldingen waren gemaakt van grensoverschrijdend gedrag, dat dit zelfs eenmaal, bij de [school 3], ertoe heeft geleid dat hij met onmiddellijke ingang zijn stage-activiteiten heeft moeten beëindigen en dat hij desondanks bij een volgende school in herhaling is gevallen en minderjarigen in hun lichamelijke integriteit heeft aangetast. De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht het adolescentenstrafrecht toe te passen. De rechtbank overweegt dat zij, gelet op het bepaalde in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, heeft onderzocht of reden bestaat in het onderhavige geval het jeugdstrafrecht toe te passen en beantwoord deze vraag ontkennend. Hoewel in de onderhavige zaak elementen naar voren komen die pleiten voor toepassing van het jeugdstrafrecht, acht de rechtbank deze - mede gezien het rapport van de psycholoog - niet van doorslaggevende betekenis. De rechtbank is van oordeel dat een geheel voorwaardelijke straf, zoals door de raadsvrouw van verdachte is voorgesteld, geen recht doet aan de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten. Een gevangenisstraf zoals door de officier van justitie is voorgesteld, acht de rechtbank evenwel - mede gelet op het feit dat het bij de feiten 1, 2 en 3 gaat om betasten “over de kleding” en het bij feit 4 gaat om een meisje waarmee verdachte een relatie had/heeft, terwijl verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen - te fors. De rechtbank acht daarbij wel van belang dat een fors voorwaardelijk deel wordt opgelegd om herhalingsgevaar te beperken. Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van 10 jaar en een behandelverplichting, acht de rechtbank passend. De lange proeftijd acht de rechtbank noodzakelijk omdat er naar het oordeel van de rechtbank redenen bestaan om aan te nemen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Verdachte heeft immers veel slachtoffers gemaakt, op verschillende scholen, over een langere periode, zelfs nog nadat hij meermalen waarschuwingen heeft ontvangen voor zijn grensoverschrijdende gedrag. Weliswaar heeft verdachte uiteindelijk zijn opleiding als gymleraar - noodgedwongen - afgebroken, maar hij heeft zelf verder nog geen stappen ondernomen om herhaling te voorkomen. Ten aanzien van het vierde feit houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte nog steeds een affectieve relatie heeft met aangeefster die inmiddels 16 is en dat zij blijkens een door de raadsvrouw ingebrachte brief heeft aangegeven geen vervolging meer te wensen. Gelet op de aard en ernst van de feiten, en het recidivegevaar, acht de rechtbank een beroepsverbod geboden en zal zij verdachte als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelverplichting opleggen, alsmede als bijzondere voorwaarde een verbod om ook onbezoldigd activiteiten met kinderen te begeleiden. Ten aanzien van het beslag De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het onder feit 4 ten laste gelegde en bewezenverklaarde zijn aangetroffen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer aangezien deze kunnen dienen tot het begaan van soortelijke (zeden) feiten en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. 7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde [slachtoffer 3], wettelijk vertegenwoordigd door [naam 15], heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde onder feit 1 en 2. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.664,80, bestaande uit een bedrag van € 414,80 aan materiële schade bestaande uit kosten voor het inschakelen van een psycholoog, reiskosten en telefoonkosten, en een bedrag van € 1.250,- te zake van immateriële schade. Voorts wordt verzocht wettelijke rente toe te kennen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft verzocht de vordering benadeelde partij (geheel) toe te wijzen, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw van verdachte heeft, gelet op haar standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde en vanwege het feit dat een causaal verband zou ontbreken (en daarmee geen sprake is van “rechtstreekse schade”), primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft zij verzocht de vordering af te wijzen, vanwege het ontbreken van een causaal verband tussen de gestelde schade en het handelen van verdachte. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw van verdachte gevraagd om matiging van het schadebedrag, waarbij zij heeft gesteld dat de immateriële schade onvoldoende is onderbouwd. Beoordeling door de rechtbank Nu de gestelde materiële schade voldoende is onderbouwd en de verdediging de hoogte van dit verzochte bedrag niet heeft weersproken, acht de rechtbank dit deel van de vordering - nu de ten gelegde laste feiten 1 en 2 (voor zover die betrekking hebben op [slachtoffer 3]) bewezen zijn verklaard - toewijsbaar met dien verstande dat de kosten voor de behandeling bij de psycholoog door vier zullen worden gedeeld. In dit kader merkt de rechtbank op dat zij, gelet op de ingangsdatum van de aanvullende verzekering, aannemelijk acht dat deze verzekering ten behoeve van de inschakeling van psychologische hulp voor [slachtoffer 3] is afgesloten. Nu de andere drie gezinsleden zijn meeverzekerd en hier van “meeprofiteren”, acht de rechtbank het redelijk de kosten naar evenredigheid te verminderen. Naar maatstaven van billijkheid sluit de rechtbank zich ten aanzien van de immateriële schade aan bij de uitspraak waarnaar in de toelichting op het voegingsformulier wordt verwezen, en begroot de rechtbank deze schade op een bedrag van € 750,-. De rechtbank acht onvoldoende onderbouwd waarom in het onderhavige geval een hoger bedrag zou moeten worden toegekend, nu expliciet naar de bedoelde uitspraak wordt verwezen. Nadere bewijslevering ten aanzien van de hoogte van de immateriële schade levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.472,13 zal toewijzen, en de vordering voor het resterende bedrag niet-ontvankelijk zal verklaren. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 24 maart 2014. Om te voorkomen dat de benadeelde partij zich in de toekomst voor betaling eventueel tot verdachte zou moeten wenden, zal de rechtbank de verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen het te betalen bedrag van € 1.472,13 aan de Staat te voldoen. De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen. Bij niet nakoming van deze verplichting zal vervangende hechtenis (24 dagen) worden toegepast. 8De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 28, 31, 36b, 36d, 36f, 57, 245, 249 en 251 van het Wetboek van Strafrecht. 9De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden. bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n); stelt de proeftijd vast op 10 (tien) jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde: - zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden; - zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; en onder de bijzondere voorwaarde(
- n)dat de veroordeelde: - zich uiterlijk binnen 2 (twee) dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Reclassering Nederland, locatie [locatie] en zich gedurende de eerste twee jaren van zijn proeftijd zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht; en - gedurende de eerste twee jaren van zijn proeftijd zal meewerken aan een intake en een eventueel daaruit voortkomende behandeling gericht op seksualiteit, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. - gedurende de proeftijd niet onbezoldigd activiteiten zal ontplooien met betrekking tot de begeleiding van kinderen onder de 16 jaar. Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(
- n)en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht). Beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tevens tot ontzetting van de uitoefening van het beroep van leraar voor de duur van 5 jaar, ingaande nadat veroordeelde zijn straf heeft uitgezeten. Ten aanzien van het beslag beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten van de: witte Iphone (met goednummer PL07AH-2014032736-485220) en de zwarte portable computer, merk/type Msi (met goednummer PL07AH-2014032736-485222); De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]. veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], van een bedrag van € 1.472,13 (zegge: duizendvierhonderdtweeënzeventig euro en dertien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil; verklaart de benadeelde partij RJ. [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering; legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij[naam 33], een bedrag te betalen van € 1.472,13 (zegge: duizendvierhonderdtweeënzeventig euro en dertien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom, 24 (vieren- twintig) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt; en bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. Dit vonnis is gegeven door mr. J. Barrau, voorzitter, mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. R. Teekens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.W.M. Heutinck, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 maart 2015. mr. R. Teekens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie eenheid Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, Team Zeden Arnhem, opgemaakte (stam)proces-verbaal, proces-verbaalnummer 07ZED14016 (Summ-it), BVH-zaakregistratie 2014069642, gesloten op 9 juli 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 maart 2015; het proces-verbaal van verhoor getuige ([getuige 1]), p. 95, regel 2, 9-11 en 16; een overzicht van de stageplekken van verdachte in het kader van de CIOS-opleiding (verstrekt door [getuige 2], CIOS-docent), p. 104. Het (stam)proces-verbaal, p. 10; het proces-verbaal van bevindingen, p. 52, regel 7-8. Het (stam)proces-verbaal, p. 11. Het (stam)proces-verbaal, p. 11; het proces-verbaal aangifte ([naam 16]), p. 141, regel 20-22. Het (stam)proces-verbaal, p. 13; het proces-verbaal van bevindingen, p. 181, regel 5-7. Het (stam)proces-verbaal, p. 13; het proces-verbaal van bevindingen, p. 191, regel 5-7. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 2], p. 87, regel 5, 17-20, 32-34, 55, 61 en p. 88, regel 3-4, 12-13, 23 en 38-39. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 maart 2015; het proces-verbaal aangifte ([naam 18]), p. 197, regel 19-21. Verslag van leerkracht [naam 29] betreffende grensoverschrijdende handelingen Cios student op [school 2], p. 258, regel 3-4 en 8-9. Het proces-verbaal van verhoor getuige ([naam 19]), p. 226, regel 23-27 en 29-31. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 maart 2015; een overzicht van de stageplekken van verdachte in het kader van de CIOS-opleiding (verstrekt door [getuige 2], CIOS-docent), p. 104. Het proces-verbaal van aangifte ([naam 28]), p. 235, regel 20-22. Het proces-verbaal van aangifte ([naam 20]), p. 248, regel 20-22. Het proces-verbaal van verhoor van getuige ([naam 19]), p. 224, regel 31, p. 225, regel 19, 21-22 en 36-37, en p. 226, regel 23-24. Het (stam)proces-verbaal, p. 17. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 maart 2015; het proces-verbaal verhoor getuige ([getuige 3]), p. 255, regel 33, p. 256, regel 15-19 en 23-24 en het daarbij behorende verslag van leerkracht [naam 29] betreffende grensoverschrijdende handelingen Cios student op [school 2], p. 258, regel 14-18. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 maart 2015. Het proces-verbaal verhoor getuige [naam 3], p. 66, regel 24-25 en 32-33. Het proces-verbaal getuige [getuige 5], p. 79, regel 50-53. Het proces-verbaal verhoor getuige [naam 3], p. 63, regel 38, 41-42 en p. 64, regel 3-9; het proces-verbaal verhoor getuige ([getuige 6]), p. 73, regel 46-49 en p. 74, regel 4-7; het proces-verbaal verhoor verdachte, p. 123, regel 1, 5-10 en 43. Het proces-verbaal van verhoor getuige ([naam 2]), p. 87. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5], p. 80. Het proces-verbaal van aangifte ([naam 26], in aanwezigheid van [naam 27]), p. 48. Het proces-verbaal van bevindingen (studioverhoor [naam 25]), p. 52-54. Het proces-verbaal van verhoor getuige ([naam 2]), p. 87. Het proces-verbaal van bevindingen (studioverhoor [naam 25]), p. 56, regel 36. Het proces-verbaal van bevindingen (studioverhoor [naam 25]), p. 60. Het proces-verbaal van aangifte ([naam 24]), p. 134, regel 42-45 en 50-53 en p. 135, regel 7-10 en 27-32 en 37. Het proces-verbaal verhoor getuige ([naam 2]), p. 87-89. Het proces-verbaal aangifte ([naam 16]), p. 142-143. Het proces-verbaal van bevindingen (studioverhoor [naam 31]), p. 147-149. Het proces-verbaal van verhoor getuige ([naam 2]), p. 87-88. Het proces-verbaal van verdachte, p. 123, regel 9-10 en 16-18. Het proces-verbaal van aangifte ([naam 23]), p. 175, regel 11-13, 19-23, 41-48 en 52, en p. 176, regel 1-4, p. 178, regel 46-51 en 53-57. Het proces-verbaal van bevindingen (studioverhoor [slachtoffer 5]), p. 182, regel 12-13, 17-24, 35-38 en 39-40. Het proces-verbaal van verhoor getuige ([naam 2]), p. 88. Het proces-verbaal verslag informatief gesprek zeden ([naam 22]), p. 185, regel 45-47, en p. 186, regel 186, regel 1-8. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 126, regel 11-13. Het proces-verbaal van bevindingen (studioverhoor [slachtoffer 6]), p. 191, regel 33, 35-36, 42-44, en p. 192, regel 4-7, 9-10, 13-14 en 20. Het proces-verbaal van verhoor getuige ([naam 2]), p. 87, regel 5, 17-18, 20-22 en 26-28. Het proces-verbaal van aangifte ([naam 18]), p. 198, regel 27-28, 30, 34-37, 41-46 en 49-50, en p. 199, regel 7-8, 12-19, 23-27 en 40-42. Het proces-verbaal van verhoor getuige ([naam 19]), p. 224, regel 31, en p. 225, regel 8, 10-12, 15, 17-19, 26, 30 en 36-37. Het verslag van het oudergesprek op 15 april 2013, p. 228, regel 3-4 en 7. Het proces-verbaal van verhoor getuige ([naam 19]), p. 224, regel 37-41. Het verslag van het gesprek met [slachtoffer 10], p. 230, regel 8-10. Het proces-verbaal van aangifte ([naam 28]), p. 238, regel 34-46, en p. 239, regel 25-28 en 39-41. Het proces-verbaal van verhoor getuige ([naam 19]), p. 224, regel 23-24. Het verslag van het gesprek met [slachtoffer 11], p. 229, regel 9. Het proces-verbaal van aangifte ([naam 20]), p. 250, regel 11-16, 25-27 en 30-31. Email d.d. 7 maart 2013 van [naam 21] aan[naam 32] en[naam 29], p. 264. Het proces-verbaal verhoor getuige ([getuige 3]), p. 256, regel 2-6, 18-19 en 23-24. Het proces-verbaal informatief gesprek zeden ([naam 21]), p. 260, regel 25-26 en 28-38. Het proces-verbaal van verhoor getuige ([getuige 4]), p. 91-93. Het proces-verbaal van verhoor getuige ([getuige 4]), p. 91-93. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 maart 2015. Het proces-verbaal van verhoor getuige ([naam 3]), p. 67, regel 34-36. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 maart 2015 en het proces-verbaal van aangifte ([slachtoffer 13]), p. 271, regel 12-14, 19 en 32, en p. 274, regel 1-4 en 18-22. Het proces-verbaal intake gesprek [slachtoffer 13], p. 271, regel 26 en p. 272, regel 7-9. Het proces-verbaal aangifte ([slachtoffer 13]), p. 274, regel 9-12 en 21-25. Schriftelijk bescheid verslaggesprek [school 3] 16 april, p.232.