vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaakgegevens 3649552 \ CV EXPL 14-21751 \ 17603 uitspraak van 8 april 2015 vonnis in de zaak van de besloten vennootschap I.B.S. Exploitatie B.V., hodn Sportcity gevestigd te Leiden eisende partij gemachtigde AGIN Boeder Gerechtsdeurwaarders Haarlem tegen [gedaagde partij] wonende te Arnhem gedaagde partij procederend in persoon Partijen worden hierna Sportcity en [gedaagde partij] genoemd. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 20 november 2014 met producties, - de conclusie van antwoord, - de conclusie van repliek, - de conclusie van dupliek. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. IBS exploiteert sportscholen onder de naam ‘Sportcity’. 2.2. Op 5 februari 2014 hebben partijen een overeenkomst gesloten. Tegen betaling van een contributie van € 35,- per vier weken mag [gedaagde partij] met ingang van 6 februari 2014 gebruik maken van de faciliteiten van de sportscholen. De betaling geschiedt per automatische incasso. 2.3. [gedaagde partij] woonde op het moment van het sluiten van de overeenkomst in Amsterdam waar hij studeerde. 2.4. Op enig moment is [gedaagde partij] met zijn studie gestopt. Vanwege persoonlijke en financiële problemen is hij op enig moment (terug)verhuisd naar Arnhem. In Arnhem zijn geen sportscholen van Sportcity. 2.5. Bij brief van 23 april 2014 schrijft Sportcity dat [gedaagde partij] een betalingsachterstand heeft en verzoekt zij hem de openstaande contributie van € 35,- te voldoen. 2.6. Bij brief van 7 mei 2014 schrijft Sportcity aan [gedaagde partij] dat de openstaande vordering inmiddels € 110,- bedraagt. In de brief staat ook: “Indien deze betaling binnen de gestelde termijn uitblijft, zullen wij de totale vordering (…) van uw huidig contractjaar direct opeisbaar stellen. De eventuele genoten kortingen bij een 2-jarig abonnement komen daarmee te vervallen en worden alsnog in rekening gebracht.” 2.7. Bij brief van 4 juni 2014 is [gedaagde partij] andermaal aangemaand tot betaling over te gaan. 2.8. Vervolgens heeft de gemachtigde van Sportcity [gedaagde partij] bij herhaling aangemaand om over te gaan tot betaling van de volgens haar tot 4 februari 2015 door [gedaagde partij] verschuldigde contributie, te weten € 507,50. Deze aanmaningen gingen in eerste instantie naar het (voormalige) adres van [gedaagde partij] in Amsterman. Bij de stukken zit een aanmaning van 19 augustus 2015 gericht aan het (huidige) adres van [gedaagde partij] in Arnhem. 2.9. [gedaagde partij] is niet tot betaling overgegaan. 3De vordering en het verweer 3.1. Sportcity vordert, zo begrijpt de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van: a. € 499,- aan hoofdsom, b. de wettelijke rente daarover met ingang van 20 november 2014 tot aan de voldoening, c. € 76,13 aan buitengerechtelijke kosten, d. de kosten van de procedure. 3.2. Sportcity stelt daartoe dat [gedaagde partij] zijn betalingsverplichting uit de overeenkomst niet is nagekomen. Sportcity heeft daarop naar eigen zeggen op grond van de tussen partijen geldende algemene voorwaarden de duur van de overeenkomst omgezet van twee naar één jaar. [gedaagde partij] voldoet ten onrechte niet de contributie die hij over dat jaar (dat wil zeggen tot 4 februari 2015) verschuldigd is, te weten € 507,50. Dit bedrag is opgebouwd uit 11 maandelijkse termijnen van € 35,- en het volgens Sportcity door [gedaagde partij] genoten voordeel toen hij een overeenkomst voor de duur van twee jaar afsloot. Dat voordeel, te weten het verschil van € 7,50 aan de per vier weken te betalen contributie tussen een (duurder) abonnement van één jaar en een abonnement van twee jaar en het inschrijfgeld van € 25,- dat niet verschuldigd is bij het afsluiten van een tweejarig abonnement en wel bij het afsluiten van een éénjarig abonnement dient [gedaagde partij] eveneens te betalen, aldus Sportcity. 3.3. [gedaagde partij] voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Vast staat dat [gedaagde partij] gedurende de looptijd van de overeenkomst is (terug)verhuisd van Amsterdam naar Arnhem. [gedaagde partij] stelt zelf dat hij daar sinds 1 juni 2014 woont. Sportcity heeft in reactie daarop aangevoerd dat de verhuisdatum onduidelijk is. Omdat [gedaagde partij] de verhuisdatum van 1 juni 2014 vervolgens niet met stukken (bijvoorbeeld inschrijving gemeentelijke basisadministratie) heeft onderbouwd, kan de door [gedaagde partij] genoemde verhuisdatum niet als vaststaand worden aangenomen. 4.2. Bij de door Sportcity overgelegde stukken zitten verschillende aanmaningen. Deze zijn in eerste instantie geadresseerd aan een adres in Amsterdam. Op 19 augustus 2014 stuurt (de gemachtigde van) Sportcity echter een aanmaning aan een adres in Arnhem. Dit sluit aan bij het door [gedaagde partij] ingenomen - en door Sportcity niet weersproken - standpunt dat hij eind juli/begin augustus 2014 een eerste aanmaning op zijn (nieuwe) adres in Arnhem heeft ontvangen. Daarmee staat in deze procedure vast dat [gedaagde partij] met ingang van 1 augustus 2014 woonachtig is in Arnhem. Ook staat vast dat Sportcity daarvan op de hoogte was. 4.3. [gedaagde partij] doet een beroep op artikel 6 lid 3 van de algemene voorwaarden waarin staat dat tussentijdse opzegging door de consument ([gedaagde partij]) mogelijk is indien de consument een ander woonadres krijgt en het - als gevolg van de toegenomen reistijd - voor de consument niet meer mogelijk is om onder redelijke voorwaarden gebruik te maken van de fitnessactiviteiten. De kantonrechter begrijpt dit beroep aldus dat [gedaagde partij] aanvoert dat hij vanwege zijn verhuizing naar Arnhem - waar geen Sportcity sportschool is - de overeenkomst heeft opgezegd. 4.4. Dit verweer slaagt. Weliswaar zit er bij de stukken geen brief of email van [gedaagde partij] waarin hij de overeenkomst opzegt terwijl een dergelijke schriftelijke opzegging volgens de algemene voorwaarden in beginsel vereist is, maar bij de stukken zit wel een schriftelijke telefoonnotie van 19 september 2014 waaruit blijkt dat [gedaagde partij] heeft gezegd dat hij niet langer gebruik kan maken van de sportfaciliteiten van Sportcity (omdat dat vanwege zijn verhuizing naar Arnhem niet meer mogelijk
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.