RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Wrakingskamer Zaaknummer: 15-276 Beschikking van 23 april 2015 in de zaak van [verzoeker tot wraking] , wonende te [woonplaats], verzoeker tot wraking, tegen mr. G.H.W. Bodt, in haar hoedanigheid van rechter in de zaak met zaaknummer AWB 14/2673, hierna: de rechter. 1De procedure 1.
- Bij brieven van 18 maart 2015 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter. Bij brief van 12 april 2015 heeft verzoeker het wrakingsverzoek nader toegelicht. 1.
- Bij brief van 9 april 2015 heeft de rechter te kennen gegeven niet in de wraking te berusten en heeft zij haar zienswijze ten aanzien van het wrakingsverzoek uiteengezet. 1.
- In zijn brief van 12 april 2015 heeft verzoeker opgemerkt dat het de wrakingskamer niet is gegeven om in deze zaak als zodanig te fungeren. De wrakingskamer begrijpt deze opmerking aldus dat verzoeker de leden van de wrakingskamer verzoekt zich te verschonen. Verzoeker heeft echter geen rechtens relevante onderbouwing gegeven van dit verzoek. De leden van de wrakingskamer zien geen reden om zich te verschonen. 1.
- De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking behandeld ter zitting van 16 april
- Verzoeker en de rechter zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. 2De beoordeling 2.
- Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996, 484). Uit de artikelen 8:15 en 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is, objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de wrakingskamer het volgende. 2.
- Uit de stukken is het volgende gebleken. De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 16 december 2014 meegedeeld dat de behandeling van het beroep met zaaknummer 14/2673 op 19 maart 2015 zou plaatsvinden. Verzoeker heeft op 14 maart 2015 een aantal stukken ingediend. Bij brief van 16 maart 2015 heeft de rechtbank verzoeker bericht dat de stukken niet uiterlijk de elfde dag voor de zitting zijn ontvangen, dat de rechtbank daarom kan beslissen deze stukken niet bij de beoordeling van het beroep te betrekken en dat de rechter hierover op de zitting een definitieve beslissing zal nemen. Naar aanleiding van deze brief heeft verzoeker telefonisch contact gehad met de heer [naam] van de administratie. 2.
- Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek van 18 maart 2015 ten grondslag gelegd, zakelijk weergegeven, dat hij tijdens het telefoongesprek met de heer [naam] heeft meegedeeld dat hij een pleitnota wilde toesturen, maar dat hem te verstaan werd gegeven dat dit niet mogelijk was. 2.
- De rechter heeft in haar zienswijze toegelicht dat zij van de heer [naam] heeft vernomen dat verzoeker hem had meegedeeld dat hij niet naar de zitting zou komen, maar wel een pleitnota wilde toezenden, dat de heer [naam] verzoeker heeft meegedeeld dat in dat geval dat stuk geen pleitnota is, maar een nader stuk, dat de voor inzending van stukken geldende tiendagentermijn is verstreken en dat de rechter gelet hierop zal beslissen of dit stuk wordt meegenomen. 2.
- De wrakingskamer is van oordeel dat hieruit niet kan worden afgeleid dat sprake is van de aanwezigheid van vooringenomenheid bij de rechter dan wel dat vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer stelt vast dat op grond van artikel 8:58, eerste lid van de Awb partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen, en dat verzoeker daarop ook eerder is gewezen, bijvoorbeeld bij brief van 16 maart 2015 en eerder bij brief van 10 november
- Uit de zienswijze van de rechter volgt niet dat verzoeker geen pleitnota mocht toezenden. Daaruit volgt zelfs dat de rechter verzoeker juist tegemoet wilde komen. De griffier (de heer Van Leeuwen) heeft, zo blijkt uit die zienswijze, in opdracht van de rechter verzoeker telefonisch meegedeeld dat verzoeker zijn pleitnota kon indienen en dat dan op zitting een leespauze zou worden ingelast. Uit deze zienswijze volgt evenmin dat sprake is van de door verzoeker gestelde chantage en ook op een andere manier kan dat niet worden vastgesteld. Dat de griffier aan verzoeker heeft meegedeeld dat de behandeling alleen doorgang zou kunnen vinden als hij zijn wrakingsverzoek zou intrekken, leidt niet tot een ander oordeel. Nu verzoeker ook overigens geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de rechter blijk heeft gegeven van partijdigheid dan wel van vooringenomenheid dan wel dat de vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is, zal de wrakingskamer het verzoek afwijzen. 2.
- Nu verzoeker zonder deugdelijke grond een verzoek tot wraking heeft ingediend, en hij al eerder wrakingsverzoeken heeft ingediend, bijvoorbeeld bij brief van 15 december 2014, waardoor de behandeling van het door hem ingediende beroep onnodig wordt vertraagd, is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker de bevoegdheid om wrakingsverzoeken in te dienen misbruikt. Daarom zal op de voet van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb worden bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de zaak met zaaknummer AWB 14/2673 niet in behandeling wordt genomen. 3De beslissing De wrakingskamer: – wijst het verzoek tot wraking af; – bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in de zaak met zaaknummer AWB 14/2673 niet in behandeling zal worden genomen. Deze beschikking is gegeven door mrs. P.J. Wiegman, voorzitter, A. Tegelaar en G.A. van der Straaten, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier op 23 april
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.