← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2015:3673

vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/266839 / HA ZA 14-368 / 557 / 512 Vonnis van 1 april 2015 in de zaak van

  1. de stichting STICHTING GEREGELDE VEERDIENSTEN HEERWAARDEN-LITH, gevestigd te [woonplaats],
  2. [eiser sub 2], wonende te [woonplaats], eisers, advocaat mr. J.H. Meijer te Arnhem, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE MAASDRIEL, zetelend te Kerkdriel, gemeente Maasdriel, gedaagde, advocaat mr. S.A.L. van de Sande te Breda. Partijen zullen hierna enerzijds Veerdiensten c.s. (afzonderlijk respectievelijk de stichting en [eiser sub 2]) en anderzijds de gemeente worden genoemd. 1De procedure 1.
  3. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 31 december 2014 - de akte aan de zijde van de gemeente - de akte aan de zijde van Veerdiensten c.s. - de antwoordakte. 1.
  4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
  5. In het vonnis van 31 december 2014 heeft de rechtbank de gemeente in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het eerst ter comparitie duidelijk geworden verwijt van Veerdiensten c.s. dat de gemeente voorafgaand aan het indienen van de aanvraag om een bouwvergunning ten onrechte heeft laten weten dat voor het plaatsen van de aanlegsteiger een bouwvergunning vereist was, nu het vergunningsvrije bouw betrof. 2.
  6. In haar akte heeft Veerdiensten c.s. subsidiair gesteld dat (ook) de mededeling in de e-mail van 12 februari 2009 onjuist was indien geen bouwvergunning vereist was voor de realisatie van de steiger; de gemeente had moeten antwoorden dat de stichting de steiger mocht plaatsen, aldus Veerdiensten c.s. 2.
  7. Uit oogpunt van hoor en wederhoor heeft de gemeente een antwoordakte mogen nemen. Het gaat er nu om of in dit verband, dus ten aanzien van zowel het primaire als het subsidaire verwijt, een onrechtmatige daad van de gemeente jegens Veerdiensten c.s. moet worden aangenomen. Daarvoor is vereist dat wordt vastgesteld dat, zoals Veerdiensten c.s. stelt en de gemeente betwist, de aanleg van de steiger niet bouwvergunningplichtig was. In dat verband geldt het volgende. 2.
  8. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de steiger een bouwwerk is in de zin van artikel 43 eerste lid, aanhef en onder c van de Woningwet (oud) j° artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 5° van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (oud, verder: Bblb). Dat wil zeggen de vraag of aanleg van de steiger als bouwen van beperkte betekenis moet worden aangemerkt omdat de steiger een naar aard en omvang met bouwwerken ten behoeve van verkeersregeling, verkeersgeleiding, wegaanduiding, verlichting of tolheffing, bovenleidingen met de bijbehorende draagconstructies of seinpalen, elektriciteitskastjes of centrale-antenne-inrichtingskastjes, ondergrondse buis- en leidingstelsels ten behoeve van perceelsaansluitingen vergelijkbaar bouwwerk is ten behoeve van het openbaar vervoer, het verkeer, de waterhuishouding, de drinkwatervoorziening, de riolering, de energievoorziening of de telecommunicatie. Bij bevestigende beantwoording was een bouwvergunning niet nodig. 2.
  9. Veerdiensten c.s. heeft haar standpunt doen steunen op door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 25 april 1995 (ECLI:NL:RVS:1995:AP9286) gegeven uitleg van artikel 43, lid 1, onder f van de Woningwet (oud) in het geval van een steiger (van 11.2 bij 0,9 meter). Aan deze uitleg komt in deze zaak echter geen (doorslaggevende) betekenis toe, nu getoetst moet worden in het hierboven weergegeven, in 2006 en later geldende bestuursrechtelijke kader. In dat verband is het volgende van belang. 2.
  10. Niet in geschil is dat de steiger strekt ten behoeve van het openbaar vervoer c.q. het verkeer, zoals bedoeld aan het slot van punt 2.
  11. Het geschil gaat erom of de steiger naar aard en omvang vergelijkbaar is met de in punt 2.
  12. nader aangeduide bouwwerken. 2.
  13. Het hierboven bedoelde artikel 3 van het Bblb is bij Besluit van 15 juni 2014 tot wijziging van het Bblb (Stb. 2004, 291) ingevoerd. Blijkens pagina 4 van de Nota van Toelichting daarbij wordt met ‘omvang’ de fysieke omvang van het bouwwerk bedoeld. Verder is daar onder meer vermeld: “Bij bouwwerken ten behoeve van het openbaar vervoer kan bijvoorbeeld gedacht worden aan abri’s (voor zover geen gebouw zijnde (…) en borden en installaties waarop de dienstregeling wordt weergegeven.” 2.
  14. Blijkens onderdeel 6a van de aanvraag bouwvergunning van 7 juni 2006 bedroeg de oppervlakte van de steiger “24 + 20 m2”. Dat de steiger bestond uit een “loopplank, een ponton, twee spudpalen en een paal”, staat in punt 4a van de aanvraag en heeft de rechtbank reeds vastgesteld. De aldus beschreven fysieke omvang van de steiger is naar het oordeel van de rechtbank niet vergelijkbaar met die van bouwwerken ten behoeve van verkeersregeling, verkeersgeleiding, wegaanduiding, verlichting of tolheffing, bovenleidingen met de bijbehorende draagconstructies of seinpalen, elektriciteitskastjes of centrale-antenne-inrichtingskastjes, ondergrondse buis- en leidingstelsels ten behoeve van perceelsaansluitingen. De door Veerdiensten c.s. gemaakte vergelijking met een abri gaat mank. Gelet op de hierboven geciteerde passage uit de Nota van Toelichting wordt daar gedoeld op abri’s die niet een gebouw zijn, dus niet een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormen (artikel 1 aanhef en onder c Woningwet (oud). Met de fysieke omvang van een dergelijke abri is de steiger met een oppervlakte van in totaal 44 m2 niet vergelijkbaar. 2.
  15. Veerdiensten c.s. heeft niet gesteld dat zij aan de gemeente heeft kenbaar gemaakt dat de feitelijk door haar gewenste bouw fysiek (veel) minder omvangrijk was dan zoals deze door de stichting was aangevraagd. Daarop kan de gemeente dan ook haar (eventuele) mededelingen niet hebben gebaseerd. Daarom kan op basis van (eventueel) minder vergaande plannen van Veerdiensten c.s. niet een onrechtmatige daad van de gemeente worden aangenomen. 2.
  16. De conclusie is dat niet kan worden vastgesteld dat de aanleg van de steiger niet bouwvergunningplichtig was. De vordering is niet toewijsbaar. 2.
  17. Veerdiensten c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op: - griffierecht € 608,00 - salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punten × tarief € 452,00) Totaal € 1.738,00 3De beslissing De rechtbank 3.
  18. wijst de vorderingen af, 3.
  19. veroordeelt de stichting en [eiser sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 1.738,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de 15e dag na heden tot de dag van volledige betaling, 3.
  20. veroordeelt de stichting en [eiser sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Veerdiensten c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van de 15e dag na heden tot aan de voldoening, 3.
  21. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2015.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.