← Nederland

ECLI:NL:RBGEL:2015:4312

beschikking RECHTBANK GELDERLAND Wrakingskamer zaaknummer / rekestnummer: C/05/280396 / KZ RK 15/111 Zittingsplaats Zutphen Beschikking van 30 april 2015 in de zaak van [verzoekster], wonende te [plaats], verzoekster tot wraking, tegen mr. M.C.J. Heessels, in zijn hoedanigheid van rechter. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het schriftelijke wrakingsverzoek van 10 maart 2015; het schriftelijke verweer van de rechter d.d. 25 maart

  1. Zowel verzoekster als de rechter hebben voorafgaand aan de zitting bericht niet bij de mondelinge behandeling te verschijnen. 2Het wrakingsverzoek 2.1 Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. Heessels als rechter in de zaak met nummer 3935467 CV EXPL 15-2049 tussen International Card Services B.V. en verzoekster. De behandeling ter terechtzitting van die zaak (rolzitting) was gepland op 11 maart
  2. Een dag voor de zitting is het verzoek tot wraking ingediend door verzoekster. 2.2 Verzoekster heeft blijkens het schriftelijke verzoek het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Verzoekster wraakt de vermeende rechter die de zitting in voornoemde zaak doet, nu zij de rechtbank niet erkent als zijn rechtsgeldig, nu deze niet is gebouwd op het zuivere en juiste fundament. 2.3 De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd. In het verweer concludeert de rechter tot afwijzing van het verzoek, welk verweer hierna, zover nodig, wordt besproken. 3De beoordeling 3.1 Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996,484). Uit de artikelen 36 en 37 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank het volgende. 3.2 De omstandigheid dat de rechter niet uit het door verzoekster opgeworpen ‘zuiver en juiste fundament’ oordeelt, is geen grond die concrete feiten en omstandigheden bevat waaruit de rechtbank vooringenomenheid van de kantonrechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden. Deze wrakingsgrond van verzoekster raakt in de kern de legitimiteit van de aanstelling van iedere rechter omdat verzoekster alleen rechters accepteert die aan de door haar gestelde voorwaarden voldoen. Voorts stelt de wrakingskamer vast dat verzoekster haar verzoek niet onderbouwt met concrete, op de betrokken rechter toegespitste argumenten, zodat haar verzoek overigens onvoldoende is gemotiveerd. Daarom moet het verzoek worden afgewezen. 4De beslissing De rechtbank: wijst het verzoek tot wraking af. Deze beschikking is gegeven door de mrs. M.C. van der Mei (voorzitter), L.P.J. Lambooij en W.L.F. Prisse, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Baaziz en in openbaar uitgesproken op 30 april
  3. de griffier de voorzitter de griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.