vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/241098 / HA ZA 13-196 / 557/871 Vonnis van 24 juni 2015 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [getuige 2] Moordrecht B.V., gevestigd te Moordrecht, eiseres, advocaat mr. G.R.A.G. Goorts, tegen [gedaagde] wonende te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld, gedaagde, advocaat mr. J. Bolt. Partijen zullen hierna [getuige 2] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 30 juli 2014 het proces-verbaal van getuigenverhoor van 9 december 2014 de brief van 10 februari 2015 van de zijde van [gedaagde] waarin wordt afgezien van contra-enquête de conclusie na enquête van de zijde van [getuige 2] de conclusie na enquête van de zijde van [gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1. In voornoemd tussenvonnis van 30 juli 2014 is [getuige 2] opgedragen te bewijzen dat en wanneer zij de vordering van [getuige] heeft erkend. [getuige 2] heeft immers het standpunt ingenomen dat op die wijze de verjaring van de onderliggende vordering van [getuige] op [getuige 2] - welke vordering [getuige 2] thans als schadevergoeding ex artikel 6:74 BW van [gedaagde] vordert - is gestuit. 2.2. [getuige 2] heeft ter voldoening aan de bewijsopdracht als getuigen doen horen de heer [getuige 2] (hierna verder: getuige [getuige 2] ), de heer M.F.G. [getuige] (hierna verder: getuige [getuige] ) en mevrouw L.J. [getuige 3] -van den Berg (hierna verder: getuige [getuige 3] . Getuige [getuige 2] verklaart als volgt: U houdt mij de brief van [getuige] van 20 oktober 2006 voor. Hoe het daarna gegaan is, vraagt u mij. Ik heb [getuige] laten weten dat ik een rechtszaak zal beginnen tegen [gedaagde] . Vanaf het begin van de procedure, en daarmee bedoel ik de procedure voor deze procedure, tot heden heeft [getuige] deze rechtszaak gevolgd. (…) Ik heb meerdere gesprekken gevoerd met [getuige] over deze procedure, mondeling en telefonisch. De rechtszaak is begonnen, maar ik erken dat ik verantwoordelijk ben voor de koopsom van de varkensrechten. Daarnaast heb ik tegen hem gezegd dat afhankelijk van de uitkomst van deze rechtszaak ik hem mogelijk nog meer verschuldigd zou zijn. Daarmee doel ik op de leaserechten, de rente, alles wat in het vonnis van de rechter zou staan. Dit standpunt heb ik altijd, en dan bedoel ik vanaf 2006, ten opzichte van [getuige] ingenomen. U vraagt mij of er expliciet tussen mij en [getuige] is gesproken over het boetebeding. Ik antwoord u daarop: “nee”. Afgesproken was dat ik verantwoordelijk zou zijn voor wat er uit de einduitspraak van deze procedure zou volgen. Elk jaar kwam meerdere keren in een gesprek tussen mij en [getuige] aan de orde dat ik verantwoordelijk was. Op vragen van mr. Coppens: Op uw vraag of ik een concreter moment kan noemen waarop ik jegens [getuige] mijn verantwoordelijkheid heb geuit, antwoord ik: “in 2010 heb ik [gedaagde] aansprakelijk gesteld”. Daaraan ging vooraf een herinnering van [getuige] dat hij mij aansprakelijk hield. Mijn reactie daarop was: “ik ben aansprakelijk en ik ga [gedaagde] aanmanen.” Tot op de dag van vandaag ben ik van mening dat ik verantwoordelijk en aansprakelijk ben naar [getuige] . (…) Getuige [getuige] verklaart als volgt: U vraagt mij naar de reactie van [getuige 2] op mijn brief van 20 oktober 2006. Hij zei dat hij die schade ging verhalen bij [gedaagde] en of ik daarop wilde wachten. Op uw vraag wat [getuige 2] van mijn vordering vond, antwoord ik: “dat vond hij niet gek”. Preciezer kan ik daarover niet zijn, het is 7 jaar geleden, 8 jaar zelfs. Dit was vlak na 20 oktober 2006. De jaren daarna liep de rechtszaak en op een gegeven moment heb ik gezegd: “er moet wel garen op de klos komen”. Begin 2010 heeft [getuige 2] [gedaagde] daarom een brief geschreven, waarin staat dat ik [getuige 2] aan zijn verplichtingen houd”. [getuige 2] heeft mij ook gezegd dat hij mij zou voldoen. Dat was in 2010, maar daarvoor spraken wij ook regelmatig en zei hij mij dat hij mijn vordering zou voldoen. Op uw vraag wat er nu onder “schade” valt, zoals geschreven in mijn brief van 20 oktober 2006 antwoord ik: “de koopsom, de leaserechten die ik aan Vughts heb moeten betalen, boete en noem maar op”. (…) Getuige [getuige 3] verklaart als volgt: U houd mij voor wat [getuige] op 20 oktober 2006 aan [getuige 2] heeft geschreven. U vraagt mij of ik weet hoe [getuige 2] daarop heeft gereageerd. Ik antwoord daarop: ” [getuige 2] heeft het gelijk erkend, dat is logisch, maar hij heeft aangegeven dat hij bezig was met [gedaagde] en dat dat moest worden afgewacht”. Dit is niet een keer zo besproken, maar meerdere keren is er over geld gesproken. Ik heb de telefoongesprekken tussen [getuige 2] en de heer [getuige] bijgewoond. Toen deze kwestie speelde, zat ik met [getuige 2] in een bouwkeet. De ruimte was opgedeeld in mijn werkplek en die van [getuige 2] , er tussenin een keuken, maar er zaten geen deuren in de ruimte. Ik kon zijn telefoongesprekken letterlijk verstaan en hij de mijne; wij hebben beiden een duidelijke stem. De teneur van de gesprekken was altijd dat er betaald zou worden zodra de rechtszaak geëindigd was. (…) Op vragen van mr. Coppens: Op uw vraag wat er op schrift staat, zeg ik u dat dat de brief was van 20 oktober 2006 van [getuige] en een brief uit 2010 van [getuige 2] aan [gedaagde] . Die brief is retour gekomen. De rechter zegt mij dat zij een kopie van die brief en de retourkaart aan het proces-verbaal zal hechten. Aanleiding van de brief van 2010 was het voorkomen van verjaring. Daaraan ging een telefoongesprek van [getuige] en [getuige 2] vooraf. De heren spraken elkaar zeer regelmatig, ze deden ook zaken met elkaar. Op vragen van mr. Bolt: De brief van 25 januari 2010 die aan dit proces-verbaal wordt gehecht, is alleen aangetekend verstuurd. Ik beschik over de in die brief genoemde brief van [getuige] , die brief wordt aan het proces-verbaal gehecht. Voor de genoemde brief van de raadsman van Vughts zou ik het archief in moeten duiken. (…) 2.3. Uitgangspunt is dat de rechter vrij is in de waardering van het bewijs. Voor wat betreft de verklaring van getuige [getuige 2] geldt echter dat deze ingevolge artikel 164 lid 2 Rv geen bewijs in het voordeel van [getuige 2] kan opleveren over de feiten die door [getuige 2] bewezen moeten worden tenzij er steunbewijs is. Dit steunbewijs kunnen aanvullende bewijzen zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring van [getuige 2] geloofwaardig maken. Anders dan [gedaagde] betoogt is [getuige] geen partijgetuige in de zin van artikel 164 lid 2 Rv. Het enkele feit dat [getuige] belang heeft, maakt hem niet tot materiële procespartij. Bij de waardering van zijn getuigenverklaring dient wel acht te worden geslagen op dat belang. Ook bij de waardering van de getuigenverklaring van [getuige 3] dient rekening te worden gehouden met het feit dat zij als secretaresse bij [getuige 2] werkzaam is. 2.4. Bij conclusie na enquête heeft [getuige 2] haar verweren ten aanzien van het beroep op verjaring van [gedaagde] nog aangevuld. Naast het verweer dat de verjaring van de vordering van [getuige] op [getuige 2] is gestuit door erkenning van die vordering door [getuige 2] , stelt [getuige 2] thans dat de verjaring ook is gestuit door een schriftelijke aanmaning van [getuige] . Zij wijst daarbij op een tijdens de enquête overgelegde brief van 20 januari 2010 van [getuige] aan [getuige 2] . [getuige] schrijft in die brief aan [getuige 2] ten aanzien van de niet geleverde varkensrechten onder andere: ‘U bent dan ook aansprakelijk voor vergoeding van schade.’. In zoverre heeft [getuige 2] haar verweer tegen het beroep op verjaring dus aangevuld. 2.5. De vraag die voorligt is of de verjaring van de rechtsvordering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.