vonnis RECHTBANK GELDERLAND Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer / rolnummer: C/05/272400 / HA ZA 14-594 / 172 / 560 Vonnis van 22 juli 2015 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] ., gevestigd te [woonplaats 2] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. ir. A. de Groot te Amsterdam, tegen 1 [gedaagde] , wonende te [woonplaats 1] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
(2012), hoewel op de beide facturen staat vermeld dat de gefactureerde bedragen worden voldaan vanuit de projectrekening. Op factuur 2012049 is met de hand genoteerd: ‘Bizniz zelf betaald op 23.11’ (productie 15a (E) bij conclusie van antwoord). De rechtbank leidt hieruit af dat [eiseres] de facturen 2012049 en 2012062 per abuis rechtstreeks aan [gedaagde sub 3] heeft betaald en dat daarvoor geen rechtsgrond was omdat deze zouden worden betaald en ook waren betaald vanaf de projectrekening, en wel, volgens productie 15 bij conclusie van antwoord op 12 september 2012 en 25 oktober 2012, dus vóórdat [eiseres] rechtstreeks betaalde. De rechtbank is voornemens de gronden van dit deel van de vordering aan te vullen en [gedaagde sub 3] te veroordelen tot terugbetaling aan [eiseres] van de bedragen van € 10.036,71 en € 4.394,40 op grond van onverschuldigde betaling (artikel 25 Rv jo artikel 6:203 BW). Omdat partijen zich hierover niet hebben uitgelaten, zullen zij in de gelegenheid worden gesteld dat te doen bij akte. € 7.200,- (vanaf de projectrekening aan [gedaagde sub 2] betaald) 3.15. [eiseres] stelt dat [gedaagde] haar financieel heeft bedrogen doordat van de projectrekening bedragen zijn overgemaakt naar [gedaagde sub 2] tot een totaal van € 7.200,- (dagvaarding 1.16 en 1.17). [gedaagde sub 2] heeft volgens haar onrechtmatig gehandeld doordat zij deze betalingen heeft geaccepteerd, hoewel zij wist dat de bedragen onrechtmatig waren verkregen dan wel niet voor haar waren bestemd (dagvaarding 5.10). [gedaagde] c.s. brengen hiertegen onder meer in dat de betalingen tot het totaal van € 7.200,- betrekking hebben op management fee en adviseurskosten en dat deze zijn gebaseerd op een managementovereenkomst tussen [betrokken partij] en [gedaagde sub 2] (toelichting bij productie 16). 3.16. Naar het oordeel van de rechtbank was [betrokken partij] op grond van artikel 7 van de overeenkomst van 22 januari 2012 gerechtigd tot een honorarium van maximaal 10% van de definitieve bouwkosten exclusief btw, te betalen ten laste van de projectrekening. Het is gesteld noch gebleken dat de in rekening gebrachte bedragen dat percentage overschrijden. Dat deze van de projectrekening zijn betaald aan [gedaagde sub 2] is gegrond op de (interne) managementovereenkomst tussen [betrokken partij] en [gedaagde sub 2] en regardeert [eiseres] niet. Die betalingen zijn daarmee niet onrechtmatig. De vordering tot betaling van het totaal van € 7.200,- wordt daarom afgewezen. € 183.542,56 (niet doorbetaald aan bouwpartners) 3.17. [eiseres] stelt dat zij financieel is bedrogen doordat een totaalbedrag van € 183.542,56 dat zij op facturen van [betrokken partij] op de projectrekening heeft gestort niet is doorbetaald aan de bouwpartners (dagvaarding 1.16 en 1.18 slot). [gedaagde] c.s. brengen hiertegen in dat alle van [eiseres] ontvangen gelden zijn aangewend om kosten van de bouwpartners of honorarium te betalen, wat volgens hen blijkt uit de projectadministratie. 3.18. De partijen zijn het erover eens dat [eiseres] met [betrokken partij] is overeengekomen dat [eiseres] gelden op de projectrekening zou storten en dat [eiseres] [betrokken partij] heeft gemachtigd om deze gelden door te betalen aan de bouwpartners. Deze constructie brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat op elk willekeurig moment gelden op de projectrekening kunnen staan die zijn gestort en ontvangen maar om uiteenlopende redenen niet doorbetaald. Als zich dit voordoet, dan volgt daaruit niet zonder meer dat [gedaagde] c.s. onrechtmatig hebben gehandeld. [eiseres] heeft niet toegelicht op grond waarvan dit niettemin het gevolg is van onrechtmatig handelen van [gedaagde] c.s. De vordering tot betaling van het bedrag van € 183.542,- wordt daarom afgewezen. € 60.519,72 (dubbel aan bouwpartners betaald) € 60.000,- (aan bouwpartners te betalen) 3.19. [eiseres] stelt dat zij schade lijdt tot bedragen van € 60.519,- en € 60.000,-. Zij licht dat als volgt toe. Op het moment van het faillissement van [betrokken partij] was de bouw niet voltooid. Om de bouw te kunnen voltooien heeft [eiseres] € 60.519,- rechtstreeks aan bouwpartners moeten betalen terwijl zij deze kosten ook al had betaald op de projectrekening. Zij verwacht bovendien tot een bedrag van € 60.000,- te worden aangesproken door onbetaald gebleven bouwpartners, terwijl zij ook dit bedrag op de projectrekening heeft gestort. [eiseres] concludeert dat zij het bedrag van € 60.519,- dubbel heeft betaald en het bedrag van € 60.000,- dubbel zal moeten betalen. [gedaagde] c.s. betwisten dat [eiseres] bouwpartners deze bedragen heeft betaald of nog moet betalen (conclusie van antwoord 27 en 46). 3.20. Zoals hiervoor overwogen in rechtsoverweging 3.18 brengt de door partijen gekozen constructie mee dat er op elk willekeurig moment gelden op de projectrekening kunnen staan die zijn gestort en ontvangen maar om uiteenlopende redenen niet doorbetaald, zonder dat daarvan aan [gedaagde] c.s. een verwijt kan worden gemaakt. Deze constructie kan er dus ook toe leiden dat deze gelden bij een faillissement niet meer kunnen worden doorbetaald, met het gevolg dat onbetaald gebleven bouwpartners voortzetting van hun werkzaamheden afhankelijk stellen van directe betaling door [eiseres] . Dat [eiseres] aldus een tweede keer betaalt, is het gevolg van de gekozen constructie van volmacht en het faillissement van [betrokken partij] . Omstandigheden op grond waarvan de schade die [eiseres] lijdt door de dubbele betaling moet worden vergoed door [gedaagde] c.s. zijn gesteld noch gebleken. De vorderingen tot veroordeling van [gedaagde] c.s. om € 60.519,- als schadevergoeding te betalen en tot het geven van een verklaring voor recht dat [gedaagde] c.s. aansprakelijk zijn voor schade tot een bedrag van € 60.000,- zullen daarom worden afgewezen. € 22.374,- (werkzaamheden [betrokkene] ) 3.21. [eiseres] stelt dat ( [gedaagde] via) [betrokken partij] ten onrechte voor de bouwbegeleiding de ZZP’er D. [betrokkene] heeft ingeschakeld en diens kosten als bouwkosten heeft opgevoerd en bij [eiseres] in rekening gebracht, terwijl voor de bouwbegeleiding het overeengekomen honorarium van 10% was bedoeld. Bovendien is volgens [eiseres] over de kosten van [betrokkene] 10% honorarium berekend (dagvaarding 1.18). [eiseres] maakt op die grond aanspraak op schadevergoeding ter hoogte van deze volgens haar ten onrechte betaalde bedragen tot een totaal van € 22.374,-. [gedaagde] c.s. brengen hiertegen in dat de werkzaamheden die [betrokkene] uitvoerde geen onderdeel uitmaakten van de overeengekomen taken van [betrokken partij] als bouwbegeleider. [gedaagde] betoogt voorts dat er van enig zelfstandig onrechtmatig handelen van hem jegens [eiseres] geen sprake kan zijn, terwijl hem ook niet een persoonlijk ernstig verwijt van het handelen van [betrokken partij] kan worden gemaakt. Hij verwijst daarbij naar twee arresten van de Hoge Raad van 5 september 2014 met de vindplaatsen ECLI:NL:HR:2014:2627 en 2628. 3.22. Hierover wordt overwogen als volgt. Als het inzetten van [betrokkene] en het doorberekenen van de daarmee gepaard gaande kosten in strijd zou zijn met de overeenkomst die [eiseres] en [betrokken partij] hebben gesloten op 22 januari 2012, dan zou dat een tekortkoming van [betrokken partij] kunnen opleveren. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, dan is in beginsel alleen de vennootschap aansprakelijk voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [eiseres] heeft niet toegelicht op grond waarvan aan [gedaagde] als bestuurder van [betrokken partij] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake van de benadeling van [eiseres] door het inzetten van [betrokkene] en het doorberekenen van de daarmee gepaard gaande kosten. Ook is niet gesteld of gebleken dat dit inzetten en doorberekenen is toe te schrijven aan optreden van [gedaagde] anders dan in zijn hoedanigheid van bestuurder van [betrokken partij] . De vordering tot vergoeding van € 22.374,- is reeds daarom niet toewijsbaar. € 4.273,98 (beslagkosten) 3.23. Het oordeel over de beslagkosten wordt aangehouden tot het eindvonnis. De rechtbank wijst erop dat exploten van overbetekening van de dagvaarding aan de derde-beslagenen ontbreken bij de beslagstukken die [eiseres] in het geding heeft gebracht (productie 12 bij dagvaarding; zie ook productie 25 bij conclusie van antwoord). Overbetekening is voorgeschreven op straffe van nietigheid van het beslag (artikel 721 Rv). [eiseres] wordt in de gelegenheid gesteld deze stukken alsnog in het geding te brengen als nader in het dictum te bepalen. vervolg 3.24. Alle beslissingen worden aangehouden in afwachting van de aktes. 4Het geschil en de beoordeling in reconventie 4.1. [gedaagde] en [gedaagde sub 3] vorderen, na wijziging van het onder i gevorderde (akte wijziging van eis in reconventie onder 2), dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, a.
- a)voor recht verklaart dat [eiseres] de eigendomsrechten, auteursrechten en persoonlijkheidsrechten van [gedaagde sub 3] en [gedaagde] heeft geschonden ten aanzien van hun ontwerp en de tekeningen van het bij de boerderij te [woonplaats 3] te realiseren bijgebouw die als productie 28 bij conclusie van eis in reconventie zijn overgelegd en in die conclusie onder 52 – 54 zijn omschreven;
- b)[eiseres] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde sub 3] van € 14.002,07 terzake de facturen met nummers 2012111 en 2013008;
- c)[eiseres] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde sub 3] althans aan [gedaagde] van € 20.000,- als schadevergoeding terzake de onder a bedoelde inbreuk op de persoonlijkheidsrechten;
- d)[eiseres] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde sub 3] althans aan [gedaagde] van € 1.045,- aan buitengerechtelijke kosten;
- e)[eiseres] veroordeelt tot opheffing van alle ten laste van [gedaagde] c.s. gelegde beslagen als omschreven in de conclusie van eis in reconventie onder 34, en wel binnen 48 na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag, dan wel dat de rechtbank de beslagen zelf opheft;
- f)[eiseres] veroordeelt de beslagen opgeheven te houden en haar verbiedt nieuwe conservatoire beslagen ten laste van [gedaagde] c.s. te leggen ter securering van de aanspraken jegens hen (individueel dan wel gezamenlijk) als omschreven in haar inleidende dagvaarding, dan wel aanspraken op basis van de in deze procedure aan de orde gekomen feiten, op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag;
- g)[eiseres] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] van € 255,- terzake van schadevergoeding voor de onrechtmatig althans ten onrechte ten laste van hem gelegde beslagen;
- h)[eiseres] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde sub 2] van € 150,- terzake van schadevergoeding voor de onrechtmatig althans ten onrechte ten laste van haar gelegde beslagen; i.
- i)[eiseres] veroordeelt in de werkelijke gerechtskosten van dit deel van de procedure waar het betreft de aanspraken van [gedaagde] c.s. ter zake van hun auteurs- en persoonlijkheidsrechten, groot € 2.565,20 te vermeerderen met de vanaf de aanvang van de comparitie van 16 april 2015 aan die aanspraken te besteden kosten, althans met veroordeling in de proceskosten van dit deel van de procedure, alsmede in de nakosten; de vorderingen onder b, c, d, g, h en i te vermeerderen met wettelijke rente dan wel wettelijke handelsrente. verklaring van recht (inbreuk op rechten) € 20.000,- (vergoeding immateriële schade) 4.2. Aan hun op schending van eigendomsrechten en auteursrechten gebaseerde vorderingen hebben [gedaagde] en [gedaagde sub 3] het volgende ten grondslag gelegd. Ingevolge de mondelinge opdracht van oktober 2012 heeft [gedaagde sub 3] een bijgebouw voor [eiseres] ontworpen en getekend. Hoewel [eiseres] de facturen daarvoor niet heeft betaald, heeft zij de tekeningen volgens [gedaagde] en [gedaagde sub 3] zonder overleg of toestemming wel gebruikt door deze te verveelvoudigen, ter beschikking te stellen aan een derde (ABC Beers) die de tekeningen heeft gewijzigd, en vervolgens te laten uitvoeren in gewijzigde vorm. Daarmee heeft [eiseres] volgens [gedaagde sub 3] inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht en auteursrecht op het ontwerp. Zij maakt aanspraak op vergoeding van daardoor geleden schade die zij begroot op het bedrag van de onbetaald gebleven facturen. Het ontwerp is volgens [gedaagde] en [gedaagde sub 3] zo ingrijpend gewijzigd dat het is misvormd en verminkt als gevolg waarvan de eer en goede naam van [gedaagde sub 3] althans van [gedaagde] wordt beschadigd. [gedaagde] en [gedaagde sub 3] betogen met een beroep op artikel 10 lid 1 onder 6 en 8 Aw, artikel 13 Aw en artikel 25 lid 1 sub c en d Aw alsmede op de artikelen 46 en 47 DNR 2005 dat [eiseres] hiermee inbreuk maakt op hun persoonlijkheidsrechten. Zij stellen dat zij daardoor immateriële schade lijden. De daarvoor gevorderde vergoeding van € 20.000,- is volgens hen billijk gelet op de ernst en grofheid van de handelwijze van [eiseres] , de ernst van de aantasting en de ernst van de reputatieschade. 4.3. Het belang van [gedaagde sub 3] bij de gevorderde verklaring van recht dat [eiseres] heeft gehandeld in strijd met haar eigendomsrechten en auteursrechten is gelegen in het verkrijgen van een vergoeding van schade die [gedaagde sub 3] stelt daardoor te hebben geleden, begroot op het bedrag van de onbetaald gebleven facturen. Zoals hierna te overwegen (rechtsoverwegingen 4.12 en volgende) zal [eiseres] worden veroordeeld (op de primaire grondslag, te weten nakoming) tot betaling van de facturen die [gedaagde sub 3] voor het tekenwerk heeft gestuurd, behoudens haar beroep op verrekening met schade. De gevorderde verklaring van recht dat [eiseres] heeft gehandeld in strijd met haar eigendomsrechten en auteursrechten zal daarom niet worden gegeven bij gebrek aan belang. 4.4. Volgens [eiseres] kunnen [gedaagde sub 3] en [gedaagde] geen beroep meer doen op hun auteursrechten en hun daaruit voortvloeiende persoonlijkheidsrechten. [eiseres] doet daartoe een beroep op artikel 36 DNR 2005 en stelt dat [gedaagde sub 3] de overeenkomst zonder goede grond heeft opgezegd. 4.5. Hierover wordt overwogen als volgt. [gedaagde sub 3] heeft in haar e-mail van 28 februari 2013 de overeenkomst opgezegd wegens het uitblijven van diverse betalingen na herhaalde betalingsverzoeken. Volgens [eiseres] was deze opzegging zonder goede grond omdat zij alleszins gerechtigd was betaling op te schorten. Zij stelt dat zij [gedaagde sub 3] meermaals om opheldering over de facturen heeft gevraagd, onder meer bij e-mails van 31 januari en 2 februari 2013, maar dat [gedaagde sub 3] deze opheldering niet heeft gegeven. [gedaagde sub 3] handelde hierdoor volgens [eiseres] in strijd met artikel 11 lid 5 DNR en artikel 56 lid 3 DNR (conclusie van antwoord in reconventie 15, 16). Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] dit onvoldoende toegelicht. De e-mails die [eiseres] noemt, bevatten geen verzoek om opheldering van de onderhavige facturen, zodat daaruit niet kan worden opgemaakt in welk opzicht de facturen toelichting behoefden. Ook in de procedure maakt [eiseres] niet duidelijk wat aan de beide facturen, die in deze procedure zijn voorzien van een urenspecificatie, moet worden opgehelderd. [eiseres] was daarom niet gerechtigd betaling op te schorten op de grond dat opheldering over de facturen uitbleef. Dat leidt tot het oordeel dat [gedaagde sub 3] de overeenkomst niet zonder goede grond heeft opgezegd maar op de grond dat [eiseres] tekortschoot doordat zij facturen van [gedaagde sub 3] niet betaalde. De conclusie is dat [eiseres] geen beroep toekomt op artikel 36 DNR 2005. 4.6. Volgens [eiseres] is het ontwerp van [gedaagde sub 3] geen werk dat in aanmerking komt voor bescherming onder de Auteurswet. Zij betoogt daartoe dat het ontwerp, mede gezien de wens van welstand, hoofdzakelijk is gebaseerd op de eerder gesloopte bijgebouwen. Het is grotendeels daarvan gekopieerd en daardoor volgens [eiseres] niet origineel genoeg. Het bezit aldus niet een eigen, oorspronkelijk karakter en draagt niet het persoonlijk stempel van de maker. [gedaagde sub 3] en [gedaagde] betwisten dit gemotiveerd. Het ontwerp bevat volgens hen verwijzingen naar fruitschuren in de Betuwe en agrarische gebouwen in locale stijl. De positie van de gebouwen is gewijzigd ten opzichte van de oude positie en er zijn elementen gebruikt (corridor van glas, veranda) waardoor een ander samenspel tussen de gebouwen ontstaat. Zij stellen dat het ontwerp een historische interpretatie is en geen letterlijke kopie. 4.7. Op grond van de hiervoor verkort weergegeven toelichting op het ontwerp door [gedaagde] ter comparitie alsmede de tekeningen die in het geding zijn gebracht, is voldoende aannemelijk geworden dat het ontwerp en de tekeningen voor het bijgebouw een eigen, oorspronkelijk karakter hebben en het persoonlijk stempel van de maker dragen. Het geheel is daarom te beschouwen als een werk in de zin van artikel 10 lid 1 aanhef en sub 6 en 8 van de Auteurswet dat in aanmerking komt voor bescherming. 4.8. [eiseres] betoogt voorts dat [gedaagde sub 3] geen aanspraak op persoonlijkheidsrechten heeft. Volgens haar zijn deze rechten gebaseerd op het romantische idee van de bijzondere band die de persoon van de maker heeft met zijn werk, zodat deze niet toekomen aan de wettelijke maker (artikel 7 en 25 Aw). Dit standpunt van [eiseres] vindt geen steun in de Auteurswet. Het wordt daarom niet gevolgd, zodat dit verweer faalt. 4.9. [eiseres] betoogt subsidiair dat de wijzigingen van het ontwerp van zodanig ondergeschikte aard zijn, dat zij niet kunnen worden gekwalificeerd als een ‘verminking’, ‘misvorming’ of ‘andere aantasting’ in de zin van de wet. Bovendien kunnen de wijzigingen geen nadeel toebrengen aan de eer of de naam van [gedaagde sub 3] , ten eerste niet vanwege hun ondergeschikte aard, ten tweede omdat de schuur zo generiek is en ontleend aan bestaande ontwerpen, dat niemand deze aan [gedaagde sub 3] zal toeschrijven. [gedaagde sub 3] en [gedaagde] brengen daartegen in dat de aangebrachte wijzigingen allerminst ondergeschikt zijn. 4.10. Op grond van het rapport van [gedaagde sub 3] van 7/10 oktober 2013 en de uiteenzettingen van [gedaagde] ter zitting is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat het ontwerp voor het bijgebouw zoals dat [gedaagde sub 3] althans [gedaagde] voor ogen heeft gestaan is aangetast en wel door de wijziging van de grootte van het bijgebouw, door de toevoeging van dakkapellen en zonnepanelen en door wijziging van beeldbepalende details. Deze aantasting kan nadeel brengen aan de eer of de naam van [gedaagde sub 3] en/of [gedaagde] als makers krachtens de wet in de zin van artikel 25 lid 1 sub d Aw. De aard en omvang van deze aantasting en de omvang van het daarvan te verwachten nadeel voor [gedaagde sub 3] en/of [gedaagde] zijn evenwel zo beperkt dat de immateriële schade die [gedaagde sub 3] en/of [gedaagde] daarvoor lijden, wordt begroot op € 500,-. 4.11. [eiseres] wordt overwegend in het ongelijk gesteld voor zover de zaak ziet op de inbreuk op het auteursrecht van [gedaagde] en/of [gedaagde sub 3] . Zij zal daarom worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten voor zover die zien op het geschil over de inbreuk. [gedaagde] en [gedaagde sub 3] hebben deze kosten berekend op € 2.565,20. [eiseres] heeft geen verweer gevoerd tegen toewijzing van deze vordering tot dit bedrag voor het geval zij op dit onderdeel in het ongelijk wordt gesteld. Zij zal daarom worden veroordeeld tot vergoeding van deze kosten aan [gedaagde] en [gedaagde sub 3] . € 14.002,07 (onbetaald gebleven facturen bijgebouw) 4.12. Aan de vordering tot betaling van € 14.002,07 terzake de facturen met nummers 2012111 en 2013008 heeft [gedaagde sub 3] het volgende ten grondslag gelegd. Ter uitvoering van de aanvullende opdracht tot het ontwerpen en tekenen van een nieuw bijgebouw heeft [gedaagde sub 3] werkzaamheden verricht. Zij heeft daarvoor conform overeenkomst € 14.002,07 gefactureerd. [eiseres] heeft de facturen zonder protest behouden, maar niet betaald. [gedaagde sub 3] vordert nakoming. 4.13. [eiseres] verweert zich met een beroep op opschorting. Dat beroep faalt, zoals hiervoor overwogen (rechtsoverweging 4.5). 4.14. [eiseres] doet voorts een beroep op het tweede en derde lid van artikel 35 DNR 2005 (zie rechtsoverweging 2.5), waartoe zij aanvoert dat [gedaagde sub 3] de overeenkomst zonder grond heeft opgezegd. Zoals hiervoor overwogen (rechtsoverweging 4.5), heeft [gedaagde sub 3] de overeenkomst niet zonder grond opgezegd, zodat aan [eiseres] geen beroep toekomt op artikel 35 DNR 2005. 4.15. Ten slotte moet volgens [eiseres] een bedrag van € 2.420,- inclusief btw op het te betalen bedrag in mindering komen, te weten tekenkosten van een derde (ABC Beers). Voor zover [eiseres] [gedaagde sub 3] verwijt dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis tot het maken van een tekening voor een bijgebouw van een zekere overeengekomen omvang en zij er op die grond aanspraak op maakt dat de tekenkosten van ABC Beers op de facturen van [gedaagde sub 3] in mindering worden gebracht, heeft zij die aanspraak onvoldoende toegelicht. Zij heeft immers niet duidelijk gemaakt waaruit kan blijken dat partijen zijn overeengekomen dat het bijgebouw een zekere omvang zou hebben en ook niet dat de tekeningen van [gedaagde sub 3] daar niet aan voldeden. Bovendien is gesteld noch gebleken dat [gedaagde sub 3] terzake in verzuim is geraakt. 4.16. De conclusie is dat de beide facturen van [gedaagde sub 3] onverkort verschuldigd zijn. 4.17. [eiseres] doet verder een beroep op verrekening met haar schade van de vordering van [gedaagde sub 3] voor zover deze mocht komen vast te staan. Het oordeel daarover wordt aangehouden tot het oordeel in conventie kan worden gegeven. 4.18. Het beroep van [gedaagde sub 3] op het verzaken door [eiseres] van haar klachtplicht (zittingsaantekeningen mr. Mulder bladzijde 4 onder 2) en de subsidiaire grondslagen van de vordering tot betaling van € 14.002,07, te weten ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad (conclusie van eis in reconventie onder 52) blijven onbesproken, omdat de vordering van [gedaagde sub 3] tot betaling van de onderhavige facturen op de primaire grondslag toewijsbaar is behoudens het beroep van [eiseres] op verrekening. vervolg 4.19. Alle beslissingen worden aangehouden in afwachting van de beoordeling van de vordering in conventie. 5De beslissing De rechtbank in conventie 5.1. stelt [eiseres] in de gelegenheid bij akte een nadere toelichting en specificatie te geven als bedoeld in rechtsoverweging 3.9; 5.2. stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 3.14; 5.3. stelt [eiseres] in de gelegenheid beslagstukken in het geding te brengen als bedoeld in rechtsoverweging 3.23; 5.4. verwijst de zaak hiertoe naar de rol van 19 augustus 2015 voor akte aan de zijde van [eiseres] ; 5.5. verstaat dat [gedaagde] c.s. een antwoordakte zullen mogen nemen op een termijn van vier weken; 5.6. houdt voor het overige alle beslissingen aan; in reconventie 5.7. houdt alle beslissingen aan in afwachting van de beoordeling van de vordering in conventie. Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen, mr. G.J. Meijer en mr. V.F.R. Woeltjes en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2015.