RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Belastingrecht zaaknummers: AWB 12/4449, 12/4452, 12/4455, 12/4456 en 12/4457 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van in de zaken tussen [X] te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. [gemachtigde]), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder. Procesverloop Kansspelbelasting is ingehouden door Stichting [A] dan wel haar rechtsopvolgster Stichting [B] op de volgende aan eiser uitbetaalde bedragen: - het in 2009 in totaal uitbetaalde bedrag van € 1.990,21 en het in 2010 in totaal uitbetaalde bedrag van € 2.047,25; het op 13 juli 2011 uitbetaalde bedrag van € 58; het op 25 juli 2011 uitbetaalde bedrag van € 780; het op 29 augustus 2011 uitbetaalde bedrag van € 35,95; het op 27 september 2011 uitbetaalde bedrag van € 1.452. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 26 juli 2012 de bezwaren tegen de inhoudingen over de in 2009 en 2010 uitbetaalde bedragen niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om ambtshalve teruggaaf van de ingehouden kansspelbelasting afgewezen. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 26 juli 2012 de bezwaren tegen de overige hiervoor vermelde inhoudingen in 2011 ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen bij brief van 30 augustus 2012, ontvangen door de rechtbank op 31 augustus 2012, beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend. Op 16 december 2013 heeft verweerder aan de rechtbank op de zaken betrekking hebbende stukken doen toekomen ten aanzien waarvan een beroep is gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op 20 januari 2014 heeft verweerder geanonimiseerde op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser. Partijen hebben voor de zitting over en weer stukken gewisseld, die telkens in afschrift zijn verstrekt aan de wederpartij. Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2014. Namens eiser zijn verschenen zijn ouders, [C] en [D]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [E], mr. [F], drs. [G] en [H]. De zaken van eiser zijn met toestemming van partijen gelijktijdig behandeld met de zaken van [I] ([I]), geregistreerd onder de zaaknummers AWB 12/4523 en 12/4524. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen eiser alsnog inzage te verstrekken in stukken en om in overleg te treden met eiser over het al dan niet met toepassing van artikel 8:29 van de Awb aan de rechtbank overleggen van stukken. Partijen hebben vervolgens over en weer stukken gewisseld, die telkens in afschrift zijn verstrekt aan de wederpartij. De zitting van de geheimhoudingskamer heeft plaatsgevonden op 15 april 2015. De rechtbank heeft bij beslissing van 8 mei 2015 het verzoek van verweerder om beperkte kennisneming toegewezen en bepaald dat verweerder aan eiser een geanonimiseerde versie van het memo van 8 mei 2007 moet verstrekken. Bij brief van 22 mei 2015 heeft verweerder de geanonimiseerde versie verstrekt en nadere geanonimiseerde stukken overgelegd. Bij afzonderlijke brief van eveneens 22 mei 2015 heeft verweerder, op het verzoek van de rechtbank van 8 mei 2015, nadere geanonimiseerde stukken aan de rechtbank doen toekomen. Voorts heeft verweerder bij brief van 14 september 2015 nadere stukken ingediend. De stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser. Desgevraagd heeft eiser geen toestemming gegeven dat de rechtbank kennis neemt van de stukken waarvan beperkte kennisneming door de geheimhoudingskamer gerechtvaardigd is geoordeeld. Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn ouders, [C] en [D]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [F], drs. [G], [H] en mr. [E]. De zaken van eiser zijn met toestemming van partijen gelijktijdig behandeld met de zaken van [I]. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd. Partijen hebben ter tweede zitting desgevraagd verklaard geen bezwaar te hebben tegen de wijziging van de samenstelling van de meervoudige kamer als gevolg van de vervanging van mr. M.C.G.J. van Well door mr. A.P. Vaatstra. Overwegingen Feiten De [J] was een televisieprogramma waarin eerstejaars middelbare scholieren het tegen elkaar opnamen om prijzen te winnen door middel van het beantwoorden van kennisvragen. Eiser heeft in juni 2008 de [J] gewonnen. De hoofdprijs bestond uit een carrièrefonds ter waarde van maximaal € 250.000 (het carrièrefonds). De Stichting [A] te [K] ([A]) is eigenaar van het format van de [J]. De betalingen aan de prijswinnaars vanwege de carrièrefondsen werden tot mei 2010 na tussenkomst van Stichting [B] ([B]) gedaan door [L]. Deze betalingen verliepen via één van de bestuurders van [A]. Vanaf mei 2010 zijn de betalingen verricht door [B]. Per prijswinnaar is tussen [L] en [B] een carrière-geldovereenkomst (hierna: de carrière-geldovereenkomst) gesloten, waarin onder meer is vastgelegd dat de hoofdprijs uitsluitend bestemd is voor een carrièrefonds dat onder beheer staat van [B]. Voornoemde overeenkomst is ook gesloten voor eiser. Daarin staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: " Carrière-geldovereenkomst(…) Dat de Stichting [M] in samenwerking met de Stichting Eurite in opdracht van [O] de [J] heeft ontwikkeld, doen produceren en uitzenden, waarbij een brugklasser in casu [X] (…) de door [O] ter beschikking gestelde hoofdprijs heeft gewonnen. Dat de hoofdprijs uitsluitend bestemd is voor een carrièrefonds dat onder beheer staat van het hierboven genoemde fonds [[B]; toevoeging de rechtbank].Komen partijen overeen: op eerste verzoek van het fonds zal [L] of één van haar werkmaatschappijen het door de Stichting geadviseerde carrièrebedrag op de rekening van de Stichting overmaken, dit met een maximum van € 250.000,00. de verplichting van [O] eindigt op het dertigste levensjaar van [X] of op een eerder moment waarop onomstotelijk vaststaat dat zij [sic] niet meer van het studiefonds gebruik zal kunnen maken. (…) " 4. Daarnaast hanteerde [A] een bestuursreglement dat in veel gevallen voor gezien en akkoord is getekend door de ouders/verzorgers van de prijswinnaar (hierna: het Bestuursreglement). Het Bestuursreglement is ter kennis gegeven aan de moeder van eiser. In het Bestuursreglement staat onder meer het volgende vermeld: " Algemeen (…) Ten behoeve van de winnaar van de [J], zoals georganiseerd door de Stichting “[M]”, wordt aan de Stichting een bedrag van maximaal € 250.000,- ter beschikking gesteld in het belang van de benificient (het Fonds). De benificient kan, met toestemming van zijn/haar ouders of voogd een beroep doen op het Fonds, teneinde zijn/haar opleiding uit te bekostigen, danwel zijn/haar talenten en toekomstkansen te ontwikkelen en/of te realiseren. Het verzoek wordt schriftelijk en gedocumenteerd ingediend. (…) Noch de benificient, noch de ouders/verzorgers kunnen rechtstreeks beschikken over het Fonds. Beschikbaarheid van het Fonds Verzoeken om zorgsteun uit het Fonds kunnen gedaan worden vanaf het 16e levensjaar van de benificient tot aan het 30ste levensjaar. (…) Voorts eindigt het recht op aanspraken uit het Fonds bij overlijden van de benificient, indien hij/zij in staat van suréance of faillissement geraakt, indien hij/zij wordt veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf. Faciliteiten Indien de aanspraken van de benificient op het Fonds onderworpen zijn aan fiscale heffingen, hoegenaamd dan ook, dan worden deze heffingen uit het Fonds voldaan. (…) " 5. In 2006 is door de Belastingdienst/regio Utrecht-Gooi (hierna: de Belastingdienst) bij [A] een boekenonderzoek ingesteld naar de heffing van kansspelbelasting over het tijdvak 7 maart 2002 tot en met 31 december 2006. Op 26 april 2007 is hiervan een concept-rapport opgesteld, waarin onder meer is geconcludeerd dat de [J] een kansspel is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de kansspelbelasting (Wet KSB) en dat kansspelbelasting is verschuldigd over het bedrag van de hoofdprijs, namelijk € 250.000. De gemachtigde van [A] heeft bij brief van 15 augustus 2007 gereageerd op het concept-rapport. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld: " (…) Daarnaast ontvangt de winnaar van de landelijke finale een voorwaardelijk recht op een carrièrefonds van maximaal € 250.000. Wij merken hierbij op dat in dit kader niet daadwerkelijk een fonds wordt volgestort met dit bedrag. Op basis van de voorwaarden van het contract, dat door alle finalisten voorafgaand aan de finale wordt ondertekend, kan de landelijke winnaar van zijn/haar zestiende tot het dertigste levensjaar een beroep doen op uitkeringen uit het carrièrefonds. Dit houdt in dat een winnaar een verzoek om honorering van kosten mag indienen. De kosten moeten zijn gemaakt in verband met zijn/haar carrière. Overigens wordt met de leeftijdsgrens door de stichting soepel omgegaan. Ook aanvragen voor het zestiende levensjaar die naar het oordeel van de stichting zien op kosten in verband de carrière worden doorgaans gehonoreerd. Uitsluitend verzoeken die schriftelijk worden ingediend en die worden ondersteund door een (concept) factuur of een offerte komen in aanmerking om in behandeling te worden genomen door Stichting [N]. Het bestuur van Stichting [N] beoordeelt de binnengekomen aanvragen. Bij honorering van een aanvraag, wordt het betreffende bedrag door [O] aan Stichting [N] overgemaakt. Stichting [N] betaalt vervolgens het bedrag uit aan de winnaar. Wij benadrukken dat de beslissing van het Stichting [N] niet slechts een formaliteit is voor het honoreren van een aanvraag. Hieronder hebben wij een aantal voorbeelden opgenomen van het beleid. (…) " 6. Verder overleg tussen de Belastingdienst en [A] heeft geresulteerd in een gewijzigd standpunt van de Belastingdienst. Ter zake daarvan is op 12 maart 2008 een vaststellingsovereenkomst (VSO) getekend. De VSO is verwerkt in het definitieve rapport van het boekenonderzoek van 2 april 2008 en als bijlage daarbij gevoegd. In het rapport staat onder meer vermeld: " (…) De winnaar van een landelijke finale wint het recht op een carrièrefonds ter waarde van € 250.000. In het controletijdvak zijn jaarlijks twee carrièrefondsen weggegeven (…). Ik ben met de Stichting overeengekomen dat de heffing van kansspelbelasting over de carrièrefondsen zal plaatsvinden naar rato en op het tijdstip van uitkeringen uit de fondsen. De uitkeringen die uit de fondsen worden voldaan zijn netto uitkeringen. Daarom moet op basis van artikel 5 lid 2 WKB de kansspelbelasting gebruteerd worden. (…) Alle aan één persoon gedane uitkeringen worden gezamenlijk als één prijs gezien zoals bedoeld in artikel 4 lid 2 WKB. (…) " 7. Eiser heeft in 2009 en 2010 declaraties ingediend voor studiekosten, die zijn uitbetaald. 8. Naar aanleiding van wisselingen in het bestuur van [B] zijn de winnaars en hun ouders bij brief van 14 oktober 2010 uitgenodigd voor een bijeenkomst op 26 november 2010. Op die bijeenkomst hebben de ouders van eiser onder meer kennisgemaakt met de ouders van [I], een andere winnaar. Tijdens die ontmoeting hebben de ouders van [I] de ouders van eiser op de hoogte gebracht van hun geschil met [A] over de vraag of de hoofdprijs een bruto- of een nettoprijs is. Vervolgens hebben de ouders van [I] het rapport van het boekenonderzoek aan de ouders van eiser gezonden. 9. Eiser heeft op 12 december 2010 [B] verzocht om een nota kansspelbelasting. Met datum 21 december 2010 heeft [B] de nota over de inhoudingen in 2009 en 2010 toegezonden. Vervolgens heeft eiser bij brief van 5 januari 2011 bezwaar gemaakt tegen de inhouding van kansspelbelasting over de in 2009 en 2010 uitbetaalde bedragen van respectievelijk € 1.990,21 en € 2.047,25. 10. Eiser heeft bij brief van 5 augustus 2011 bezwaar gemaakt tegen de inhouding van kansspelbelasting over het op 13 juli 2011 uitbetaalde bedrag van € 58. 11. Eiser heeft bij brief van 12 augustus 2011 bezwaar gemaakt tegen de inhouding van kansspelbelasting over het op 25 juli 2011 uitbetaalde bedrag van € 780. 12. Eiser heeft bij brief van 27 september 2011 bezwaar gemaakt tegen de inhouding van kansspelbelasting over het op 29 augustus 2011 uitbetaalde bedrag van € 35,95. 13. Eiser heeft bij brief van 27 september 2011 bezwaar gemaakt tegen de inhouding van kansspelbelasting over het op 27 september 2011 uitbetaalde bedrag van € 1.452. 14. Naar aanleiding van de bezwaren van eiser heeft verweerder een derdenonderzoek ingesteld bij [B]. In dat kader heeft op 19 mei 2011 een bespreking plaatsgehad en zijn bij brief van 24 mei 2011 door verweerder vragen gesteld. Bij brief van 6 juni 2011 heeft [B] antwoord op de vragen gegeven. 15. Medio 2011 heeft [B] per e-mailbericht aangegeven dat de hoofdprijs een nettoprijs is, en dat zij de kansspelbelasting voor haar rekening neemt. 16. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 26 juli 2012 heeft verweerder het bezwaar tegen de inhoudingen over de in 2009 en 2010 uitbetaalde bedragen niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om ambtshalve teruggaaf van de ingehouden kansspelbelasting afgewezen. Voorts heeft verweerder bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 26 juli 2012 het bezwaar tegen de inhoudingen over de op 13 en 25 juli 2011, 29 augustus 2011 en 27 september 2011 uitbetaalde bedragen afgewezen. Geschil 17. Met betrekking tot de inhoudingen in 2009 en 2010 is in geschil het antwoord op de vraag of de bezwaren terecht wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk zijn verklaard. 17. Voorts is in geschil het antwoord op de vraag of over de aan eiser uitbetaalde bedragen terecht kansspelbelasting is ingehouden. Volgens eiser is het carrièrefonds een prijs in natura die bij het winnen van de finale verschuldigd is geworden, zodat in 2008 de kansspelbelasting had moeten worden ingehouden en afgedragen. Dit betekent dat de reeds ingehouden kansspelbelasting ten onrechte is ingehouden en als onverschuldigd betaald aan eiser moet toekomen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat pas op het moment dat wordt besloten dat een declaratie zal worden uitbetaald sprake is van het verschuldigd zijn van de prijs, zodat de bezwaren tegen de inhoudingen terecht zijn afgewezen. 17. Voorts is in geschil of verweerder in strijd met artikel 8:42 van de Awb niet alle op de zaken betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en eiser op die manier in zijn verdediging heeft geschaad. Ook is in geschil of de geheimhoudingsplicht is geschonden door verweerder en of stukken onbevoegd zijn verkregen van [O] N.V.. 17. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Beoordeling van het geschil Ontvankelijkheid bezwaren tegen de inhoudingen in 2009 en 2010 21. Verweerder heeft de bezwaren van eiser tegen de inhoudingen kansspelbelasting in 2009 en 2010 op 7 januari 2011 ontvangen. Volgens verweerder is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, zodat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Volgens eiser is de termijnoverschrijding verschoonbaar, op de grond dat hij niet wist dat kansspelbelasting was ingehouden. 21. Ingevolge artikel 22j, aanhef en onder b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vangt de termijn voor het instellen van bezwaar in afwijking van artikel 6:8 van de Awb aan met ingang van de dag na die van de inhouding. Niet is in geschil dat niet binnen zes weken na de inhouding in 2009 en 2010 bezwaar is gemaakt. 21. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat eiser niet op de hoogte was van de inhoudingen tot het moment dat zijn ouders in het weekend van 27/28 november 2010 hebben gesproken met de ouders van [I], aangezien kennelijk in oktober 2008 – zoals eiser onweersproken heeft gesteld – door de toenmalige bestuurder van [A] aan de moeder van eiser is medegedeeld dat geen kansspelbelasting was verschuldigd. Op 12 december 2010 heeft de moeder van eiser om een nota van de inhoudingen gevraagd, die haar met dagtekening 21 december 2010 is toegezonden. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat eiser pas met de ontvangst van de nota van 21 december 2010 zekerheid had dat inhoudingen hadden plaatsgehad. Vervolgens is, mede gelet op de daaropvolgende periode waarin veel feestdagen vallen, binnen een redelijke termijn alsnog bezwaar gemaakt. Gelet hierop, had verweerder de overschrijding van de bezwaartermijnen verschoonbaar moeten achten. 21. De beroepen zijn in zoverre gegrond en de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2009 en 2010 komen voor vernietiging in aanmerking. Partijen hebben de rechtbank verzocht de zaken niet terug te wijzen naar verweerder maar zelf het geschil inhoudelijk te beoordelen (vgl. Hoge Raad 9 juni 2006, nr. 41 130, ECLI:NL:HR:2006:AX7330, BNB 2006/290). De rechtbank ziet geen aanleiding dit verzoek niet te honoreren. De op de zaken betrekking hebbende stukken en schending geheimhoudingsplicht 25. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte een aantal stukken niet heeft overgelegd. Het betreft (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.