RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Zutphen Bestuursrecht zaaknummer: 14/5515 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. C.J.M. Fens), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Breda, verweerder. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [bedrijf] te [plaats] (voormalig) werkgever (gemachtigde: mr. C.E. Stals). Procesverloop Bij besluit van 12 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het dagloon waarop eisers ziekengeld in het kader van de Ziektewet (ZW) is gebaseerd, vastgesteld op € 57,91. Bij besluit van 17 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Werkgever heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2015. Verweerder en werkgever zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op 8 juni 2015 heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen vragen van de rechtbank te beantwoorden en een nadere toelichting te geven op het bestreden besluit. Verweerder heeft een reactie op de heropeningsbeslissing ingezonden en eiser heeft hierop gereageerd, waarna partijen nogmaals over en weer standpunten hebben uitgewisseld. Na toestemming te hebben verkregen van partijen voor het achterwege laten van een nadere zitting heeft de rechtbank het onderzoek op 17 november 2015 gesloten. Overwegingen 1.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. 1.2 Eiser en werkgever hebben op 22 november 2012 een uitzendovereenkomst ondertekend. Daarin is, voor zover van belang, het volgende vastgelegd: Artikel 2 CAO De CAO voor Uitzendkrachten van de Algemene Bond uitzendondernemingen (ABU), hierna te noemen “de CAO”, telkens de meest recente versie, is van toepassing op deze overeenkomst. Artikel 3 Uitzendbeding De uitzendovereenkomst eindigt van rechtswege indien de terbeschikkingstelling eindigt op verzoek van opdrachtgever e.e.a. overeenkomstig artikel 7:691 lid 2 BW. 1.3 Eiser is sindsdien niet onafgebroken uitgezonden geweest. De laatste uitzending ving aan op 14 april 2014. Op 15 april 2014 heeft eiser zich vervolgens ziek gemeld. 2. Verweerder heeft, uitgaande van een doorlopende uitzendovereenkomst, het dagloon berekend door het in het refertejaar (24 februari 2013 tot en met 23 februari 2014) genoten loon exclusief genoten vakantiebijslag vermeerderd met opgebouwde vakantiebijslag te delen door het aantal dagloondagen van de aangiftetijdvakken in het refertejaar waarin loon is ontvangen. Verweerder baseert zijn berekening op artikel 3, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit). 3. Eiser is het met de hoogte van het dagloon niet eens. Volgens eiser dient elke uitzendperiode als een aparte dienstbetrekking gezien te worden en is er aldus geen sprake van een doorlopend dienstverband. Eiser is van mening dat verweerder om die reden op grond van artikel 3 van het Dagloonbesluit het dagloon enkel had dienen te baseren op het loon uit de dienstbetrekking waaruit hij ziek is geworden, oftewel de laatste uitzending. Eiser wijst er in dit verband op dat verweerder bij een eerdere vaststelling van het dagloon in het kader van de ZW in 2013 het Dagloonbesluit wèl heeft toegepast op de wijze die eiser voorstaat. 4. De werkgever onderschrijft de berekening van verweerder. Een beëindiging van een terbeschikkingstelling op verzoek van de opdrachtgever heeft volgens werkgever voor 15 april 2014 niet plaatsgevonden, zodat er sprake is geweest van een doorlopende uitzendovereenkomst. Per 15 april 2014 is er volgens de werkgever wel sprake van beëindiging van de uitzendovereenkomst en wel op grond van artikel 14, vierde lid van de CAO ABU. 5. De rechtbank stelt voorop dat artikel 3, derde lid, van het Dagloonbesluit dat verweerder aan de dagloonberekening ten grondslag heeft gelegd, eerst met ingang van 1 juni 2014 in werking is getreden. Gebleken is dat verweerder dit artikellid reeds vanaf 1 februari 2014 vooruitlopend op deze wijziging toepast. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee heeft gehandeld in strijd met het legaliteitsbeginsel. Het besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal evenwel bezien of er aanleiding is de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. 6. In geschil is vervolgens of sprake is van een doorlopende uitzendovereenkomst. Nu vast staat dat eiser sinds de aanvang van de uitzendovereenkomst niet ononderbroken is uitgezonden, ligt allereerst de vraag voor of de uitzendovereenkomst ingevolge het uitzendbeding tussentijds is geëindigd. Dit kan zich ook meerdere malen hebben voorgedaan, ondanks het feit dat nadien geen schriftelijke overeenkomst meer met de werkgever is gesloten. Aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:691, tweede lid, Burgerlijk Wetboek (BW) is naar het oordeel van de rechtbank alsdan voldaan in artikel 12, tweede lid, onder a, van de CAO ABU. Tenzij anders bedongen, worden opvolgende overeenkomsten immers geacht onder dezelfde voorwaarden te zijn aangegaan. 7. Voor het antwoord op de vraag of de uitzendovereenkomst ingevolge het uitzendbeding eerder is geëindigd, is bepalend of de terbeschikkingstellingen al dan niet op verzoek van de opdrachtgevers zijn geëindigd. De reden van een dergelijk verzoek speelt daarbij geen rol. Voor de werking van het uitzendbeding is enkel van belang dat de terbeschikkingstellingen niet zijn geëindigd op verzoek van de werknemer of de werkgever. Het is in beginsel aan verweerder om dit te onderzoeken. 8. In dat verband is voorts van belang dat artikel 13 van de CAO ABU bepaalt dat Fase A, en daarmee het uitzendbeding, is gemaximeerd op 78 gewerkte uren. Verweerder zal derhalve voorts moeten nagaan, of dat maximum ten tijde in geding al dan niet was bereikt. 9. Ook speelt een rol dat artikel 14, tweede lid, van de CAO ABU een termijn van kennisgeving voor de werkgever voorschrijft. De vraag is of werkgever al dan niet (een) dergelijke kennisgeving(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.